Private, praivit, subst. gewoon soldaat; —s = geslachtsdeelen; adj.

alléén, persoonlijk, ambteloos, niet-officiëel, vertrouwelijk: The

letter was headed “—” = boven den brief stond “Vertrouwelijk”: In — =

in ’t geheim, in vertrouwen, onder vier oogen; The word “—” on this

door means: “Verboden toegang”; A — affair = een onderonsje; To sell by

— bargain (treaty) = onderhands; — box = post“box”; — confessor = eigen

biechtvader; My — debts amount to 3000 guilders = mijne persoonlijke

schulden; A — dinner = “en famille”; — hotel = hotel garni; A — person

= ambteloos, niet officiëel, particulier persoon; — parts = —s; —

theatricals = liefhebberijkomedie; — venture school = school voor eigen

rekening; —ness = afzondering, geheimhouding; Privateer, pr(a)ivitîə,

subst. kaper; — verb. ter kaap varen; —ing = kaapvaart, kaperij; —sman

= kaapvaarder.

Privation, praiveišn, ontbering, behoefte, gebrek; ontzetting uit een

ambt, schorsing; wegneming; Privative, privətiv, subst. en adj.

ontkennend (zooals un in unhappy), beroovend.

Privet, privət, liguster of keelkruid.

Privilege, privilidž, subst. voorrecht, recht; — verb. vrijstellen,

bevoorrechten, machtigen: Breach of — = schennis van de rechten van een

zedelijk lichaam, zooals het House of Commons; Writ of — = bevel tot

vrijlating van bevoorrechte personen (Afgevaardigden, etc.); —d =

bevoorrecht.

Privy, privi, geheim, afgezonderd, heimelijk, ingewijd; subst. privaat;

belanghebbende: I am — to all his plans = ingewijd in; — Chamber =

geheim kabinet; particulier vertrek van den koning; — Council =

Engelsche Raad van State; — Councillor = lid van dien Raad van State; —

parts = Privates; — purse = civiele lijst; — Seal = geheimzegel: Lord —

Seal = geheimzegelbewaarder; Privity = geheime mededeeling, medeweten:

With his — and consent.

Prize, praiz, subst. prijs, buit, belooning, voordeel; adj. bekroond; —

verb. waardeeren, schatten, den prijs bepalen van: To draw a — in the

lottery; He got (took, won) the first — = heeft den eersten prijs

behaald; — of war; —-cat, —-ox = bekroonde; —-court = hof dat uitspraak

doet over den op zee behaalden buit; —-essay = bekroonde verhandeling;

—-fight = wedstrijd in het boksen; —-fighter; —-fighting = het boksen;

—-man = prijswinnaar (vooral aan een universiteit); —-money =

prijsgeld; —-ring = worstelplaats.

Pro and con, prouəndkon, voor en tegen.

Proa, prouə, prauw (Ind. vaartuig).

Probabiliorism, probəbiljərizm, Roomsche leer dat een handeling

veroorloofd is als een waarschijnlijk motief daarvoor kan worden

opgegeven.

Probability, probəbiliti, waarschijnlijkheid; weervoorspelling (Amer.):

In all — he will come = naar alle waarschijnlijkheid; Probable,

probəb’l, waarschijnlijk.

Probate, proubit, officieele erkenning van de rechtsgeldigheid van een

testament, het afschrift hiervan op perkament met het zegel van het —

Court; — Court = vroeger gerechtshof, waar de rechtsgeldigheid van

testamenten geconstateerd werd, waar door den executor “the will was

proved”; thans een afd. van de Probate, Divorce and Admiralty Division

of the High Court of Justice; — duties = recht te betalen bij het

aanvragen van; — of a will = successierecht; Probation, prəbeiš’n,

bewijsvoering, voorwaardelijke vrijspraak, bewijs, onderzoek,

proeftijd: To preach on — = een proefpreek houden (Amer.); —al = —ary =

op proef, proef...; Probationer, prəbeišənə, provisioneel aangestelde,

novitius, proponent (Schotl.); Probative = op proef, proef...;

Probator, prəbeitə, onderzoeker; Probatory = proef - -.

Probe, proub, subst. tentstaal of sonde, peilstift (Med.); — verb.

sondeeren, onderzoeken: They —d my knowledge to its utmost quick =

peilden mijne kennis; —-scissors = wondschaar.

Probity, probiti, beproefde eerlijkheid of rechtschapenheid,

oprechtheid.

Problem, probl’m, vraagstuk, lastig geval: He could not do that —,

solve that — = kon dat voorstel niet maken, dat vraagstuk niet

oplossen; —atic(al), probləmatik(’l), twijfelachtig, onzeker; —atize,

probl’mətaiz, vraagstukken voorleggen.

Proboscidean, proubəsidiən, van snuitdieren (olifanten, etc.); ook

subst.; Proboscis, prəbosis, snuit (van olifanten, tapirs; ook de

zuigorganen der insecten), groote neus.

Procedure, prəsîdjə, handelwijze, manier v. doen, procedure.

