17. Klooven--klieven.

_Met eenige kracht de deelen van elkander scheiden._

~Klooven~ duidt aan, dat na de werking de scheiding blijft bestaan,

terwijl ~klieven~ onderstelt, dat de vaneengescheiden deelen zich

spoedig weer vereenigen; ~klooven~ geschiedt daarom alleen met vaste,

~klieven~ met vloeibare of luchtvormige stoffen. ~Klooven~ ziet meer

op het voorwerp, dat de werking ondergaat en duidt dus een doel aan,

terwijl ~klieven~ meer let op het voorwerp, dat de werking verricht.

Men zegt dus: _de arbeider ~klooft~ het hout_; 1º. is de verbreking

der deelen blijvend; 2º. hout is een vast lichaam en 3º. het _doel_

der werking is het hout klein te maken. Daarentegen zegt men: _het

schip ~klieft~ de baren_, immers 1º. is de verbreking der deelen van

voorbijgaanden aard; 2º. water is een vloeistof en 3º. het doel is niet

het water te scheiden, maar men wil den nadruk leggen op het schip zelf,

door aan te duiden, dat het snel vooruitkomt.

* * * * *

Ruwe diamanten moeten meestal -- worden.

De blanke duiven door-- de stille avondlucht.

De ridder reed op zijn vijand toe en -- hem met één slag van zijn zwaard

den kop.

De wind is gunstig, en vroolijk -- het ranke schip de baren.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 25 / 279 题