_Uit een neteligen toestand vrij maken._
~Bevrijden~ en ~verlossen~ wijzen er op, dat het vrijgemaakte voorwerp
door iets anders wordt vastgehouden; verlossen zegt dit in sterkere mate
dan bevrijden. Immers _bevrijden_ onderstelt wel, dat de vrijheid is
verloren, maar dat de gevangen persoon zich binnen de bepaalde ruimte
nog vrij bewegen kan: hij is dus alleen zijn _vrijheid_ kwijt. Hij kan
dan ook, krachtens die vrije beweging, _zich zelf bevrijden_, terwijl
_zich zelf verlossen_ onbestaanbaar is. Immers _verlossen_ onderstelt
een _gebonden_ zijn, zoodat behalve de vrijheid ook elke beweging gemist
wordt. (Verlossen = _los_ maken, n.l. de banden of boeien.)
~Redden~ ziet op het vrij maken uit een groot gevaar, waarin men anders
zou omkomen: _van den dood ~redden~; uit den brand ~redden~_.
~Verlossen~ ziet alleen op menschen, ~bevrijden~ op alle levende
wezens, en ~redden~ ook op zaken.