_Zich in nood of gevaar tot iemand wenden, ten einde diens hulp of
bijstand te verkrijgen of de vervulling zijner wenschen te erlangen._
~Aanroepen~ gebruikt men hoofdzakelijk, als men den Almachtige luide
en eenigszins gejaagd om hulp vraagt en zich daarbij geheel op Zijn
voorzienigheid verlaat. _~Roep~ Hem ~aan~ in den dag der benauwdheid en
Hij zal u ruste geven._
~Bidden~ onderstelt, dat men kalmer aan God (of iemand, die ons kan
helpen) om hulp vraagt, terwijl ~smeeken~ een vuriger en dringender
bede te kennen geeft. _De voorganger ~bad~ God om een voorspoedigen
oogst.--Hij ~smeekte~ Hem, het leven der kranke vorstin te sparen._
* * * * *
De blinde -- om een aalmoes.
De ter dood veroordeelde -- om genade.
De schipbreukelingen hoorde men in hun doodsangst God --.
Ik -- u met een berouwvol hart om vergiffenis.
In alle kerken werd voor het behoud van den vrede --.
De radelooze moeder wierp zich op de knieën voor den wreeden soldaat en
-- hem haar kind niet te dooden.
Vóór Hugo de Groot zich in de boekenkist verborg, -- hij God om een
voorspoedige reis.