_Een aanval tegengaan._
~Afweren~ geschiedt geheel uit zelfverdediging, men houdt daarbij den
vijand van zich af en dekt zich tegen zijn aanvallen.
Bij ~afslaan~ denkt men meer aan een krachtdadig optreden: men valt den
vijand aan en tracht hem op de vlucht te drijven.--Figuurlijk gebruikt
komt alleen ~afweren~ voor, bijv. _het gevaar van iemand ~afweren~_;
_iemands liefkoozingen ~afweren~_.
* * * * *
De Spanjaarden liepen storm op Alkmaars muren, maar de aanval werd
krachtig --.
Hij heeft den doodelijken slag --, door zich nog tijdig met het schild
te dekken.
De vijand deed een onbesuisden aanval op ons leger, zoodat de
manschappen ternauwernood tijd hadden dien --.
Men wist op het fort, dat de vijand naderde; zijn aanval werd dan ook
niet alleen --, maar zelfs met kracht --.
Slechts aan de staatsmanskunst van den eersten minister was het te
danken, dat de oorlog nog -- werd.