210. Betreffen--raken--aangaan.

_Met iets te maken hebben._

~Aangaan~ onderstelt, dat ons belang er mee gemoeid is evengoed als

van een ander. _Wacht, ik zal goed luisteren, want wat de spreker

daar zegt, ~gaat~ ook mij ~aan~.--Loop maar door, het ~gaat~ jou niet

~aan~._--~Betreffen~ is als 't ware meer een treffen, een mikken,

een raken op iemand, al schijnen ook anderen bedoeld: _Die vermaning

~betreft~ mij._ (Wat de spreker daar zegt, gaat niet anderen aan, maar

bepaaldelijk _mij_; hij vermaant mij persoonlijk, al zegt hij het niet

uitdrukkelijk.) ~Raken~ is de platte uitdrukking voor _aangaan_:

_~Raakt~ jou dat? Dat ~raakt~ je niet._

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 229 / 279 题