_Niet verkwistend._
~Zuinig~ duidt aan, dat men zorg draagt, niet te veel uit te geven; men
wil voorkomen, dat hetgeen men bezit, te vroeg opraakt, daar men anders
te kort zou komen. _Wie zes gulden per week verdient, moet ~zuinig~
huishouden._
~Spaarzaam~ is nog sterker; het onderstelt, dat men nog wil sparen of
overhouden. _Een ~spaarzame~ hand koopt anderlui's land._ Een spaarzaam
mensch geeft dus betrekkelijk zeer weinig uit; vandaar dat spaarzaam in
figuurlijken zin beteekent: niet overvloedig, beperkt; bijv.: _Het
vertrek was slechts ~spaarzaam~ verlicht._
* * * * *
Het nieuwe bestuur dezer vereeniging is -- met de gelden omgegaan; er is
dan ook dit jaar voor het eerst geen tekort. Doordat hij -- is, heeft
hij reeds een aardig sommetje bijeen.
Over de oudste plaatsen in ons land vindt men in de oorkonden slechts --
berichten.
Hij is van avond zeer -- met zijn woorden.