156. Aanklagen--beschuldigen--betichten--aangeven--aanbrengen.

_Kenbaar maken, dat iemand iets onbehoorlijks heeft verricht._

~Beschuldigen~ wijst in het algemeen aan, dat men op iemand de schuld

van iets legt, terwijl ~aanklagen~ bovendien uitdrukt, dat zulks

geschiedt voor een macht, die de bevoegdheid bezit den schuldige

te straffen. De aanklager neemt tevens de verplichting op zich, de

aanklacht door bewijzen of getuigen te staven. ~Aanklagen~ verlangt dus

een straf voor de misdaad, wat ~beschuldigen~ niet doet. Laat men het

onderzoek en de opsporing der bewijzen aan de rechterlijke macht over,

dan gebruikt men ~aangeven~ of ~aanbrengen~. Aanbrengen onderstelt

tevens, dat men uit wraak of uit zucht naar gewin een strafbare daad ter

kennisse van de overheid brengt, terwijl aangeven die onedele drijfveer

niet aanneemt. Wordt iemand valschelijk en met een boosaardig opzet een

zware misdaad ten laste gelegd, dan gebruikt men ~betichten~. Ook lette

men er op, dat van ~beschuldigen~, ~aanklagen~ en ~betichten~ het

lijdend voorwerp een persoonsnaam is, terwijl ~aangeven~ en ~aanbrengen~

de misdaad tot lijdend voorwerp hebben.

_Men ~beschuldigde~ den knecht algemeen, dat hij het huis in brand had

gestoken_; d.w.z. men gaf hem de schuld er van.

_De boer ~klaagde~ den knecht ~aan~, toen deze den brand had gesticht_;

d.w.z. de boer diende een aanklacht bij den rechter in, en had er

bewijzen of getuigen voor.

_De moord werd bij de justitie ~aangegeven~_; d.w.z. men stelde de

justitie er van in kennis en liet aan haar het verdere onderzoek over.

_De werkvrouw ~bracht~ alles van de dienstboden bij Mevrouw ~aan~_;

d.w.z. om een plasdankje of wat ook te verdienen, verklapte zij alles.

(In de kinderwereld »verklikken".)

_De hovelingen ~betichtten~ den schatmeester van diefstal_; d.w.z. zij

zochten hem uit wraakzucht ten val te brengen en klaagden hem

valschelijk aan.

* * * * *

Oudtijds gold de regel, dat de -- zijn eedhelpers moest meebrengen.

Tichelaar -- Cornelis de Witt, dat deze den Prins naar het leven stond.

De dierenvriendin zag, hoe een koopman zijn hond mishandelde, en draalde

niet, dit bij de politie --.

De minderheid in die vergadering -- den voorzitter, dat hij opzettelijk

van het reglement van orde afweek, ten einde de aanneming van zijn

voorstel door te drijven.

De soldaat heeft zijn meerdere van machtsmisbruik --.

Het kan niet anders, of een zijner vijanden moet zijn misslag bij de

autoriteiten hebben --.

Welk onderscheid is er tusschen: _Zijn geweten ~beschuldigde~ hem_, en:

_zijn geweten ~klaagde~ hem ~aan~_?

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 173 / 279 题