226. Ontvluchten--ontgaan--ontkomen--ontloopen--ontsnappen--ontwijken.

_Zich van iets, wat onaangenaam is, verwijderen._

~Ontkomen~ zegt dit op de meest algemeene wijze; de overige synoniemen

geven ook het middel aan, waardoor men ontkomt. ~Ontwijken~ zegt,

dat men uitwijkt, uit den weg gaat, dus een ontmoeting vermijdt.

~Ontvluchten~ is: zich door groote snelheid (loopen, rijden, enz.) in

veiligheid brengen, of aan de macht van een meerdere ontkomen: _het

gevaar ~ontvluchten~; het ouderlijk huis ~ontvluchten~_. ~Ontloopen~

is ontvluchten en wel bepaaldelijk door snel ~loopen~. _De deserteur

~ontliep~ zijn vervolgers._ ~Ontgaan~ zegt, dat het ontkomen meer

kalmer geschiedt, nl. door ~gaan~, bijv. door eenvoudig weg te gaan.

_De dichter vertrok naar 't buitenland, om alle huldebetoogingen op

zijn 70sten verjaardag te ~ontgaan~_; of meer door een toeval: _Door

's Konings dood ~ontging~ de veroordeelde de doodstraf._ ~Ontsnappen~

is een snel en behendig ontkomen aan iemand (iets), die ons reeds in

zijn macht heeft, zonder dat de tegenpartij het nog tijdig merkt: _Hij

~ontsnapte~ uit de gevangenis_ (de bewaker zag het niet).

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 245 / 279 题