16. Zuinig--spaarzaam.

_Niet verkwistend._

~Zuinig~ duidt aan, dat men zorg draagt, niet te veel uit te geven; men

wil voorkomen, dat hetgeen men bezit, te vroeg opraakt, daar men anders

te kort zou komen. _Wie zes gulden per week verdient, moet ~zuinig~

huishouden._

~Spaarzaam~ is nog sterker; het onderstelt, dat men nog wil sparen of

overhouden. _Een ~spaarzame~ hand koopt anderlui's land._ Een spaarzaam

mensch geeft dus betrekkelijk zeer weinig uit; vandaar dat spaarzaam in

figuurlijken zin beteekent: niet overvloedig, beperkt; bijv.: _Het

vertrek was slechts ~spaarzaam~ verlicht._

* * * * *

Het nieuwe bestuur dezer vereeniging is -- met de gelden omgegaan; er is

dan ook dit jaar voor het eerst geen tekort. Doordat hij -- is, heeft

hij reeds een aardig sommetje bijeen.

Over de oudste plaatsen in ons land vindt men in de oorkonden slechts --

berichten.

Hij is van avond zeer -- met zijn woorden.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 24 / 279 题