_Zich onvriendelijk tegenover anderen gedragen._
~Stug~ is hij, die altijd in zich zelf gekeerd is en den omgang met
anderen liefst vermijdt, doordat hij zich niet gemakkelijk in de
samenleving beweegt. Hij spreekt meestal weinig en kortaf, alsof hij
boos ware, al is ook zijn hart niet kwaad. _Een ~stugge~ Fries._
~Stuursch~ is hij, die onvriendelijk is, doordat de eigenaardigheden
van zijn karakter zulks meebrengen. _Hij ziet altijd even ~stuursch~._
Is hij daarbij ruw in den omgang, mort en gromt hij, om zijn
ontevredenheid of kwaadheid te luchten, dan gebruikt men ~norsch~.
_Hij behandelt zijn bedienden altijd even ~norsch~._
~Barsch~ duidt aan, dat het uiterlijk of de stem van iemand door zijn
onvriendelijkheid afstoot of vrees aanjaagt; het is hierbij evenwel niet
noodzakelijk, dat ook het karakter onaangenaam is, integendeel onder een
barsch uiterlijk schuilt soms een goedig hart. _Hij is wel wat ~barsch~
in zijn uitvallen, maar hij meent het zoo kwaad niet._
* * * * *
De Veluwsche boer is meestal -- in den omgang.
Hij sprak op zulk een -- toon, dat de kleinen bang voor hem werden.
Wat is hij vandaag weer --: op iedereen heeft hij wat aan te merken.
Ik begrijp niet, waarom zij altijd zoo -- ziet; ik heb haar toch niets
misdaan.
Hoewel ik het hem zeer vriendelijk vroeg, gaf hij toch een -- antwoord,
alsof ik hem diep beleedigd had.
Ik houd niet van lieden, die vandaag vriendelijk en voorkomend en morgen
weer -- en -- zijn.
Hoewel hij er -- uitziet, is hij toch altijd hulpvaardig.