_Waaraan niets ontbreekt._
~Volledig~ wijst aan, dat alle leden (of deelen), waaruit iets bestaat,
aanwezig zijn. Een _volledige_ jaargang van »Eigen Haard". Niets is dus
weg of achtergehouden.
~Volkomen~ beteekent, dat alle vereischte eigenschappen behoorlijk en
wel aanwezig zijn. Een _volkomen_ vierkant.
~Volmaakt~ is in den volstrekten zin: vrij van eenig gebrek. God alleen
is _volmaakt_. Daar echter alle menschelijk werk gebreken aankleven,
zou er niets volmaakts op de wereld zijn; het woord wordt dan ook meer
figuurlijk gebezigd in den zin van uitstekend, zóó, dat iets het
volmaakte zeer nabij komt. Een _volmaakte_ gezondheid. Hieruit is het
te verklaren, dat volkomen en volmaakt dikwijls voor elkander gebruikt
worden: Een _volkomen_ gezondheid.
* * * * *
Dit verhaal schijnt mij niet -- toe.
Dit verhaal verdient geen -- geloof.
Hij was de -- ridder, dien men kende.
Ik heb een -- verzameling van onze postzegels.
Gij kunt -- op hem vertrouwen.
Op de volksschool behandel ik de spraakkunst niet meer --.
In deze klasse heerscht een -- orde.
Hij lijkt -- op zijn vader.
Ik ben het -- met u eens.
De dief legde een -- bekentenis af.