_Iemand of iets als de oorzaak van een of ander beschouwen._
~Danken~ heeft betrekking op iets goeds of aangenaams, ~wijten~
daarentegen heeft een ongunstige beteekenis. _Ik heb u mijn bevordering
te ~danken~. Zijn armoede heeft hij zich zelf te ~wijten~._
(Opmerkelijk is het, dat men dikwijls beide woorden verkeerd gebruikt
ziet; men spreekt dan bijv. van iemands vijandschap aan laster te
_danken_ hebben, of wel van: zijn beschermer veel goeds te _wijten_
hebben. Mogelijk geeft de uitdrukking: iemand iets _dank ~weten~_,
aanleiding tot deze vergissing.)
* * * * *
Vele huisgezinnen hebben hun ondergang aan den drank te --.
Uw slechte cijfers op het examen hebt gij aan uw ongeregelde studie te
--.
Zijn schitterend examen heeft hij grootendeels aan zijn ijver te --.
De nederlaag onzer troepen was aan de weifeling van den bevelhebber te
--.
De overwinningen van Maurits waren grootendeels te -- aan zijn
uitnemende veldheerstalenten.