232. Omweg--zijweg--uitweg.

_De weg, die van den gewonen of hoofdweg afwijkt._

~Uitweg~ is een weg, die men meer toevallig nog ontdekt om op den

hoofdweg te komen, als men op een min of meer afgesloten plaats is

geraakt; zonder dien uitweg, zou men er dus moeten blijven; vandaar fig.

het middel om zich uit een neteligen of gevaarlijken toestand te redden:

_In een dicht bosch een ~uitweg~ zoeken. Dit is de eenige ~uitweg~ voor

hem, om zich nog te redden._--~Zijweg~ is de weg, die van den hoofdweg

afvoert; er is weinig of geen verkeer, zoodat men niet of zoo goed als

niet gezien wordt; vandaar: _langs ~zijwegen~ zijn doel bereiken_ (men

wil het doel verborgen houden). Vaak ook is aan ~zijweg~ het begrip

verbonden, dat hij op een dwaalspoor brengt, men slaat n.l. den zijweg

in, in plaats van den hoofdweg te houden: _de politie op ~zijwegen~

lokken_. Een ~omweg~ voert ten slotte wel evenals de hoofdweg naar het

verlangde doel, maar eerst na veel langeren tijd. Kiest men zulk een

omweg, dan heeft het voor den oningewijde allen schijn, dat men een

ander doel dan het verlangde wil bereiken; in zoover brengt men een

ander daarmee, evenals door een zijweg, óók op een dwaalspoor; men geeft

echter op een omweg een ander doel voor, terwijl men het op een zijweg

meer geheim houdt: _Langs ~omwegen~ achter het geheim komen._

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 251 / 279 题