_In groote mate met een gevoel van eigenwaarde bedeeld._
~Hoogmoedig~ zegt, dat men in het besef zijner meerderheid met
verachting op anderen neerziet. _Sedert hij burgemeester van dat dorp
geworden is, is hij zeer ~hoogmoedig~ geworden._
~Hoovaardig~ is sterker, het drukt uit, dat men zich nog grooter
(rijker, enz.) wil voordoen, dan men is: _ik begrijp niet dat hij nu zoo
~hoovaardig~ is geworden, vroeger was hij zoo nederig_.
~Grootsch~, van zaken gebruikt, geeft het denkbeeld van grootte, ruimte,
eerbiedwaardigheid, voortreffelijkheid: _een ~grootsch~ gebouw, een
~grootsche~ gedachte_;--van personen gezegd is het ongunstig van
beteekenis: het wijst dan aan, dat men met ingebeelde grootheid of
voortreffelijkheid is bezield en in uiterlijken pronk behagen schept.
_Zie dat meisje eens ~grootsch~ zijn op haar mooie kleeren._
~Trotsch~, in goeden zin, is: vol van grootmoedig zelfvertrouwen of
een gepast gevoel van eigenwaarde. _Uw ~trotsch~ geslacht verwacht
rechtschapen loten uit zijn stam_ (Vondel); ook mag iemand, waar het
een gepast gevoel van eigenwaarde geldt, gerust zeggen: »_Ik ben er
~trotsch~ op zóó gehandeld te hebben._" Meestal evenwel ontstaat
trotschheid uit verkeerde zelfverheffing en daarmee gepaard gaande
verachting van anderen; de trotsche vermijdt dan ook angstvallig alles,
wat hem quasi zou vernederen en neemt een houding aan, die stuitend,
zelfs beleedigend voor anderen is. _Sedert hij burgemeester is geworden,
is hij te ~trotsch~ om met ons om te gaan._ Van zaken gebezigd, komt
~trotsch~ eenigszins met grootsch overeen, en wordt dan gebruikt, niet
zoozeer om de grootte, als wel om de hoogte uit te drukken: _~Trotsche~
bergen_ (geen »grootsche" bergen).
~Prat~ is hetzelfde als trotsch, maar er wordt steeds de reden
bijgevoegd: _~Prat~ op zijn afkomst._ Het woord is echter tot de
schrijftaal beperkt.
~Fier~ (van Franschen oorsprong) drukt altijd een gepast gevoel van
eigenwaarde uit. _Met ~fieren~ blik trad hij voor zijn laaghartige
beschuldigers._
~IJdel~ duidt aan, dat men zich gaarne bewonderd en gevleid ziet. _Hij
was ~ijdel~ genoeg, om de vleierij van zijn vrienden voor goede munt aan
te nemen._ (IJdel kan ook beteekenen: 1º. zonder grond: ijdele hoop; 2º.
van geen langen duur: ons ijdel leven; 3º. aardschgezind: ijdele lieden
denken niet aan het leven hiernamaals; 4º. nutteloos: al zijn pogingen
waren ijdel.)
* * * * *
De -- raaf liet zich geducht door den vos beetnemen.
Met -- opgeheven hoofd trad de mishandelde zijn beulen onder de oogen.
Zijn -- hart heeft alle gevoel van vriendschap gebluscht.
De -- schouwburg heft zijn kap en gaat tot aan de sterren pralen.
(Vondel.)
Elkeen bewonderde hem over de uitvoering van dit -- denkbeeld.
Van oudsher was de Nederlander -- op zijn voorrechten.
Wij mogen er -- op zijn, dat hier reeds eeuwen vrijheid van geweten
bestaat.
God wederstaat den --, maar den nederige schenkt Hij genade.
Niemand kan dezen parvenu uitstaan, daar hij in 't oogloopend -- op zijn
rijkdom is.
Hoe -- draaft het paard daarheen, als het zijn meester draagt.
Toen de -- veldheer zich door zoo velen gevleid zag, werd hij --.
Hij behoeft waarlijk niet zoo -- te zijn op zijn afkomst; zijn ouders
zijn maar eenvoudige lieden.
Dat schijnt me een -- nufje toe.
De pauw is een -- dier.
Vroeger was hij vreeselijk --, maar het lot heeft hem nederig gemaakt.
Ons loflied prijst den Schepper van het -- heelal.
De -- eik werd door den bliksem getroffen.
Hij was te --, om gebedeld brood te eten, zoolang hij nog werken kon.
Deze schrijver is zoo --, dat hij niet de minste aanmerking op zijn werk
kan verdragen.
Paul Kruger blijft een -- verschijning in de geschiedenis van
Zuid-Afrika.
Toen de leeuw zich zag ingesloten, richtte hij zich -- op, alsof hij den
dood verachtte.
De prachtige St.-Janskerk in Den Bosch is een -- gebouw.