_De toestand, waarin de hartstochten geen heerschappij voeren._
~Rustig~ is hij, die weinig beweging maakt, die niet opgewonden is, die
zoowel innerlijk als uiterlijk rust geniet; hij acht zich geheel veilig
en leeft in dat bewustzijn stil voort. _Een ~rustige~ slaap; een
~rustig~ leven._
Wie ~bezadigd~ is, windt zich niet spoedig op; de omstandigheden hebben
weinig invloed op zijn gemoedstoestand; hij is in staat rustig over de
zaken na te denken en laat zich niet door zijn hartstocht verblinden.
_Hij heeft in een ~bezadigd~ artikel zijn meeningen uiteengezet, zoodat
zelfs zijn tegenpartij het met waardeering bespreekt._
~Kalm~ doet denken aan het water, dat niet door storm opgezweept
of bewogen wordt. Het duidt een rustige gemoedsgesteldheid aan als
gevolg van het zwijgen der hartstochten, zoodat alle heftigheid verre
blijft. _Hij ontsliep zacht en ~kalm~_ (d.i. zonder heftigheid van den
doodstrijd). _Hij dacht ~kalm~ na, over hetgeen hem na die ramp te doen
stond._
~Bedaard~ is hij, die evenals de natuur na een storm of onweer tot rust
gekomen is, bij wien de hartstochten hebben uitgewoed; alle heftigheid
is voorbij, zijn uiterlijk en zijn doen teekenen rust. _In een vloed van
scheldwoorden gaf hij zijn gemoed lucht; daarna wandelde hij ~bedaard~
verder. Mijn oom is nu een ~bedaard~ mensch, maar vroeger was hij altijd
druk en opgewonden._--Soms wijst ~bedaard~ niet op een voorafgaande
heftigheid, doch drukt men er mee uit, dat iemand op bewonderenswaardige
wijze zijn hartstochten weet te bedwingen. _Hij hield zich ~bedaard~,
hoezeer het in hem kookte._ (~Kalm~ is hier niet op zijn plaats; de
hartstocht der woede immers beroerde wel degelijk zijn gemoed; kalm was
hij dus niet, maar wel bleef hij ~bedaard~.)
Wat is nu het verschil tusschen deze zinnen: »_~Kalm~ hoorde hij de
beleediging aan_" en »_~Bedaard~ hoorde hij de beleediging aan_"?
* * * * *
De zieke genoot een -- slaap.
Ik heb hem als een -- man leeren kennen, hoezeer men hem als een vurig
ijveraar had afgeschilderd.
In die -- omgeving zal hij wel spoedig -- worden.
Als gij u -- houdt, wil ik u alles mededeelen, wat hij heeft gezegd.
In den politieken strijd laat men zich licht opwinden, en toch is het
noodig, dat men -- blijft om -- over zijn tegenpartij te kunnen
oordeelen.
Zijn hoonende woorden griefden mij zóó, dat het mij moeite kostte -- te
blijven.
Gij moet een -- en -- leven leiden, of uw kwaal zal spoedig verergeren.
Toen de leeuw zijn vervolgers bemerkt had, liet hij een doordringend
gebrul hooren; daarna wachtte hij -- hun nadering af.