182. Hoogmoedig--hoovaardig--grootsch--trotsch--ijdel--fier--prat.

_In groote mate met een gevoel van eigenwaarde bedeeld._

~Hoogmoedig~ zegt, dat men in het besef zijner meerderheid met

verachting op anderen neerziet. _Sedert hij burgemeester van dat dorp

geworden is, is hij zeer ~hoogmoedig~ geworden._

~Hoovaardig~ is sterker, het drukt uit, dat men zich nog grooter

(rijker, enz.) wil voordoen, dan men is: _ik begrijp niet dat hij nu zoo

~hoovaardig~ is geworden, vroeger was hij zoo nederig_.

~Grootsch~, van zaken gebruikt, geeft het denkbeeld van grootte, ruimte,

eerbiedwaardigheid, voortreffelijkheid: _een ~grootsch~ gebouw, een

~grootsche~ gedachte_;--van personen gezegd is het ongunstig van

beteekenis: het wijst dan aan, dat men met ingebeelde grootheid of

voortreffelijkheid is bezield en in uiterlijken pronk behagen schept.

_Zie dat meisje eens ~grootsch~ zijn op haar mooie kleeren._

~Trotsch~, in goeden zin, is: vol van grootmoedig zelfvertrouwen of

een gepast gevoel van eigenwaarde. _Uw ~trotsch~ geslacht verwacht

rechtschapen loten uit zijn stam_ (Vondel); ook mag iemand, waar het

een gepast gevoel van eigenwaarde geldt, gerust zeggen: »_Ik ben er

~trotsch~ op zóó gehandeld te hebben._" Meestal evenwel ontstaat

trotschheid uit verkeerde zelfverheffing en daarmee gepaard gaande

verachting van anderen; de trotsche vermijdt dan ook angstvallig alles,

wat hem quasi zou vernederen en neemt een houding aan, die stuitend,

zelfs beleedigend voor anderen is. _Sedert hij burgemeester is geworden,

is hij te ~trotsch~ om met ons om te gaan._ Van zaken gebezigd, komt

~trotsch~ eenigszins met grootsch overeen, en wordt dan gebruikt, niet

zoozeer om de grootte, als wel om de hoogte uit te drukken: _~Trotsche~

bergen_ (geen »grootsche" bergen).

~Prat~ is hetzelfde als trotsch, maar er wordt steeds de reden

bijgevoegd: _~Prat~ op zijn afkomst._ Het woord is echter tot de

schrijftaal beperkt.

~Fier~ (van Franschen oorsprong) drukt altijd een gepast gevoel van

eigenwaarde uit. _Met ~fieren~ blik trad hij voor zijn laaghartige

beschuldigers._

~IJdel~ duidt aan, dat men zich gaarne bewonderd en gevleid ziet. _Hij

was ~ijdel~ genoeg, om de vleierij van zijn vrienden voor goede munt aan

te nemen._ (IJdel kan ook beteekenen: 1º. zonder grond: ijdele hoop; 2º.

van geen langen duur: ons ijdel leven; 3º. aardschgezind: ijdele lieden

denken niet aan het leven hiernamaals; 4º. nutteloos: al zijn pogingen

waren ijdel.)

* * * * *

De -- raaf liet zich geducht door den vos beetnemen.

Met -- opgeheven hoofd trad de mishandelde zijn beulen onder de oogen.

Zijn -- hart heeft alle gevoel van vriendschap gebluscht.

De -- schouwburg heft zijn kap en gaat tot aan de sterren pralen.

(Vondel.)

Elkeen bewonderde hem over de uitvoering van dit -- denkbeeld.

Van oudsher was de Nederlander -- op zijn voorrechten.

Wij mogen er -- op zijn, dat hier reeds eeuwen vrijheid van geweten

bestaat.

God wederstaat den --, maar den nederige schenkt Hij genade.

Niemand kan dezen parvenu uitstaan, daar hij in 't oogloopend -- op zijn

rijkdom is.

Hoe -- draaft het paard daarheen, als het zijn meester draagt.

Toen de -- veldheer zich door zoo velen gevleid zag, werd hij --.

Hij behoeft waarlijk niet zoo -- te zijn op zijn afkomst; zijn ouders

zijn maar eenvoudige lieden.

Dat schijnt me een -- nufje toe.

De pauw is een -- dier.

Vroeger was hij vreeselijk --, maar het lot heeft hem nederig gemaakt.

Ons loflied prijst den Schepper van het -- heelal.

De -- eik werd door den bliksem getroffen.

Hij was te --, om gebedeld brood te eten, zoolang hij nog werken kon.

Deze schrijver is zoo --, dat hij niet de minste aanmerking op zijn werk

kan verdragen.

Paul Kruger blijft een -- verschijning in de geschiedenis van

Zuid-Afrika.

Toen de leeuw zich zag ingesloten, richtte hij zich -- op, alsof hij den

dood verachtte.

De prachtige St.-Janskerk in Den Bosch is een -- gebouw.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 199 / 279 题