88. Nadoen--navolgen--nabootsen--naäpen.

_Hetzelfde doen wat een ander heeft voorgedaan._

~Nadoen~ zegt dit op de meest algemeene wijze; men doet precies, wat

een ander deed, 't zij in gunstigen of ongunstigen zin. _Wie kan mij dat

kunstje ~nadoen~? Achter zijn rug ~deden~ de deugnieten den onderwijzer

alles ~na~_ (zij wilden n.l. den onderwijzer bespottelijk maken).

Als men door dat nadoen zich zelf bespottelijk maakt, spreekt men

van ~naäpen~. _Vele dienstboden gaan even modieus gekleed als haar

mevrouwen, al moeten zij ook een groot deel van haar loon voor deze

~naäperij~ opofferen._

~Navolgen~ geeft altijd een gunstige beteekenis; het duidt aan, dat

iemand in dezelfde goede richting werkzaam is, waarin een ander hem is

voorgegaan of voorgaat. _Deze edele zelfopoffering werd door velen

~nagevolgd~._

Terwijl ~navolgen~ uitdrukt, dat men het voorbeeld in alles gelijk wil

komen, wijst ~nabootsen~ aan, dat men alleen de uiterlijke gelijkenis

op den voorgrond stelt (bootsen = boetseeren). ~Navolgen~ ziet dus

op het wezenlijke, het innerlijke, ~nabootsen~ meer op den schijn, het

uiterlijke. Een edele daad is navolgenswaardig, niet nabootsenswaardig.

Wel zegt men: _Hij weet precies mijn stem ~na te bootsen~._

* * * * *

Ik zal eens laten zien, hoe men deze letter schrijft, dan kan Jan het

straks eens --.

Deze dichter heeft in zijn gedicht Homerus --.

De vogelaar weet behendig het geluid van den kwartel --.

Een deugdzaam mensch mag men in alles --.

Uw broer schijnt voor tooneelspeler in de wieg gelegd; hij weet precies

zijn buurman --, ja zelfs zijn stem kan hij bedriegelijk --.

In den pruikentijd werden hier allerlei onzinnige Fransche zeden --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 101 / 279 题