Proceed, prəsîd, voortgaan, voortzetten, voortrukken, voortkomen uit,

ontstaan, overgaan tot procedeeren, een acad. graad verkrijgen: This —s

from sheer vanity = komt voort uit; He —ed on his way, journey = zette

voort; Let us — to business = aan het werk gaan, tot onze werkzaamheden

overgaan; You — upon the wrong principle = gaat te werk; Let us — with

our business = laten wij voortgang maken met; —ing = voortgang,

handeling, gedragslijn, handelwijze; —ings = maatregelen in eene

rechtszaak genomen, verslagen van een genootschap: —ings of the

Geographical Society = Handelingen v. het Aardrijkskundig Genootschap;

He took legal —ings = deed gerechtelijke stappen; He wound up the —ings

of the meeting with a speech = besloot de werkzaamheden der

vergadering; Proceeds = opbrengst: He lived on the — of his estates =

hij leefde van de opbrengst (rente, huur) zijner (land)goederen.

Process, pro(u)səs, voortgang, loop, verloop, handelwijze, maatregel;

verlenging; chem. proces, dagvaarding: In — of time = in verloop van

tijd; To serve a — on = dagvaarden; Procession, prəseš’n, processie:

Funeral — = begrafenisstoet; —al, subst. titel van een deel van het

Rituaal met 14 artikels over processies; adj. tot eene processie of een

stoet behoorende; —ary = processie - -.

Procidence, pro(u)sidens, verzakking; Prociduous, prəsidjuəs,

verzakkend, verzakt.

Proclaim, prəkleim, afkondigen, openbaar maken, verspreiden,

proclameeren, in staat van beleg verklaren: The ban(n)s were —ed =

huwelijksafkondiging had plaats; The county was —ed = het graafschap

werd in staat van beleg verklaard krachtens de Peace Preservation Acts

(Ierl.); Proclamation, prokləmeiš’n, bekendmaking, afkondiging: — of

war; To issue a —.

Proclivity, prəkliviti, neiging, overhelling; Proclivous, prəklaivəs,

overhellend, geneigd.

Proconsul, prokons’l, proconsul, stadhouder; adj. —ar; —ate,

prəkonsiulit, proconsulschap = —ship.

Procrastinate, prəkrastineit, uitstellen, verschuiven; Procrastination

= uitstel, traagheid; Procrastinator; adj. Procrastinatory.

Procreate, proukrieit, telen, voortbrengen; subst. Procreation;

Procreative = voortbrengend; Procreator = voortbrenger.

Procrustean, prokrɐstj’n: — bed = bed van Procrustes, prokrɐstîz,

bekende roover in Attica, die zijne slachtoffers verminkte of uitrekte

tot ze van pas waren voor zijne rustbank.

Proctor, proktə, een soort van universiteitsrechter en opziener die met

de bewaring van orde en tucht belast is, en uit de Fellows gekozen

wordt; procureur (in een geestelijk gerechtshof), afgevaardigde; —ize =

roepen voor den Proctor; —ship = waardigheid van Pr.

Procumbent, prəkɐmb’nt, liggend.

Procurable, prəkjûrəb’l, verkrijgbaar.

Procuracy, prokjurəsi, procureurschap, procuratie; Procuration,

prokjureiš’n, bezorging (van eens anders belangen of zaken), volmacht,

procuratie: —-fee (—-money) = makelaarsloon; —s = geld door de E.

geestelijken te betalen in plaats v. het vroeger aan den bezoekenden

bisschop of aartsdeken aangeboden maal; Procurator = procureur,

gevolmachtigde: —ship; adj. —y.

Procure, prəkjûə, verschaffen, krijgen, bezorgen: I could — an order

for you = zou u wel een toegangsbewijs kunnen bezorgen; I got it

through his —ment = bemiddeling, zorg; Procurer, prəkjûrə, prokjurə,

verschaffer, bezorger; koppelaar; Procuress = koppelaarster.

Prod, prod, subst. prikkel, gepunt werktuig, els, prik; — verb.

prikken, stooten, aanzetten (ook met up).

Prodigal, prodig’l, subst. doorbrenger, verkwister; adj. verkwistend,

overvloedig: The — Son = de Verloren Zoon; —ity, prodigaliti,

verkwisting, overvloed.

Prodigious, prədidžəs, kolossaal, ongehoord, verschrikkelijk; subst.

—ness; Prodigy, prodidži, wonder, wangedrocht, voorteeken: Youthful — =

wonderkind.

Produce, pro(u)djûs, opbrengst, resultaat.

Produce, prədjûs, voortbrengen, veroorzaken, vertoonen, bijbrengen,

aanvoeren, overleggen, verlengen: I don’t know how many witnesses he

offered to — = hij wel zeide er te kunnen bijhalen; His words did not —

the least effect = hadden niet de minste uitwerking; He —d his papers =

haalde voor den dag; To — a new play = voor het voetlicht brengen; —r =

producent; Producibility, subst. v. Producible = wat bijgebracht,

aangehaald, vertoond kan worden: Many proofs are — for this assertion =

kunnen worden bijgebracht; subst. —ness.

