_Iets met aandrang vragen._
~Eischen~ drukt uit, dat men de gedachte aan een weigering uitsluit,
daar men van zijn recht overtuigd is of dat een plicht of een gelofte
tot gehoorzamen bindt. _Ik ~eisch~ het geld terug, dat gij van mij
geleend hebt. De wet ~eischt~ gehoorzaamheid aan haar bepalingen._
~Vorderen~ onderstelt wel, dat weigeren mogelijk is, maar toch niet
verwacht wordt, hetzij omdat degene, van wien men iets vordert, door
innerlijken drang weerhouden wordt te weigeren, hetzij hij bevreesd is
door dwangmiddelen tot het voldoen van het gevorderde gebracht te
worden. _Men ~vordert~ van een welopgevoed man, dat men hem op zijn
woord mag gelooven.--Ik ~vorder~ van hem schadevergoeding_ (d.w.z.
weigert hij soms, dan stel ik bij rechterlijk vonnis een _eisch_ tot
schadevergoeding in).
~Verlangen~ duidt aan, dat men iets met zeer sterken aandrang vraagt,
maar dat men niet zeker is, of het verlangde zal worden toegestaan: het
laat in het midden, of men al dan niet recht op het gevraagde heeft. _De
minderjarige jongeling ~verlangde~ zijn vaderlijk erfdeel om de wereld
in te trekken._ (Ware hij meerderjarig geweest, dan had hij het kunnen
_eischen_ of _vorderen_.)--_Wij ~verlangden~ van onzen vriend nadere
opheldering van zijn gedrag._ (Een onderwijzer _eischt_ opheldering van
zijn leerling.)
~Vergen~ (metathesis van vragen) duidt aan, dat men te veel verlangt.
_Hij ~vergt~ van mij, dat ik dat alles voor niets zal doen._
* * * * *
De onderwijzer --, dat zijn leerlingen stipt op tijd komen; hij --, dat
zij jegens iedereen beleefd zullen zijn; hij mag niet --, dat er onder
schooltijd voortdurend een doodsche stilte heerscht.