_Beide woorden drukken een hoogen graad van zedelijke grootheid aan._
De ~edelmoedige~ heeft een edel gemoed, een edele ziel, en is dus
geneigd tot edele daden. Hij zal bijv. bij vijandschap de eerste zijn,
die de verzoenende hand aanbiedt en door geen wraak bezield wordt; hij
zal eigen genoegen opofferen om anderen daardoor van dienst te kunnen
zijn.
~Grootmoedig~ drukt een nog hoogeren graad van zielegrootheid uit;
de grootmoedige is tot nog veel grooter opofferingen in staat dan de
edelmoedige: hij kan zelfs tegenover zijn vijanden edelmoedig zijn. _De
~edelmoedige~ verdient lof en toejuiching; de ~grootmoedige~ dwingt
bewondering af._
* * * * *
Wie met eigen levensgevaar iemand uit een brandend huis redt, handelt
--; is de geredde zijn vijand, dan was de redder --.
De zendeling was -- genoeg, al zijn have en goed voor de heidenen op te
offeren. Toen zij hem later vermoordden, was hij nog zoo --, dat hij
voor zijn moordenaars bad.
De liefdezuster leidde een leven van -- zelfopoffering.
De zelfopoffering van Jan van Schaffelaar was een -- daad.
Welke gebreken de Boeren te veld ook hadden, men kan niets anders
zeggen, dan dat zij hun krijgsgevangenen -- behandelden.
Ofschoon de wisselwachter jaren lang door zijn buurman op allerlei
wijzen beleedigd was, toonde hij zich zoo --, dat hij in de ure des
gevaars het eenigst kind van zijn buurman met eigen levensgevaar van een
wissen dood redde.
Ofschoon de landheer recht had op de volle pacht, was hij na de
noodlottige overstrooming -- genoeg zijn pachters kwijtschelding van de
huur te verleenen.