_Op dezelfde plaats of in denzelfden toestand blijven, totdat iets
gebeurt._
~Wachten~ geeft dat blijven op dezelfde plaats zonder nadere aanduiding
aan. _Ik ~wachtte~ voor het hek, tot de trein voorbij was._
~Verwachten~ onderstelt, dat men met zekere belangstelling (verlangen,
vrees) uitziet, naar hetgeen gebeuren zal en dat men daarop min of meer
stellig rekent. _Ik ~verwacht~ ieder oogenblik mijn vader. Ik ~verwacht~
een ongeluk._
~Verbeiden~ drukt hetzelfde uit, maar geeft tevens nog aan, dat men met
innig verlangen de gebeurtenis tegemoet ziet; het behoort alleen tot den
deftigen stijl. _De ~langverbeide~ dag was eindelijk gekomen._ (Waarom
kan men dus niet zeggen: De langverbeide _ramp_ was eindelijk gekomen?)
Bij ~afwachten~ denkt men aan wachten, tot iets komt of iets gebeurt
en wel met eenige zekerheid. Wanneer men een bezoek _afwacht_, wacht
men zonder iets anders te doen, totdat de bezoekers komen, om op dat
oogenblik gereed te zijn en hen naar behooren te ontvangen. _Verwacht_
men bezoek, dan ziet men gedurig (met belangstelling) eens uit, of
de gasten komen, terwijl men op hun bezoek rekent, door zich bijv.
behoorlijk te kleeden, maar men blijft niet (zooals bij afwachten)
op hen zitten wachten, daar men niet volkomen zeker van hun komst
is.--~Afwachten~ wijst, figuurlijk gebruikt, op een geduldig wachten
tot het einde toe, terwijl ~verwachten~ meer op het vooruitzien zelf
slaat. _Gij moet altijd kalm den uitslag ~afwachten~: dikwijls is hij
gunstiger, dan gij hadt durven ~verwachten~._
Ook heeft ~afwachten~ soms de beteekenis van _zich laten welgevallen_ of
_verdragen_: _Uw bevelen verkies ik niet ~af te wachten~._
* * * * *
Laten wij hier zoolang --, tot de bui overgetrokken is.
Laten wij hier de bui --, wij blijven er droog.
Hoelang hebt gij op mij --?
O zaal'ge stond, zoo lang --!
De stoutmoedige jager waagde het, de nadering van den leeuw kalm --.
Ik had --, dat hij boos op mij zou zijn.
Heel het volk -- de ure, die de verlossing brengen zou.
Eens voor al gezegd: ik wil geen complimenten --.
Gij kunt gerust komen, ik zal uw bezoek gaarne --.
Toen ik daar op den trein stond te --, om de komst van den vorst --, had
ik niet --, dat uw broer er ook zijn zou.