44. Stom--sprakeloos.

_Niet in staat te spreken._

~Sprakeloos~ wijst op een tijdelijk onvermogen, hetzij door ziekte,

hetzij door hevige gemoedsaandoening. _Hij stond ~sprakeloos~ van

schrik._

~Stom~ wijst op een aangeboren gebrek: _een ~stom~ kind_; of wel op het

natuurlijk onvermogen om te spreken: _het ~stomme~ vee_.

Soms staat ~stom~ gelijk met _zwijgend_: _een ~stomme~ rol_, of wordt

ook wel gebruikt bij de hevigste ontroering en is dan sterker dan

sprakeloos: _Hij was ~stom~ van ontzetting._

* * * * *

Het geld, dat -- is, maakt recht, wat krom is.

Door den hevigen schrik was zij langen tijd --.

Toen hij deze verpletterende tijding hoorde, was hij -- van ontzetting.

Het front van dit orgel bevat verscheidene -- pijpen.

Die man is wel ongelukkig: hij is -- en blind.

Door een verlamming van de tong is zij -- geworden (was zij eenige dagen

--).

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 52 / 279 题