_Al deze woorden worden gebruikt, om een kostwinning aan te duiden._
~Beroep~ is het algemeenst en tevens de vereerendste uitdrukking; het
sluit het bijdenkbeeld in, dat men er voor geleerd of gestudeerd heeft
en door een benoeming of aanstelling als 't ware er toe geroepen is. Het
ziet meer op geestes- dan op handenarbeid. Advocaat, dokter, onderwijzer
hebben dus een beroep. (Zie ook 143.)
~Ambacht~, ~bedrijf~ en ~handwerk~ duiden meer lichamelijken arbeid aan.
Bij ~handwerk~ denkt men aan arbeid, die door de handen wordt verricht
en waarbij het vooral op kracht en vaardigheid aankomt: houtzagen,
klompenmaken, nettenbreien.--~Ambacht~ onderstelt, dat men een zekere
bekwaamheid bezit, die men door oefening of nadenken langzamerhand heeft
verkregen; ook omvat het meer verscheidenheid van werkzaamheden; men
moet het leeren en het staat dus hooger dan handwerk.--Een ~bedrijf~
onderstelt een arbeid, die verscheidene verwante zaken omvat, bijv. het
boerenbedrijf.
~Nering~ ziet op een kostwinning, die door handel wordt verdiend, zooals
bijv. bij kruideniers.
Soms heeft ~beroep~ ook de ruimere beteekenis van ambacht, nering, enz.;
bijv.: hij is van beroep timmerman. In dit geval wordt de kostwinning,
die wij hierboven een beroep noemden, een ~ambt~ geheeten. (Zie no.
143.)
* * * * *
Zeg nu, wie der volgende personen een ambacht, beroep, bedrijf, handwerk
of nering uitoefent: een notaris, een smid, een stratenmaker, een
theehandelaar, een aannemer, een sigarenmaker, een bloemist, een
fabrikant van diamanten.