114. Aanroepen--bidden--smeeken.

_Zich in nood of gevaar tot iemand wenden, ten einde diens hulp of

bijstand te verkrijgen of de vervulling zijner wenschen te erlangen._

~Aanroepen~ gebruikt men hoofdzakelijk, als men den Almachtige luide

en eenigszins gejaagd om hulp vraagt en zich daarbij geheel op Zijn

voorzienigheid verlaat. _~Roep~ Hem ~aan~ in den dag der benauwdheid en

Hij zal u ruste geven._

~Bidden~ onderstelt, dat men kalmer aan God (of iemand, die ons kan

helpen) om hulp vraagt, terwijl ~smeeken~ een vuriger en dringender

bede te kennen geeft. _De voorganger ~bad~ God om een voorspoedigen

oogst.--Hij ~smeekte~ Hem, het leven der kranke vorstin te sparen._

* * * * *

De blinde -- om een aalmoes.

De ter dood veroordeelde -- om genade.

De schipbreukelingen hoorde men in hun doodsangst God --.

Ik -- u met een berouwvol hart om vergiffenis.

In alle kerken werd voor het behoud van den vrede --.

De radelooze moeder wierp zich op de knieën voor den wreeden soldaat en

-- hem haar kind niet te dooden.

Vóór Hugo de Groot zich in de boekenkist verborg, -- hij God om een

voorspoedige reis.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 129 / 279 题