_Deze woorden duiden aan, dat een handeling in zeer korten tijd
afloopt._
~Terstond~ en ~aanstonds~ geven te kennen, dat de handeling op hetzelfde
oogenblik (stonde) plaats heeft. ~Aanstonds~ evenwel onderstelt nog een
kleine tusschenruimte van tijd. _Nauwelijks had ik hem geroepen, of
~terstond~ kwam hij binnen. Even geduld, ik zal je ~aanstonds~ helpen._
~Dadelijk~ komt zeer veel met terstond overeen: het wijst aan, dat men
tot de ~daad~ overgaat zonder uitstel, zonder woordenwisseling, zonder
bedenking. _Ik vroeg hem mij te helpen en ~dadelijk~ was hij daartoe
bereid._ Als bijwoord is het meer tot de spreektaal beperkt; als
bijvoegelijk naamwoord komt het daarentegen uitsluitend in de
schrijftaal voor: _zonder de ~dadelijke~ hulp van den arts was de
gewonde zeker verloren geweest_.
~Spoedig~ en ~gauw~ zeggen, dat de handeling met snelheid wordt
uitgevoerd en dus weinig tijd vordert. Er moet derhalve wel aan eenig
tijdsverloop gedacht worden. ~Gauw~ ziet meer op de vlugheid of snelheid
van beweging (»gauw" als water), terwijl ~spoedig~ meer aanduidt, dat er
spoed, voortgang gemaakt wordt. Gewoonlijk is in gemeenzame taal ~gauw~
gebruikelijker dan ~spoedig~. _Hij heeft mij ~spoedig~ geholpen. Men had
~spoedig~ een veldtent opgeslagen. Die boodschap heb je ~gauw~ gedaan._
Soms ook is bij ~spoedig~ en ~gauw~ het denkbeeld van snelheid der
handeling geheel op den achtergrond gedrongen en wordt alleen aan het
korte tijdsverloop gedacht. In dit geval komen zij meer met aanstonds,
dadelijk, terstond overeen, maar wijzen dan een eenigszins grootere
tijdruimte aan. _Hij zal ~spoedig~ hier zijn. Hij is ~gauw~ jarig._ In
deze beteekenis kan ook ~weldra~ gebruikt worden, maar dit woord komt
bijna uitsluitend in de schrijftaal voor. _Men mag ~weldra~ de indiening
van het wetsontwerp verwachten._
* * * * *
Wie -- helpt, helpt dubbel.
Als ik je roep, moet je -- komen.
Je hebt veel te -- geschreven, ik kan er haast niets van lezen.
Men verwacht algemeen, dat de vrede -- geteekend zal zijn.
Dank zij de -- toegeschoten hulp, werd de brand nog tijdig gebluscht.
Hij is zoo -- als water; houd hem dus goed in het oog.
Ik zal -- komen; eerst moet ik nog dit briefkaartje schrijven.
Hij was op mijn verzoek -- bereid het boek af te staan.
Als de warmte eenigen tijd aanhoudt, zal men -- kunnen oogsten.
(Verklaar, waarom men soms meer dan één woord kan invullen.)