Engelsch woorden
章节目录
共 141 段- Abstract, abstrəkt, abstract, niet werkelijk, theoretisch, d
- Adulterant, ədɐltərənt, middel ter vervalsching; Adulterate,
- Alien, eilj’n, vreemd, buitenlandsch, in strijd met (to); su
- Angevin Kings, andžəvinkiŋz, koningen uit het huis van Anjou
- Appropriable, əproupriəb’l, toepasselijk; Appropriate, əprou
- Assever(ate), əsevə(reit), verzekeren, betuigen; Asseveratio
- A-wash, əwoš = op gelijke hoogte als het water; drijvend.
- Bank, baŋk, subst. zandbak, aardwal, talud; oever, bank, gel
- Bear, bêə, torsen; dragen, verdragen, bezitten, overbrengen,
- Bent, bent, gebogen, krom, geneigd, gesteld, belust, beslote
- Bishop, bišəp, subst. bisschop; een warme drank; tournure of
- Blunder, blɐndə, subst. grove fout, bok; — verb. een groven
- Bottom, bot’m, subst. het laagste, onderste, verste, gewicht
- Bridle, braid’l, subst. teugel, toom, beteugeling; — verb. b
- Bureau, bjûrou, bjurou, schrijftafel, latafel, bureau; toile
- Call, kôl, subst. roep, oproeping, aanmaning, roepstem, bero
- Carpet, kâpət, subst. tapijt; tafelkleed, looper; adj. verwi
- Censor, sensə, censor, zedemeester, kunstrechter; —ship = am
- Chevron, ševr’n, chevron.
- Clap, klap, subst. slag, klap, flap, donderslag, handgeklap;
- Cock, kok, subst. haan, mannetje, kemphaan (ook fig.), weerh
- Commission, kəmiš’n, subst. opdracht, last, lastbrief, commi
- Condemn, k’ndem, veroordeelen, afkeuren, berispen, onbewoonb
- Contemn, k’ntem, verachten, geringschatten.
- Cornucopia, könjukoupjə, hoorn des overvloeds.
- Crack, krak, subst. gekraak, spleet, deuk, barst, (donder)sl
- Crusoe, krûsou.
- Daimio, daimiou, groote leenheer, vazal van den Mikado (Japa
- Declaration, dekləreiš’n, verklaring, aangifte, aanklacht; a
- Deplorable, diplôrəb’l, betreurenswaard, jammerlijk; subst.
- Differ, difə, verschillen, zich onderscheiden van; niet eens
- Disjoin, disdžôin, ontbinden, scheiden, losspringen.
- Dodder, dodə, warkruid; —-grass = trilgras.
- Draw, drô, subst. trek, haal, vangst, successtuk, getrokken
- Dust, dɐst, subst. stof, aarde, vuilnis, verwarring, beroeri
- Elbow, elbou, elleboog, bocht, hoek; — verb. met de elleboge
- Engage, əngeidž, verbinden, engageeren, bespreken, in dienst
- Escheat, əstšit, subst. aan de kroon of aan den leenheer (do
- Exemplar, əgzemplə, model, voorbeeld; Exemplariness, əgzempl
- Fabric, fabrik, subst. bouw, structuur, weefsel, maaksel, ge
- Fat, fat, vet, dik, vleezig, rijk, voedzaam; subst. vet, roo
- Fight, fait, subst. gevecht, strijd; — verb. vechten, strijd
- Flange, flanž, flens, opstaande rand; — verb. van flens of r
- Foist, fôist, onderschuiven, voor echt laten doorgaan: A —ed
- Forward, föwəd, subst. een vooraan geplaatst speler bij foot
- Frump, frɐmp, brommige, ouderwetsch of slordig gekleede vrou
- Gangrene, gaŋgrîn, subst. koudvuur; — verb. het koudvuur kri
- Gift, gift, subst. recht van geven of begeven, gave, begaafd
- Go, gou, gaan, loopen, zich begeven, trekken, reizen, varen,
- Gravel, grav’l, subst. kiezel; graveel; — verb. met kiezel(z
- Gum, gɐm, subst. tandvleesch; gom; — verb. met gom bestrijke
- Handsome, han(d)s’m, mooi, knap, goedgevormd, edel, mild, ro
- Head, hed, subst. hoofd, kop, kruin, top, opperhoofd, haar,
- Hermes, hɐ̂mîz, Hermes.
- Hold, hould, subst. houvast, greep, steun, invloed, macht,
- Hour, auə, uur; —s = uurgebeden, het boek dat ze bevat, de H
- Ichthyocolla, ikthiəkolə, vischlijm; Ichthyolite, ikthiəlait
- Improvable, imprûvəb’l, verbeterbaar; Improve, imprûv, verbe
- India, indjə, Voor-Indië: Further — = Achter-Indië; — ink; —
- Inquietude, inkwaiitjûd, ongerustheid.
- Intolerance, intolər’ns, onverdraagzaamheid, niet in staat z
- Jamaica, džəmeikə, Jamaica (rum).
- Just, džɐst, rechtvaardig, onpartijdig, eerlijk, trouw, welv
- Knit, nit, knoopen, breien, samenbinden, samenvoegen, aaneen
- Large, lâdž, ruim, groot, breed, omvangrijk, overvloedig,
- Leave, lîv, subst. verlof, vrijheid, afscheid, vaarwel; — ve
- Lie, lai, ligging; — verb. liggen, rusten, leunen, blijven,
- Little, lit’l, subst. kleine hoeveelheid, kleinigheid; adj.
- Lose, lûz, verliezen, verbeuren, verspelen, verkwisten, doen
- Magellan, məgel’n, mədžel’n, Magellaan: Strait of — = Straat
- Mansuetude, manswitjûd, zachtheid, onderworpenheid.
