_Zijn wil aan zijn ondergeschikten kenbaar maken, opdat zij zich
daardoor bij hun handelingen laten leiden._
~Gebieden~ wordt gezegd van den machthebber en doet dus
onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verwachten. _De koning ~gebood~ den
edelman, zich nooit meer aan het hof te vertoonen._
~Bevelen~ drukt uit, dat men anderen, die in onzen dienst staan, zegt,
wat zij doen moeten. _De veldheer ~beval~ zijn manschappen tot den
aanval over te gaan._
~Gebieden~ is dus (ook in figuurlijke beteekenis) sterker dan ~bevelen~.
_Ik ~gebied~ u heen te gaan_ is sterker dan: _ik ~beveel~ u heen te
gaan_. Bovendien ziet ~gebieden~ meestal op een voorschrift van
blijvenden en ~bevelen~ op een van tijdelijken aard. _God heeft ons
~geboden~ niet te stelen. De veldheer ~beval~, dat de soldaten niet
zouden plunderen._
~Gelasten~ onderstelt, dat men zijn ondergeschikte een last of opdracht
geeft, om dien te vervullen. _De generaal ~gelastte~ den koerier,
onmiddellijk versterking te gaan ontbieden._ Ook ziet ~gelasten~ soms op
bevel, waarvan het niet zeker is, of het wel uitgevoerd zal worden: _De
boschwachter ~gelastte~ den houtdief het gestolene af te geven._
* * * * *
De regeering heeft --, dat op den dag van 's Konings begrafenis alle
klokken geluid moeten worden.
De regeering heeft den burgemeesters --, ten spoedigste het aantal
scholen in hun gemeenten op te geven.
Ik wensch uw bezoeken niet meer te ontvangen en -- u dus voortaan buiten
het hek te blijven.
De Burgemeester heeft --, dat niemand meer vuilnis op de straat mag
werpen op straffe van 5 gulden. (Er wordt dus wel aan overtreding
gedacht.)
De naastenliefde --, onze vijanden lief te hebben.
De heer -- den koetsier, wat zachter te rijden.
De heer -- den koetsier, om 3 uur met het rijtuig voor te komen.
De onderwijzer -- den kinderen, voortaan niet meer buiten het hek te
spelen.
De officier --, dat de troepen zich zouden terugtrekken.
De spreker wenkte met de hand en -- stilte.