_Met iets te maken hebben._
~Aangaan~ onderstelt, dat ons belang er mee gemoeid is evengoed als
van een ander. _Wacht, ik zal goed luisteren, want wat de spreker
daar zegt, ~gaat~ ook mij ~aan~.--Loop maar door, het ~gaat~ jou niet
~aan~._--~Betreffen~ is als 't ware meer een treffen, een mikken,
een raken op iemand, al schijnen ook anderen bedoeld: _Die vermaning
~betreft~ mij._ (Wat de spreker daar zegt, gaat niet anderen aan, maar
bepaaldelijk _mij_; hij vermaant mij persoonlijk, al zegt hij het niet
uitdrukkelijk.) ~Raken~ is de platte uitdrukking voor _aangaan_:
_~Raakt~ jou dat? Dat ~raakt~ je niet._