126. Volledig--volkomen--volmaakt.

_Waaraan niets ontbreekt._

~Volledig~ wijst aan, dat alle leden (of deelen), waaruit iets bestaat,

aanwezig zijn. Een _volledige_ jaargang van »Eigen Haard". Niets is dus

weg of achtergehouden.

~Volkomen~ beteekent, dat alle vereischte eigenschappen behoorlijk en

wel aanwezig zijn. Een _volkomen_ vierkant.

~Volmaakt~ is in den volstrekten zin: vrij van eenig gebrek. God alleen

is _volmaakt_. Daar echter alle menschelijk werk gebreken aankleven,

zou er niets volmaakts op de wereld zijn; het woord wordt dan ook meer

figuurlijk gebezigd in den zin van uitstekend, zóó, dat iets het

volmaakte zeer nabij komt. Een _volmaakte_ gezondheid. Hieruit is het

te verklaren, dat volkomen en volmaakt dikwijls voor elkander gebruikt

worden: Een _volkomen_ gezondheid.

* * * * *

Dit verhaal schijnt mij niet -- toe.

Dit verhaal verdient geen -- geloof.

Hij was de -- ridder, dien men kende.

Ik heb een -- verzameling van onze postzegels.

Gij kunt -- op hem vertrouwen.

Op de volksschool behandel ik de spraakkunst niet meer --.

In deze klasse heerscht een -- orde.

Hij lijkt -- op zijn vader.

Ik ben het -- met u eens.

De dief legde een -- bekentenis af.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 143 / 279 题