_Duidelijke kennis van iets hebben._
~Verstaan~ drukt alleen uit, dat de aangeboden kennis (het gehoorde,
gelezene enz.) ons geestelijk eigendom wordt, maar geeft niet aan, of
dit met of zonder moeite onzerzijds, geschiedt. _Druk je wat duidelijker
uit, ik ~versta~ je niet._ (Letterlijk zegt _verstaan_: bij iets blijven
staan, om het goed op te nemen; vandaar ook de beteekenis van goed
hooren: _Nog op grooten afstand kon men den spreker ~verstaan~._)
~Bevatten~ en ~begrijpen~ hebben het bijdenkbeeld, dat men zich moeite
geeft om van iets kennis te krijgen, terwijl zij verder onderstellen,
dat men voor het verwerven van die kennis eenige scherpzinnigheid moet
bezitten. ~Bevatten~ duidt aan, dat de zaak voor ons verstand niet te
_groot_ is, dat men ze kan _omvatten_, terwijl ~begrijpen~ er op wijst,
dat de zaak zoo nabij ons ligt, dat wij ze kunnen _grijpen_, m.a.w. dat
zij voor ons verstand niet te _hoog_ gaat. _Ik ~begrijp~ maar niet, dat
hij zich tot dien stap heeft laten overhalen_ (dat gaat _boven_ mijn
begrip). _Niemand kan de wijsheid des Scheppers ~bevatten~_ (in al haar
omvang doorgronden, daarvoor is ons verstand te klein). _Bevatten_ is
dus sterker dan _begrijpen_.
~Beseffen~ wil zeggen, dat wij met ons bewustzijn (besef) van iets
kennis krijgen, zoodat wij ons die kennis goed bewust zijn. _Hij
~besefte~, welk een verplichting hij op zich genomen had_, d.i. hij is
er zich ten volle bewust van; hij is er van doordrongen en overtuigd.
* * * * *
Hij houdt zich, alsof hij mijn bedoeling niet --.
Hij -- zeer goed de kunst, om zich bij iemand ongemerkt in te dringen.
Al -- wij volkomen, dat wij met die verklaring ons vele vijanden zullen
berokkenen, willen wij ons er toch niet door laten terughouden.
Ons verstand is te klein om al de wonderen der schepping te --.
Ik -- zeer goed, dat de dichter in dit stuk op Oldenbarnevelt zinspeelt,
al kan ik van alle bijzonderheden de eigenlijke bedoeling niet --.
Hij -- maar niet, dat hij op die wijze zijn ondergang te gemoet gaat.
Dit hoofdartikel is zoo geleerd geschreven, dat ik er niets van kan --.