86. Duister--donker--somber.

_Gebrek aan licht hebbende._

~Somber~ geeft meer den onaangenamen indruk te kennen, dien een

belemmerde toegang van het licht teweeg brengt; ~donker~ ziet meer op

de onvoldoende belichting zelf. Een _somber_ vertrek heeft door zijn

bouworde (bijv. door weinig of kleine ramen, door boomen enz.) iets

onaangenaams en beklemmends. Daarentegen kan het vertrek door toevallige

omstandigheden _donker_ zijn. _Bij regenachtig weer is het in de kamer

vroeg ~donker~._

~Duister~ duidt een algeheele afwezigheid van licht aan, en is dus

sterker dan donker. Men spreekt daarom niet van maans_verdonkering_,

maar van maans_verduistering_.

Figuurlijk gebruikt wil ~somber~ zeggen: triestig, bijv. een _sombere_

stemming; ~donker~ staat dan gelijk met zorgwekkend: een _donkere_

toekomst, terwijl ~duister~ dan beteekent: verward, onduidelijk, bijv.

een _duistere_ redeneering. (Verklaar de fig. uit de letterlijke

beteekenis der 3 woorden.)

* * * * *

Het was zoo -- in de kamer, dat ik niet meer lezen kon.

Dit museum geeft van buiten den indruk een -- gebouw te zijn.

Geen enkele ster verlichtte het nachtelijk --.

Ik merkte terstond, dat hij -- gestemd was en zocht hem wat op te

vroolijken.

Het volk, dat in de -- zit, zal een groot Licht zien.

In de -- dagen der Fransche overheersching begon het volk zijn

partijschappen te vergeten.

Gods wegen zijn dikwijls voor ons kortzichtig oog --.

Op een regenachtigen, -- herfstdag werd de geliefde dichter ter aarde

besteld.

Met een -- gemoed ging hij de -- toekomst tegen.

»Uit het -- van den nacht Moet de dag eens rijzen."

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 99 / 279 题