_Hetzelfde doen wat een ander heeft voorgedaan._
~Nadoen~ zegt dit op de meest algemeene wijze; men doet precies, wat
een ander deed, 't zij in gunstigen of ongunstigen zin. _Wie kan mij dat
kunstje ~nadoen~? Achter zijn rug ~deden~ de deugnieten den onderwijzer
alles ~na~_ (zij wilden n.l. den onderwijzer bespottelijk maken).
Als men door dat nadoen zich zelf bespottelijk maakt, spreekt men
van ~naäpen~. _Vele dienstboden gaan even modieus gekleed als haar
mevrouwen, al moeten zij ook een groot deel van haar loon voor deze
~naäperij~ opofferen._
~Navolgen~ geeft altijd een gunstige beteekenis; het duidt aan, dat
iemand in dezelfde goede richting werkzaam is, waarin een ander hem is
voorgegaan of voorgaat. _Deze edele zelfopoffering werd door velen
~nagevolgd~._
Terwijl ~navolgen~ uitdrukt, dat men het voorbeeld in alles gelijk wil
komen, wijst ~nabootsen~ aan, dat men alleen de uiterlijke gelijkenis
op den voorgrond stelt (bootsen = boetseeren). ~Navolgen~ ziet dus
op het wezenlijke, het innerlijke, ~nabootsen~ meer op den schijn, het
uiterlijke. Een edele daad is navolgenswaardig, niet nabootsenswaardig.
Wel zegt men: _Hij weet precies mijn stem ~na te bootsen~._
* * * * *
Ik zal eens laten zien, hoe men deze letter schrijft, dan kan Jan het
straks eens --.
Deze dichter heeft in zijn gedicht Homerus --.
De vogelaar weet behendig het geluid van den kwartel --.
Een deugdzaam mensch mag men in alles --.
Uw broer schijnt voor tooneelspeler in de wieg gelegd; hij weet precies
zijn buurman --, ja zelfs zijn stem kan hij bedriegelijk --.
In den pruikentijd werden hier allerlei onzinnige Fransche zeden --.