23. Danken--wijten.

_Iemand of iets als de oorzaak van een of ander beschouwen._

~Danken~ heeft betrekking op iets goeds of aangenaams, ~wijten~

daarentegen heeft een ongunstige beteekenis. _Ik heb u mijn bevordering

te ~danken~. Zijn armoede heeft hij zich zelf te ~wijten~._

(Opmerkelijk is het, dat men dikwijls beide woorden verkeerd gebruikt

ziet; men spreekt dan bijv. van iemands vijandschap aan laster te

_danken_ hebben, of wel van: zijn beschermer veel goeds te _wijten_

hebben. Mogelijk geeft de uitdrukking: iemand iets _dank ~weten~_,

aanleiding tot deze vergissing.)

* * * * *

Vele huisgezinnen hebben hun ondergang aan den drank te --.

Uw slechte cijfers op het examen hebt gij aan uw ongeregelde studie te

--.

Zijn schitterend examen heeft hij grootendeels aan zijn ijver te --.

De nederlaag onzer troepen was aan de weifeling van den bevelhebber te

--.

De overwinningen van Maurits waren grootendeels te -- aan zijn

uitnemende veldheerstalenten.

Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. · 第 31 / 279 题