25. Aanwezig--tegenwoordig.

_Zich binnen een bepaalde ruimte bevindende._

~Aanwezig~ zegt dit zonder eenig bijbegrip; ~tegenwoordig~ onderstelt,

dat men invloed op de plaatshebbende handeling kan uitoefenen. _Hoewel

ik in de zaal ~aanwezig~ was, zat ik zoo in gedachten verzonken, dat ik

van het gesprokene niets kan na vertellen. Bij de behandeling van een

wetsvoorstel is de daarbij betrokken minister ~tegenwoordig~._

* * * * *

Bij den hevigen brand was ik wel in de stad --, maar ik ben bij het

onheil niet -- geweest.

Hoeveel leerlingen zijn er in uw klas --?

Bij de proefles, die de sollicitanten gaven, waren ook de Raadsleden --.

Toen de Tweede Kamer deze gewichtige voorstellen behandelde, waren bijna

alle leden --; ook was er veel publiek op de tribune --.

Gij moest ook op ons feestje -- zijn, wij zouden het zeer op prijs

stellen.

Er is nog een groote voorraad van dit papier --.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 33 / 279 题