71. Edelmoedig--grootmoedig.

_Beide woorden drukken een hoogen graad van zedelijke grootheid aan._

De ~edelmoedige~ heeft een edel gemoed, een edele ziel, en is dus

geneigd tot edele daden. Hij zal bijv. bij vijandschap de eerste zijn,

die de verzoenende hand aanbiedt en door geen wraak bezield wordt; hij

zal eigen genoegen opofferen om anderen daardoor van dienst te kunnen

zijn.

~Grootmoedig~ drukt een nog hoogeren graad van zielegrootheid uit;

de grootmoedige is tot nog veel grooter opofferingen in staat dan de

edelmoedige: hij kan zelfs tegenover zijn vijanden edelmoedig zijn. _De

~edelmoedige~ verdient lof en toejuiching; de ~grootmoedige~ dwingt

bewondering af._

* * * * *

Wie met eigen levensgevaar iemand uit een brandend huis redt, handelt

--; is de geredde zijn vijand, dan was de redder --.

De zendeling was -- genoeg, al zijn have en goed voor de heidenen op te

offeren. Toen zij hem later vermoordden, was hij nog zoo --, dat hij

voor zijn moordenaars bad.

De liefdezuster leidde een leven van -- zelfopoffering.

De zelfopoffering van Jan van Schaffelaar was een -- daad.

Welke gebreken de Boeren te veld ook hadden, men kan niets anders

zeggen, dan dat zij hun krijgsgevangenen -- behandelden.

Ofschoon de wisselwachter jaren lang door zijn buurman op allerlei

wijzen beleedigd was, toonde hij zich zoo --, dat hij in de ure des

gevaars het eenigst kind van zijn buurman met eigen levensgevaar van een

wissen dood redde.

Ofschoon de landheer recht had op de volle pacht, was hij na de

noodlottige overstrooming -- genoeg zijn pachters kwijtschelding van de

huur te verleenen.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 82 / 279 题