180. Ochtend--morgen--dageraad--het krieken van den dag.

_Het begin van den dag._

~Dageraad~ en ~krieken~ wijzen op het begin van het licht, ~ochtend~

op het begin van den tijd of den dag. Zoo zegt men: _men staat op met

~het krieken van den dag~ of met den ~dageraad~_, d. w. z. bij het licht

worden.--»_Sta gauw op, het is al ~ochtend~_" (d. w. z. de dag is al

begonnen, de nacht is voorbij).

~Morgen~ ziet meer op de eerste uren, het eerste gedeelte van den dag:

_Dezen ~morgen~ heb ik in den tuin gespit._ Soms gebruikt men ook

_ochtend_, waar _morgen_ bedoeld is: _Gisteren~ochtend~ deed ik een

frissche wandeling._--Daar _ochtend_ slechts een oogenblik is, wenscht

men elkander geen _goeden ~ochtend~_, maar een _goeden ~morgen~_

('t eerste gedeelte van den dag). Zoo zegt men wel: _ochtendstond_ en

_morgenstond_, maar niet: _de ~ochtend~stond heeft goud in den mond_,

men bedoelt immers: de morgen_tijd_.

* * * * *

Ik wensch u goeden --.

Reeds bij -- stond er iemand voor onze deur.

Morgen -- moet gij niet te lang slapen.

Het --rood voorspelt mooi weer.

Nauwelijks begon de -- te lichten, of wij verlieten ons huis.

Ik laat mij elken -- om vijf uur wekken en werk dan den geheelen -- tot

acht uur door.

»O welkom, schoone --,

Die uit een gulden kamer gaat

Met glans en heldre stralen."

(Luiken.)

»De --ster drijft voor zich henen

De benden van het hemelsch heir."

(Vondel.)

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 197 / 279 题