_Gebrek aan licht hebbende._
~Somber~ geeft meer den onaangenamen indruk te kennen, dien een
belemmerde toegang van het licht teweeg brengt; ~donker~ ziet meer op
de onvoldoende belichting zelf. Een _somber_ vertrek heeft door zijn
bouworde (bijv. door weinig of kleine ramen, door boomen enz.) iets
onaangenaams en beklemmends. Daarentegen kan het vertrek door toevallige
omstandigheden _donker_ zijn. _Bij regenachtig weer is het in de kamer
vroeg ~donker~._
~Duister~ duidt een algeheele afwezigheid van licht aan, en is dus
sterker dan donker. Men spreekt daarom niet van maans_verdonkering_,
maar van maans_verduistering_.
Figuurlijk gebruikt wil ~somber~ zeggen: triestig, bijv. een _sombere_
stemming; ~donker~ staat dan gelijk met zorgwekkend: een _donkere_
toekomst, terwijl ~duister~ dan beteekent: verward, onduidelijk, bijv.
een _duistere_ redeneering. (Verklaar de fig. uit de letterlijke
beteekenis der 3 woorden.)
* * * * *
Het was zoo -- in de kamer, dat ik niet meer lezen kon.
Dit museum geeft van buiten den indruk een -- gebouw te zijn.
Geen enkele ster verlichtte het nachtelijk --.
Ik merkte terstond, dat hij -- gestemd was en zocht hem wat op te
vroolijken.
Het volk, dat in de -- zit, zal een groot Licht zien.
In de -- dagen der Fransche overheersching begon het volk zijn
partijschappen te vergeten.
Gods wegen zijn dikwijls voor ons kortzichtig oog --.
Op een regenachtigen, -- herfstdag werd de geliefde dichter ter aarde
besteld.
Met een -- gemoed ging hij de -- toekomst tegen.
»Uit het -- van den nacht Moet de dag eens rijzen."