- Mawkish, môkiš, walgelijk; overgevoelig, kieskeurig; subst.
- Metamorphic, metəmöfik, metamorphisch; subst. Metamorphism;
- Misdemean, misdimîn: To — oneself = zich slecht gedragen; —a
- Mop, mop, subst. stokdweil, bos; grimas, zuiplap; — verb. ge
- Murk, mɐ̂k, subst. duisternis; adj. duister, dreigend, zwart
- Necromancer, nekrəmansə, toovenaar; Necromancy = zwarte- of
- Nominal, nomin’l, nominaal: — price; — rank = titulaire rang
- Oboe, oubôi, hobo; Oboist = hoboïst.
- Onanism, ounənizm, zelfbevlekking; Onanist.
- Our, auə, ons (bez. voorn. w.): A friend of —s = vriend van
- P, pî: He is on his P’s and Q’s = op zijn “qui vive”; Mind y
- Parasite, parəsait, parasiet; Parasitic(al), parəsitik(’l),
- Paul, pôl, Paulus; Pauline, pôlin, Paulina; pôl(a)in, Paulin
- Perfect, pɐ̂fəkt, volmaakt, zuiver, zonder gebreken, rolvast
- Picador, pikədö, ruiter, bereden stierenbevechter.
- Place, pleis, subst. plaats, ruimte, inrichting, gebouw, ver
- Pockwood, pokwud, pokhout.
- Post, poust, paal, stijl, post, ambt, plaats, militair stati
- Prejudice, predžədis, subst. vooroordeel; nadeel, afbreuk, s
- Private, praivit, subst. gewoon soldaat; —s = geslachtsdeele
- Proscribe, proskraib, verbannen, verwerpen, verbieden, veroo
- Pupil, pjûpil, leerling, minderjarige, oogappel; adj. onmond
- Quarter, kwötə, vierde deel, vierendeel, kwartaal, kwartier,
- Raise, reiz, verheffen, opheffen, optillen, tot aanzijn bren
- Reassume, rîəsiûm, hervatten, hernemen; subst. Reassumption.
- Redundance, Redundancy, ridɐnd’ns(i), overtolligheid, overda
- Remain, rimein, (over)blijven, overschieten, verblijven; sub
- Resin, rezin, hars; — verb. met hars bestrijken; —iferous =
- Rhapsodic(al), rapsodik(’l), rhapsodisch, zonder samenhang;
- Rock, rok, subst. rots, gesteente, klip, soort bonbon, schom
- Rugged, rɐgid, ongelijk, ruw, onbeholpen, norsch; subst. —ne
- Salicyl, salisil, salicyl; Salicylic acid = salicylzuur.
- Scar, skâ, subst. litteeken, schram, (schand)vlek; papegaaiv
- Sea, sî, subst. zee, oceaan, golf, baar, branding, deining,
- Send, send, subst. beweging der golven; — verb. zenden, verz
- Sewage, siûidž, rioolslijk; — verb. van afwateringsgreppels
- Shoddy, šodi, subst. kunstwol, prullegoed, parvenu; adj. pru
- Sight, sait, subst. gezicht, visioen, de oogen, aanblik, sch
- Slack, slak, subst. loshangend eind van een touw, slaphangen
- Smother, smɐdhə, subst. dichte rook, walm; — verb. smoren, v
- Soph, sof, verk. van Sophister = student in zijn tweede jaar
- Sphere, sfîə, subst. bol, hemellichaam, globe, kring, loopba
- Squad, skwod, escouade, sectie, rot: Awkward — = troep rekru
- Start, stât, subst. plotselinge beweging (als van schrik of
- Stir, stɐ̂, subst. beroering, drukte, opwinding, oploop, opr
- Stretch, stretš, subst. uitgestrektheid, spanning, inspannin
- Subside, səbsaid, zinken, zakken, bezinken, inzakken; bedare
- Supplant, səplânt, verdringen, verdrijven, den voet lichten;
- Swerve, swɐ̂v, subst. beweging naar ééne zijde; — verb. afdw
- Take, teik, subst. ontvangst, trek, haal, stuk kopij; — verb
- Teem, tîm, zwanger zijn van, werpen, zich voortplanten, vol
- Thaw, thô, subst. dooi; — verb. dooien, ontdooien (ook fig.)
- Thunder, thɐndə, donder, donderslag, onweer, banbliksem; — v
- To, tu, adv. en prep. naar, tot, totaan, tegen, toe, in, voo
- Towel, tauəl, handdoek, doek; — verb. afwrijven, ranselen: O
- Trestle, tres’l, stellage, bok, schraag; —-board = teekenbor
- Try, trai, subst. proef, poging; — verb. beproeven, onderzoe
- Tympan, timp’n, tympaan (boekdrukk.); trom; —ic, timpanik, t
- Uncurbed, ɐnkɐ̂bd, ongetemd, teugelloos.
- Unify, jûnifai, veréénen, tot één maken.
- Unship, ɐnšip, ontschepen, lossen, over boord werpen, losmak
- Utter, ɐtə, adj. volkomen, volstrekt, volslagen: — poverty =
- Verruca, vərûkə, wrat; Verrucose, verukous, Verrucous, veruk
- Void, vôid, subst. ledig(e ruimte); adj. ledig, vacant, ontb
- War, wö, subst. oorlog, strijd, vijandschap, vijandelijkheid
- Weak, wîk, zwak, uitgeput, ziekelijk, niet sterk, broos, onv
- Wheel, wîl, subst. wiel, rad, stuurrad, rijwiel, vuurrad, ra
- Wind, wind, wind, tocht, lucht(druk), adem, opgeblazenheid,
- Wood, wud, subst. woud, bosch, hout, vat, houtinstrument; —
- Wrote, rout, imperf. van to write.