_Wat aan iets eigen is of het kenmerkt._
Is het kenmerkende meer toevallig aan de zelfstandigheid eigen, dan
spreekt men van ~hoedanigheid~; is dat kenmerkende aan het bestaan
der zelfstandigheid noodwendig verbonden, dus van blijvenden aard,
dan gebruikt men ~eigenschap~. Als een blad papier dik of dun, goed
beschrijfbaar, geel of wit is, zijn dat hoedanigheden; men kan immers
deze hoedanigheden anders maken, zonder dat de stof ophoudt papier te
zijn. Postpapier is beschrijfbaar, dit is een eigenschap er van, immers
zonder die »hoedanigheid" zou het postpapier niet kunnen dienen.
* * * * *
Steenkolen hebben de --, dat zij brandbaar zijn. Geven zij bij de
verbranding weinig roet, dan is dat een goede --.
Een bol heeft de --, dat hij rond is.
In zijn -- als voogd, heeft hij uitstekend voor zijn neef gezorgd.
Deelbaarheid is een algemeene -- der lichamen.
Deze dienstbode bezit vele goede --, en daarom kan ik haar wel
aanbevelen.