109. Afslaan--afweren.

_Een aanval tegengaan._

~Afweren~ geschiedt geheel uit zelfverdediging, men houdt daarbij den

vijand van zich af en dekt zich tegen zijn aanvallen.

Bij ~afslaan~ denkt men meer aan een krachtdadig optreden: men valt den

vijand aan en tracht hem op de vlucht te drijven.--Figuurlijk gebruikt

komt alleen ~afweren~ voor, bijv. _het gevaar van iemand ~afweren~_;

_iemands liefkoozingen ~afweren~_.

* * * * *

De Spanjaarden liepen storm op Alkmaars muren, maar de aanval werd

krachtig --.

Hij heeft den doodelijken slag --, door zich nog tijdig met het schild

te dekken.

De vijand deed een onbesuisden aanval op ons leger, zoodat de

manschappen ternauwernood tijd hadden dien --.

Men wist op het fort, dat de vijand naderde; zijn aanval werd dan ook

niet alleen --, maar zelfs met kracht --.

Slechts aan de staatsmanskunst van den eersten minister was het te

danken, dat de oorlog nog -- werd.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 122 / 279 题