_De weg, die van den gewonen of hoofdweg afwijkt._
~Uitweg~ is een weg, die men meer toevallig nog ontdekt om op den
hoofdweg te komen, als men op een min of meer afgesloten plaats is
geraakt; zonder dien uitweg, zou men er dus moeten blijven; vandaar fig.
het middel om zich uit een neteligen of gevaarlijken toestand te redden:
_In een dicht bosch een ~uitweg~ zoeken. Dit is de eenige ~uitweg~ voor
hem, om zich nog te redden._--~Zijweg~ is de weg, die van den hoofdweg
afvoert; er is weinig of geen verkeer, zoodat men niet of zoo goed als
niet gezien wordt; vandaar: _langs ~zijwegen~ zijn doel bereiken_ (men
wil het doel verborgen houden). Vaak ook is aan ~zijweg~ het begrip
verbonden, dat hij op een dwaalspoor brengt, men slaat n.l. den zijweg
in, in plaats van den hoofdweg te houden: _de politie op ~zijwegen~
lokken_. Een ~omweg~ voert ten slotte wel evenals de hoofdweg naar het
verlangde doel, maar eerst na veel langeren tijd. Kiest men zulk een
omweg, dan heeft het voor den oningewijde allen schijn, dat men een
ander doel dan het verlangde wil bereiken; in zoover brengt men een
ander daarmee, evenals door een zijweg, óók op een dwaalspoor; men geeft
echter op een omweg een ander doel voor, terwijl men het op een zijweg
meer geheim houdt: _Langs ~omwegen~ achter het geheim komen._