_Het begin van den dag._
~Dageraad~ en ~krieken~ wijzen op het begin van het licht, ~ochtend~
op het begin van den tijd of den dag. Zoo zegt men: _men staat op met
~het krieken van den dag~ of met den ~dageraad~_, d. w. z. bij het licht
worden.--»_Sta gauw op, het is al ~ochtend~_" (d. w. z. de dag is al
begonnen, de nacht is voorbij).
~Morgen~ ziet meer op de eerste uren, het eerste gedeelte van den dag:
_Dezen ~morgen~ heb ik in den tuin gespit._ Soms gebruikt men ook
_ochtend_, waar _morgen_ bedoeld is: _Gisteren~ochtend~ deed ik een
frissche wandeling._--Daar _ochtend_ slechts een oogenblik is, wenscht
men elkander geen _goeden ~ochtend~_, maar een _goeden ~morgen~_
('t eerste gedeelte van den dag). Zoo zegt men wel: _ochtendstond_ en
_morgenstond_, maar niet: _de ~ochtend~stond heeft goud in den mond_,
men bedoelt immers: de morgen_tijd_.
* * * * *
Ik wensch u goeden --.
Reeds bij -- stond er iemand voor onze deur.
Morgen -- moet gij niet te lang slapen.
Het --rood voorspelt mooi weer.
Nauwelijks begon de -- te lichten, of wij verlieten ons huis.
Ik laat mij elken -- om vijf uur wekken en werk dan den geheelen -- tot
acht uur door.
»O welkom, schoone --,
Die uit een gulden kamer gaat
Met glans en heldre stralen."
(Luiken.)
»De --ster drijft voor zich henen
De benden van het hemelsch heir."
(Vondel.)