212. Bevrijden--verlossen--redden.

_Uit een neteligen toestand vrij maken._

~Bevrijden~ en ~verlossen~ wijzen er op, dat het vrijgemaakte voorwerp

door iets anders wordt vastgehouden; verlossen zegt dit in sterkere mate

dan bevrijden. Immers _bevrijden_ onderstelt wel, dat de vrijheid is

verloren, maar dat de gevangen persoon zich binnen de bepaalde ruimte

nog vrij bewegen kan: hij is dus alleen zijn _vrijheid_ kwijt. Hij kan

dan ook, krachtens die vrije beweging, _zich zelf bevrijden_, terwijl

_zich zelf verlossen_ onbestaanbaar is. Immers _verlossen_ onderstelt

een _gebonden_ zijn, zoodat behalve de vrijheid ook elke beweging gemist

wordt. (Verlossen = _los_ maken, n.l. de banden of boeien.)

~Redden~ ziet op het vrij maken uit een groot gevaar, waarin men anders

zou omkomen: _van den dood ~redden~; uit den brand ~redden~_.

~Verlossen~ ziet alleen op menschen, ~bevrijden~ op alle levende

wezens, en ~redden~ ook op zaken.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 231 / 279 题