_Zich van iets, wat onaangenaam is, verwijderen._
~Ontkomen~ zegt dit op de meest algemeene wijze; de overige synoniemen
geven ook het middel aan, waardoor men ontkomt. ~Ontwijken~ zegt,
dat men uitwijkt, uit den weg gaat, dus een ontmoeting vermijdt.
~Ontvluchten~ is: zich door groote snelheid (loopen, rijden, enz.) in
veiligheid brengen, of aan de macht van een meerdere ontkomen: _het
gevaar ~ontvluchten~; het ouderlijk huis ~ontvluchten~_. ~Ontloopen~
is ontvluchten en wel bepaaldelijk door snel ~loopen~. _De deserteur
~ontliep~ zijn vervolgers._ ~Ontgaan~ zegt, dat het ontkomen meer
kalmer geschiedt, nl. door ~gaan~, bijv. door eenvoudig weg te gaan.
_De dichter vertrok naar 't buitenland, om alle huldebetoogingen op
zijn 70sten verjaardag te ~ontgaan~_; of meer door een toeval: _Door
's Konings dood ~ontging~ de veroordeelde de doodstraf._ ~Ontsnappen~
is een snel en behendig ontkomen aan iemand (iets), die ons reeds in
zijn macht heeft, zonder dat de tegenpartij het nog tijdig merkt: _Hij
~ontsnapte~ uit de gevangenis_ (de bewaker zag het niet).