183. Eischen--vorderen--vergen--verlangen.

_Iets met aandrang vragen._

~Eischen~ drukt uit, dat men de gedachte aan een weigering uitsluit,

daar men van zijn recht overtuigd is of dat een plicht of een gelofte

tot gehoorzamen bindt. _Ik ~eisch~ het geld terug, dat gij van mij

geleend hebt. De wet ~eischt~ gehoorzaamheid aan haar bepalingen._

~Vorderen~ onderstelt wel, dat weigeren mogelijk is, maar toch niet

verwacht wordt, hetzij omdat degene, van wien men iets vordert, door

innerlijken drang weerhouden wordt te weigeren, hetzij hij bevreesd is

door dwangmiddelen tot het voldoen van het gevorderde gebracht te

worden. _Men ~vordert~ van een welopgevoed man, dat men hem op zijn

woord mag gelooven.--Ik ~vorder~ van hem schadevergoeding_ (d.w.z.

weigert hij soms, dan stel ik bij rechterlijk vonnis een _eisch_ tot

schadevergoeding in).

~Verlangen~ duidt aan, dat men iets met zeer sterken aandrang vraagt,

maar dat men niet zeker is, of het verlangde zal worden toegestaan: het

laat in het midden, of men al dan niet recht op het gevraagde heeft. _De

minderjarige jongeling ~verlangde~ zijn vaderlijk erfdeel om de wereld

in te trekken._ (Ware hij meerderjarig geweest, dan had hij het kunnen

_eischen_ of _vorderen_.)--_Wij ~verlangden~ van onzen vriend nadere

opheldering van zijn gedrag._ (Een onderwijzer _eischt_ opheldering van

zijn leerling.)

~Vergen~ (metathesis van vragen) duidt aan, dat men te veel verlangt.

_Hij ~vergt~ van mij, dat ik dat alles voor niets zal doen._

* * * * *

De onderwijzer --, dat zijn leerlingen stipt op tijd komen; hij --, dat

zij jegens iedereen beleefd zullen zijn; hij mag niet --, dat er onder

schooltijd voortdurend een doodsche stilte heerscht.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 200 / 279 题