_Tot vroolijkheid geneigd._
Openbaart zich deze neiging als gevolg van levenslust in vlugge
bewegingen of in scherts en luim, dan spreekt men van ~dartel~. _Die
jongen is zoo ~dartel~, dat hij mij bij mijn werk hindert._ Uit zich de
dartelheid bij jonge kinderen vooral in den lust om te spelen in plaats
van te leeren, dan spreekt men van ~speelsch~. _Dit ventje is nog te
~speelsch~ om lang achter elkander stil te zitten leeren._ Wordt deze
speelschheid bij grootere kinderen aangetroffen, zoodat zij hun werk
veronachtzamen, dan noemt men hen ~speelziek~. _Als die jongen zoo
~speelziek~ blijft, zal hij niet kunnen overgaan._ (~Speelziek~ heeft
dus een ongunstige beteekenis, wat bij ~speelsch~ niet het geval is.)
Wordt de dartelheid bij ouderen door een of andere blijdschap sterk
overdreven, dan spreekt men van ~uitgelaten~. (Het beeld is ontleend aan
het jonge vee, dat men uit den stal laat en dat zijn vroolijkheid door
dartel springen aan den dag legt.) _De studenten waren zoo ~uitgelaten~,
dat men ze al van verre kon hooren._ ~Dartel~ te zijn ligt meer in
iemands karakter, terwijl ~uitgelaten~ meer op een enkel geval ziet.
* * * * *
De kinderen huppelen -- de weide rond.
Dit hondje is nog zoo --, dat het alles, wat los en vast is, beetgrijpt.
Foei, je moest je schamen, zóó oud en nog zóó --.
Zij waren zoo -- van blijdschap, dat zij de allerzotste dingen deden.
»Hoe is natuur zoo stil, zoo plechtig!
Het -- windje kwijnt."