_Aangename aandoening van ons gemoed._
~Blijdschap~ ziet meer op een enkel geval en wordt door geringere
oorzaken teweeggebracht dan ~vreugde~, die dieper en langduriger
aandoet. Bovendien verschillen beide woorden ook hierin, dat
~blijdschap~ zich op 't gelaat afspiegelt, terwijl ~vreugde~ zich niet
noodzakelijk behoeft te uiten. Het goed gedrag van den zoon geeft den
vader vreugde; zijn thuiskomst na een korte afwezigheid veroorzaakt
blijdschap. (De vreugde duurt langer en uit zich wellicht niet; de
blijdschap was van voorbijgaanden aard en straalde misschien van 't
gelaat van den vader.) Geeft de blijdschap zich lucht ook door woorden,
lachen of gebaren, dan spreekt men van ~vroolijkheid~. Zijn vreugde kan
men verbergen, zijn vroolijkheid niet; blijdschap kan stil zijn (stille
blijdschap), vroolijkheid niet, bijv.: zij waren uitgelaten van
vroolijkheid.
~Genoegen~ is minder sterk dan blijdschap; het is eigenlijk de toestand
van voldaanheid met hetgeen men wenscht of bezit. _Hij smaakte het
~genoegen~, de acte te behalen. Het doet mij ~genoegen~, dat gij komt._
(In beide gevallen wijst het dus aan, dat de wensch vervuld werd.)
Tegenwoordig komt het soms ook overeen met vermaak: _Ik wensch u veel
~genoegen~ op uw reis_ (wat eigenlijk beteekent: ik hoop, dat gij al uw
wenschen bevredigd zult zien, n.l. uw wenschen naar genot en vermaak
op uw reis). _Hij schept veel ~genoegen~ of vermaak in het lezen van
romans. Met ~genoegen~ neem ik uw uitnoodiging aan_ (het zal mij een
vermaak zijn, bij u te komen). Genoegen kan ook nog beteekenen: de
oorzaak of het middel, dat ons vermaak verschaft: _ook de winter heeft
zijn ~genoegens~_. Verder moet er nog op gewezen worden, dat genoegen
en vermaak in de gewone spreektaal dikwijls vervangen worden door het
Fransche woord »pleizier".
De hoogste trap van vreugde of blijdschap is ~verrukking~: de aangename
toestand, waarin alle andere gevoel in dat der vreugde opgaat.
* * * * *
De geboorte van den prins werd met groote -- begroet.
Op de zilveren bruiloft heerschte er in dit huisgezin groote --.
Het is mij altijd een -- door de geurende bosschen te dwalen.
Die jongen heeft er altijd -- in, kleine kinderen te plagen.
Met -- beschouwde de daglooner den grooten schat, dien hij had gevonden.
De zieke had het --, nog voor zijn dood al zijn kinderen om zich te
zien.
Het verdere van den feestavond werd in uitgelaten -- doorgebracht.
Wie al te veel allerlei -- najaagt, verzuimt dikwijls zijn eerste
plichten.
Het is mij een -- u te kunnen helpen.
De -- der ouders, toen zij hun verloren gewaand kind terugvonden, is
niet te beschrijven.
Tot algemeene -- begon onder de deftige toespraak van den voorzitter
plotseling een ezel te balken.
Moge uw huwelijk u een bron zijn van ongestoorde --.
Het bestuur dezer badplaats zorgt in den zomer voor allerlei --.
Toen hij het langgewenschte portret zijner moeder vond, geraakte hij in
--.
Met -- vernam men, dat de Koningin een bezoek aan de stad zou brengen.
»Wat heilig vuur, doortintelt al mijn ad'ren! -- sleept mij
onweerstaanbaar mee!"