_Niet in staat te spreken._
~Sprakeloos~ wijst op een tijdelijk onvermogen, hetzij door ziekte,
hetzij door hevige gemoedsaandoening. _Hij stond ~sprakeloos~ van
schrik._
~Stom~ wijst op een aangeboren gebrek: _een ~stom~ kind_; of wel op het
natuurlijk onvermogen om te spreken: _het ~stomme~ vee_.
Soms staat ~stom~ gelijk met _zwijgend_: _een ~stomme~ rol_, of wordt
ook wel gebruikt bij de hevigste ontroering en is dan sterker dan
sprakeloos: _Hij was ~stom~ van ontzetting._
* * * * *
Het geld, dat -- is, maakt recht, wat krom is.
Door den hevigen schrik was zij langen tijd --.
Toen hij deze verpletterende tijding hoorde, was hij -- van ontzetting.
Het front van dit orgel bevat verscheidene -- pijpen.
Die man is wel ongelukkig: hij is -- en blind.
Door een verlamming van de tong is zij -- geworden (was zij eenige dagen
--).