_Overblijven door het weggaan van anderen._
~Nalaten~ onderstelt altijd een overlijden en vestigt de aandacht op
de personen, die blijven leven, of op de goederen, die de overledene
bezat. _Hij ~liet~ slechts één zoon ~na~. Hij heeft een groot vermogen
~nagelaten~._
~Achterlaten~ onderstelt, dat iemand bij zijn vertrek de genoemde
personen of zaken niet meeneemt. _Hij ~liet~ bij zijn ontvluchting naar
Amerika zijn huisgezin ~achter~._
Moet bij dit woord niet aan een vertrek, maar óók aan overlijden gedacht
worden (evenals bij nalaten), dan duidt het vooral den toestand aan,
waarin de betrekkingen na den dood van hun bloedverwant verkeeren: _Hij
~liet~ een diepbedroefde weduwe onverzorgd ~achter~._
~Overlaten~ duidt aan, dat iemand bij zijn heengaan afstand doet van het
achtergelatene ten behoeve van een ander. _De vluchteling ontdeed zich
snel van zijn bovenkleeren, sprong te water en ~liet~ zijn kleeding aan
zijn vervolgers ~over~._ Wordt ~overlaten~ gebruikt bij een sterfgeval,
dan wijst het woord vooral aan, dat de overledene voor de nagelaten
betrekkingen niet heeft kunnen of willen zorgen. _Bij zijn dood heeft de
verkwister zijn gezin aan de grootste ellende ten prooi ~overgelaten~._
* * * * *
De overleden schrijver heeft nog een bijna voltooiden roman --.
Door zijn overhaaste vlucht moest hij een deel van zijn papieren --.
Bij zijn vlucht moest hij het grootste deel zijner papieren aan zijn
vervolgers --.
De gierigaard heeft een groot kapitaal --.
Bij zijn dood liet hij zijn beide kinderen onverzorgd --.
Zijn daden zullen hier een aangename herinnering --.
Door zijn wanbeheer liet hij bij zijn dood zijn gezin aan de grootste
ellende --.
Bij zijn vertrek liet hij groote schulden --.
Bij zijn dood heeft hij groote schulden --.
Hij liet mij aan mijn eigen lot --.
Bij vergissing heb ik bij mijn vertrek uit de stad in mijn hotel een
handkoffertje --.
De Kelten hebben hier vele sporen van hun verblijf --.