_Gebrek aan het noodige hebbend._
~Arm~ duidt aan, dat men niets of zeer weinig bezit en staat tegenover
rijk. In figuurlijken zin duidt het eveneens een schaarschheid aan:
_arm_ aan woorden, _arm_ aan deugden. Wie arm is, kan slechts met moeite
rondkomen en moet zich velerlei genoegens ontzeggen. Blijkt dat arm zijn
vooral uit het uiterlijke van woning of kleeding, dan spreekt men van
~armoedig~. _Een ~armoedige~ hut, een ~armoedig~ gekleed man._
~Behoeftig~ duidt aan, dat men het noodige niet kan aanschaffen, terwijl
~nooddruftig~ aanwijst, dat zelfs het onontbeerlijkste wordt gemist.
Arm, armoedig, behoeftig en nooddruftig vormen dus een climax of
opklimming. Men houde evenwel in het oog, dat het laatste woord,
nooddruftig, uitsluitend tot den deftigen stijl beperkt is.
* * * * *
Wie rijk is aan goederen, is soms -- aan geluk.
Al zijn deze menschen ook --, toch zien zij er niet -- uit.
In den winter lijden de -- veel gebrek. Dan echter gaat de engel der
weldadigheid in stilte rond, om de -- te helpen.
Soms treft men in een -- hut meer geluk aan, dan in een trotsch paleis.
De rijkgeworden parvenu vergeet soms, dat hij eens -- is geweest; vaak
is hij hardvochtig genoeg om de -- ongetroost weg te zenden.