150. Dartel--speelsch--speelziek--uitgelaten.

_Tot vroolijkheid geneigd._

Openbaart zich deze neiging als gevolg van levenslust in vlugge

bewegingen of in scherts en luim, dan spreekt men van ~dartel~. _Die

jongen is zoo ~dartel~, dat hij mij bij mijn werk hindert._ Uit zich de

dartelheid bij jonge kinderen vooral in den lust om te spelen in plaats

van te leeren, dan spreekt men van ~speelsch~. _Dit ventje is nog te

~speelsch~ om lang achter elkander stil te zitten leeren._ Wordt deze

speelschheid bij grootere kinderen aangetroffen, zoodat zij hun werk

veronachtzamen, dan noemt men hen ~speelziek~. _Als die jongen zoo

~speelziek~ blijft, zal hij niet kunnen overgaan._ (~Speelziek~ heeft

dus een ongunstige beteekenis, wat bij ~speelsch~ niet het geval is.)

Wordt de dartelheid bij ouderen door een of andere blijdschap sterk

overdreven, dan spreekt men van ~uitgelaten~. (Het beeld is ontleend aan

het jonge vee, dat men uit den stal laat en dat zijn vroolijkheid door

dartel springen aan den dag legt.) _De studenten waren zoo ~uitgelaten~,

dat men ze al van verre kon hooren._ ~Dartel~ te zijn ligt meer in

iemands karakter, terwijl ~uitgelaten~ meer op een enkel geval ziet.

* * * * *

De kinderen huppelen -- de weide rond.

Dit hondje is nog zoo --, dat het alles, wat los en vast is, beetgrijpt.

Foei, je moest je schamen, zóó oud en nog zóó --.

Zij waren zoo -- van blijdschap, dat zij de allerzotste dingen deden.

»Hoe is natuur zoo stil, zoo plechtig!

Het -- windje kwijnt."

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 167 / 279 题