137. Achteloos--onachtzaam--onoplettend--slordig.

_De noodige zorg missende._

~Achteloos~ en ~onachtzaam~ geven aan, dat men op zijn zaken of plichten

niet voldoende acht geeft; onachtzaam slaat op een bepaald geval, op een

_fout_, terwijl achteloos op een gewoonte, een _gebrek_ wijst. _Uit

~onachtzaamheid~ stiet hij het glas van de tafel. Van iemand, die zoo

~achteloos~ als hij is, kan men geen degelijk werk verwachten._

~Onoplettend~ is hij, die niet opmerkzaam is op hetgeen hij doen moet;

hij heeft zijn aandacht niet bij de zaak en loopt er te vluchtig over

heen. _Als hij zoo ~onoplettend~ werkt, zal hij zich voortdurend

vergissen._

Is iemand achteloos uit traagheid of onordelijkheid, zoodat hij zijn

zaken niet voldoende behartigt, dan noemt men hem ~slordig~; het is nog

sterker dan achteloos. _Deze ontvanger is een ~slordig~ administrateur:

zijn boeken zijn nooit in orde._

* * * * *

Als gij zoo -- met uw geldzaken zijt, zult gij spoedig arm zijn.

De cipier was zoo --, dat de gevangene gemakkelijk kon ontsnappen.

Het is geen wonder, dat hij zijn zaken weer in de war heeft gestuurd;

hij is er -- genoeg voor.

Uit zijn -- kleeding blijkt voldoende, dat hij -- van aard is.

Hij heeft zoo -- toegezien, dat hij niet eens mijn heengaan bemerkte.

Waarom zijt gij zoo -- geweest, dat gij bij uw vertrek de deur niet hebt

gesloten?

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 154 / 279 题