_Leedgevoel over het geluk van anderen._
~Naijver~ drukt dit het zachtst uit; het onderstelt dat men mededingers
heeft, die men voorbij wil streven. _In zijn ~naijver~ op den bijval,
dien zijn kunstbroeders inoogstten, liet de clown zich tot een
gevaarlijken sprong in den circus verleiden._
~Afgunst~ duidt aan, dat men aan een ander niet gunt, wat hij bezit of
ontvangt, terwijl ~wangunst~ bovendien te kennen geeft, dat men hetgeen
een ander ten deel valt, zelf wenscht te bezitten.
~Nijd~ is nog sterker dan wangunst; het wijst aan, dat iemands welvaart
oorzaak is, dat men hem óók nog een kwaad hart toedraagt. (Vergelijk:
brood~nijd~!)
_Hoe hooger hij in de gunst des konings steeg, hoe meer hij daardoor
de ~afgunst~ der overige hovelingen opwekte._ Sterker zou in dezen
zin _nijd_ zijn, immers dan duidde men aan, dat de hovelingen hem ook
vijandig gezind waren en hem misschien wel ten val zochten te brengen.
_Wangunst_ zou gebruikt moeten worden, als de hovelingen in zijn plaats
wilden komen.
* * * * *
De kleine Willem was boos, dat zijn zusje van haar peettante een mooie
pop gekregen had; uit -- greep hij de pop af en wierp ze in het water.
Uit -- over de toenemende klandizie van zijn concurrent ging de
winkelier hem van vervalsching der waren betichten.
Uit -- sloeg hij al zijn waren in prijs af, om zijn concurrent diens
klanten afhandig te maken.
De onderlinge --, die er tusschen de groote mogendheden bestaat, is voor
de kleine staten een der voornaamste waarborgen hunner zelfstandigheid.