78. Deemoedig--nederig--ootmoedig.

_Deze woorden duiden aan, dat iemand blijkens zijn daden geen hoogen

dunk van zich zelven heeft._

~Nederig~ zegt omtrent de beweegredenen niets; het drukt evenwel zeer

sterk uit, dat de bescheidenheid uit uiterlijke blijken spreekt, zoodat

alle pracht en trotschheid verre blijft. _Hij is ~nederig~ gekleed.--In

een ~nederige~ woning vindt men soms meer geluk dan in een trotsch

paleis._

~Deemoedig~ onderstelt schuldgevoel, terwijl ~ootmoedig~ de bijgedachte

heeft, dat men zijn eigen kleinheid of nietigheid diep gevoelt. _Hij

smeekte God ~deemoedig~ om vergeving; hij onderwierp zich ~ootmoedig~

aan Zijn wil._

* * * * *

Met een -- hart beleed de berouwhebbende zoon zijn schuld.

Hoe hoog M. Az. de Ruyter ook klom, hij bleef altijd even --; ja van

zijn grootste overwinningen gaf hij Gode -- de eer.

De zondaar lag -- in het stof gebogen en bad God -- om vergiffenis.

In Hoofts tijd eindigde men de brieven vaak met: »Blijve UEd. --

dienaar".

Hij is te -- om zich zóó te laten huldigen.

Met knagend zelfverwijt in het hart keerde hij eindelijk -- naar zijn

ouders terug.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 89 / 279 题