Hij -- met luider stemme: »Blijf, waar gij zijt!"
Toen ik hem naar de reden vroeg, -- hij geen woord.
Toen ik met hem in den trein zat, -- hij geen woord.
(Welk verschil is er tusschen: _Hij ~sprak~ geen woord_, en _Hij ~zeide~
geen woord_?)
Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 61 / 279 题