_Zich binnen een bepaalde ruimte bevindende._
~Aanwezig~ zegt dit zonder eenig bijbegrip; ~tegenwoordig~ onderstelt,
dat men invloed op de plaatshebbende handeling kan uitoefenen. _Hoewel
ik in de zaal ~aanwezig~ was, zat ik zoo in gedachten verzonken, dat ik
van het gesprokene niets kan na vertellen. Bij de behandeling van een
wetsvoorstel is de daarbij betrokken minister ~tegenwoordig~._
* * * * *
Bij den hevigen brand was ik wel in de stad --, maar ik ben bij het
onheil niet -- geweest.
Hoeveel leerlingen zijn er in uw klas --?
Bij de proefles, die de sollicitanten gaven, waren ook de Raadsleden --.
Toen de Tweede Kamer deze gewichtige voorstellen behandelde, waren bijna
alle leden --; ook was er veel publiek op de tribune --.
Gij moest ook op ons feestje -- zijn, wij zouden het zeer op prijs
stellen.
Er is nog een groote voorraad van dit papier --.