138. Afgunst--wangunst--nijd--naijver.

_Leedgevoel over het geluk van anderen._

~Naijver~ drukt dit het zachtst uit; het onderstelt dat men mededingers

heeft, die men voorbij wil streven. _In zijn ~naijver~ op den bijval,

dien zijn kunstbroeders inoogstten, liet de clown zich tot een

gevaarlijken sprong in den circus verleiden._

~Afgunst~ duidt aan, dat men aan een ander niet gunt, wat hij bezit of

ontvangt, terwijl ~wangunst~ bovendien te kennen geeft, dat men hetgeen

een ander ten deel valt, zelf wenscht te bezitten.

~Nijd~ is nog sterker dan wangunst; het wijst aan, dat iemands welvaart

oorzaak is, dat men hem óók nog een kwaad hart toedraagt. (Vergelijk:

brood~nijd~!)

_Hoe hooger hij in de gunst des konings steeg, hoe meer hij daardoor

de ~afgunst~ der overige hovelingen opwekte._ Sterker zou in dezen

zin _nijd_ zijn, immers dan duidde men aan, dat de hovelingen hem ook

vijandig gezind waren en hem misschien wel ten val zochten te brengen.

_Wangunst_ zou gebruikt moeten worden, als de hovelingen in zijn plaats

wilden komen.

* * * * *

De kleine Willem was boos, dat zijn zusje van haar peettante een mooie

pop gekregen had; uit -- greep hij de pop af en wierp ze in het water.

Uit -- over de toenemende klandizie van zijn concurrent ging de

winkelier hem van vervalsching der waren betichten.

Uit -- sloeg hij al zijn waren in prijs af, om zijn concurrent diens

klanten afhandig te maken.

De onderlinge --, die er tusschen de groote mogendheden bestaat, is voor

de kleine staten een der voornaamste waarborgen hunner zelfstandigheid.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 155 / 279 题