_Wat geen einde heeft._
~Eeuwig~ drukt oorspronkelijk uit, dat aan geen einde, maar ook aan geen
begin kan gedacht worden. In dezen zin kan men alleen zeggen: _God is
~eeuwig~._--Verder duidt het woord aan, dat er wel een begin is geweest,
maar dat er aan een einde onmogelijk kan gedacht worden: _het ~eeuwige~
leven_. Om dit denkbeeld van: onmogelijk te kunnen eindigen, aan te
duiden, gebruikt men ~eeuwig~ ook figuurlijk van zaken, waaraan
feitelijk wel een einde kan zijn, al wordt de mogelijkheid daarvan
uitgesloten: _het ~Eeuwig~ Edict_. (Het duurde toch maar 5 jaren!)
~Eindeloos~ wil zeggen, dat iets geen einde heeft, ofschoon zulk een
einde niet onmogelijk ware geweest. Terwijl ~eeuwig~ meer op den _tijd_
ziet, vestigt ~eindeloos~ meestal de aandacht op de _ruimte_. _Een
~eindelooze~ vlakte lag vóór mij._ (Voor mijn blik had die vlakte geen
einde; misschien was er wel een eind aan!)
Men spreekt van Gods _eeuwige_ liefde, omdat deze _ten_ _allen tijde_
zal voortduren; ook spreekt men van Gods _eindelooze_ liefde tot de
zondaren, om aan te duiden, dat het einde van die liefde wel mogelijk
ware geweest, maar dat God te goedertierend is, om die liefde een einde
te doen nemen. (Welk der beide woorden is dus sterker?)
~Oneindig~ duidt aan, dat er werkelijk aan de ruimte (of tijd) geen
einde is, bijv. _de rij der getallen is ~oneindig~_. Hieruit ontwikkelde
zich het begrip: onbegrensd, bijzonder groot, zóó groot zelfs, dat alle
afmetingen of grenzen wegvallen. Het wordt daarom gebruikt als bijw. van
graad: Een _oneindig_ groot verschil. Een _oneindig_ klein getal. Wat
beteekent nu: _Gods ~oneindige~ liefde_?
Waarom kan men niet spreken van een _oneindige_ vlakte? Waarom niet
van een _eeuwige_ vlakte? (Eeuwig is een tijdsbegrip, oneindig een
ruimtebegrip!) Waarom mag men God niet den _Eindelooze_ heeten?
Een _eindeloos_ krakeel schijnt geen einde te hebben; maar toch is dit
einde mogelijk, als de twist wordt bijgelegd. Een _eeuwig_ krakeel ziet
er op, dat er _ten allen tijde_ getwist wordt, dus wijst meer een
tijdsbegrip aan.
* * * * *
Onze blikken zwierven door de -- ruimte (d.w.z. langs den sterrenhemel).
Wij lieten onze blikken over de -- heide dwalen.
Ik zal u -- beminnen.
In de wereld van het -- kleine treft men ook wonderen aan.
De zon is op een -- afstand van ons verwijderd.
De gewesten der Unie besloten ten -- dage verbonden te blijven.
Ik ben dat -- gebedel moede, en zal er dus voor goed een eind aan maken.
Er bestaat een -- groot verschil tusschen deze beide karakters.
Hij bleef maar tot in het -- doorredeneeren.
Hij zwierf reeds jaren op de -- baren.