_Zich op de een of andere wijze tegenover een ander gedragen._
~Bejegenen~ onderstelt een ontmoeting (in het Duitsch beteekent het dan
ook ontmoeten); het geeft de houding te kennen, die men bij zulk een
ontmoeting tegenover anderen aanneemt. Het woord heeft dus alleen
betrekking op personen. _Hij heeft mij op straat onheusch ~bejegend~._
~Behandelen~ geeft het handelen aan met betrekking tot menschen, dieren
of voorwerpen, zonder aan een ontmoeting te denken. In den regel wordt
er het bijdenkbeeld aan verbonden van een voortdurende herhaling der
werking. _Zulk een ~behandeling~ laat ik mij niet wel gevallen._ (_Zulk
een ~bejegening~_, zou slechts op één geval zien.) _Men moet de dieren
goed ~behandelen~._ (De werking wordt voortdurend herhaald.)
* * * * *
Hij trad het huis binnen en werd vriendelijk --.
Als gij deze plant niet goed --, zal zij spoedig sterven.
Ik had nooit gedacht, dat hij mij zoo minachtend durfde te --.
Deze patroon -- zijn bedienden goed; de sollicitanten -- hij steeds
voorkomend.