142. Ambacht--beroep--bedrijf--handwerk--nering.

_Al deze woorden worden gebruikt, om een kostwinning aan te duiden._

~Beroep~ is het algemeenst en tevens de vereerendste uitdrukking; het

sluit het bijdenkbeeld in, dat men er voor geleerd of gestudeerd heeft

en door een benoeming of aanstelling als 't ware er toe geroepen is. Het

ziet meer op geestes- dan op handenarbeid. Advocaat, dokter, onderwijzer

hebben dus een beroep. (Zie ook 143.)

~Ambacht~, ~bedrijf~ en ~handwerk~ duiden meer lichamelijken arbeid aan.

Bij ~handwerk~ denkt men aan arbeid, die door de handen wordt verricht

en waarbij het vooral op kracht en vaardigheid aankomt: houtzagen,

klompenmaken, nettenbreien.--~Ambacht~ onderstelt, dat men een zekere

bekwaamheid bezit, die men door oefening of nadenken langzamerhand heeft

verkregen; ook omvat het meer verscheidenheid van werkzaamheden; men

moet het leeren en het staat dus hooger dan handwerk.--Een ~bedrijf~

onderstelt een arbeid, die verscheidene verwante zaken omvat, bijv. het

boerenbedrijf.

~Nering~ ziet op een kostwinning, die door handel wordt verdiend, zooals

bijv. bij kruideniers.

Soms heeft ~beroep~ ook de ruimere beteekenis van ambacht, nering, enz.;

bijv.: hij is van beroep timmerman. In dit geval wordt de kostwinning,

die wij hierboven een beroep noemden, een ~ambt~ geheeten. (Zie no.

143.)

* * * * *

Zeg nu, wie der volgende personen een ambacht, beroep, bedrijf, handwerk

of nering uitoefent: een notaris, een smid, een stratenmaker, een

theehandelaar, een aannemer, een sigarenmaker, een bloemist, een

fabrikant van diamanten.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 159 / 279 题