Product, prodəkt, voortbrengsel, product, resultaat, gevolg;

Production, prədɐkš’n, overlegging, productie, vrucht, voortbrengsel,

verlenging; Productive = voortbrengend: This law has been — of much

good = deze wet heeft veel goeds gewrocht; —ness = Productivity =

vruchtbaarheid, rentabiliteit.

Proem, prouəm, inleiding, voorrede; —ial, prəîmiəl, inleidend.

Profanation, profəneiš’n, ontheiliging, ontwijding; Profane, prəfein,

adj. ontheiligend, profaan, goddeloos; — verb. ontheiligen,

profaneeren; subst. —ness; —r; Profanity, prəfaniti, goddeloosheid,

godslasterlijke taal, heiligschennis.

Profess, prəfes, openlijk verklaren of betuigen, erkennen, betuigen,

beweren: He is a —ed misogynist = verstokt vrouwenhater; I don’t — to

be a judge of literature = geef mij niet uit voor; He —ed himself an

artist = gaf zich uit voor; —ed friendship = beweerde; —edly =

onloochenbaar: Profession = erkentenis, openlijke verklaring,

belijdenis; beroep; kloostergelofte: By — = van beroep; The learned —s

= geleerde beroepen; —al, subst. die een beroep uitoefent, die eene

kunst niet als amateur beoefent, kunstenares; adj. beroeps - -: A —al

cricketer, skater = beroeps...; —al gentleman (man) = jurist, theoloog,

dokter.

Professor, prəfesə, belijder, hoogleeraar: — of law, of natural history

= hoogleeraar in de rechten, in de natuurlijke geschiedenis; —ate =

—iate; —ial, proufəsôriəl, professoraal; —iate = gezamenl. professoren

van een hoogesch.; professoraat = —ship = hoogleeraarsambt.

Proffer, profə, subst. aanbod, voorstel: — verb. aanbieden, voorslaan:

—s of peace; To make a —; I shook his —ed hand = uitgestoken hand; —er.

Proficience, Proficiency, prəfiš’ns(i), vaardigheid, bedrevenheid;

bekwaamheid; Proficient, subst. ingewijde, meester; adj. ingewijd,

bedreven, bekwaam: To be — in = bekwaam in.

Profile, prouf(a)il, subst. profiel; — verb. in profiel teekenen;

Profilist, prouf(a)ilist, silhouetteekenaar.

Profit, profit, subst. voordeel, winst, nut; — verb. helpen, v. nut

zijn, vorderingen maken: I have derived much — from your instruction =

veel nut getrokken; To leave a — = winst afwerpen; Small —s, quick

returns = kleine winst, groote omzet; I have —ed very much by your

advice = uw raad is mij zeer heilzaam geweest; —able = voordeelig,

nuttig, heilzaam, winstgevend; subst. —ness; —less = zonder nut,

onvoordeelig.

Profligacy, profligəsi, losbandigheid; Profligate, profligit, subst. en

adj. losbandig(e), losbol; subst. —ness.

Profound, prəfaund, diep, geleerd, diepzinnig, diepgevoeld; subst.

afgrond: A — mistake = grove dwaling; The — = de zee; A —ly interesting

book = hoogst..; —ness = Profundity, prəfɐnditi, diepte,

diepzinnigheid, grondige kennis, etc.

Profuse, prəfjûs, mild, verkwistend, kwistig, overvloedig; subst.

—ness; Profusion, prəfjûž’n, overvloed, verkwisting, mildheid.

Prog, prog, bedelen; opgebedelde eetwaren; bedelaar.

Progenitor, prədženitə, voorvader, voorzaat; vr. Progenitress; Progeny,

prodžini, nageslacht, nakomelingen.

Prognosis, prognousis, prognose; Prognostic, prognostik, subst.

voorteeken, prognose; adj. voorspellend, vóórbeteekenend; Prognosticate

= voorspellen, wijzen of doelen op; Prognostication = voorspelling,

voorteeken; Prognosticative = voorspellend; Prognosticator.

Program(me), prougram, programma.

Progress, prougrəs, progrəs, voortgang, reis, vorstelijke rondreis,

vorderingen, vooruitgang: The matter is in — = de zaak is in wording,

gaat geregeld voort; The committee reported — = deelde den stand der

zaak mede.

Progress, prəgres, voortgang of vorderingen maken, vooruitkomen,

stijgen, bevorderen; Progression = voortgang, vooruitgang, opklimming,

reeks (in de rekenkunde): Arithmetic — = rekenkundige reeks;

Geometrical — = meetkundige reeks; Ascending, Descending — =

opklimmende, afdalende reeks; —al = voortgaand, vorderend; —ist =

voorstander van den vooruitgang, uitspr. Progressist, Progressist;

Progressive = voortgaand, verbeterend; subst. vooruitstrevend man,

voorstander van vooruitgang; — minded = vooruitstrevend; — number =

doorgaand nummer; subst. —ness.

Prohibit, prəhibit, verbieden, beletten: Bill-sticking —ed here =

verboden hier aan te plakken; —er; Prohibition, prouhibiš’n, verbod:

Writ of — = bevel van het High Court aan een lager hof tot schorsing

van een geding; — party = partij die het verbod van den verkoop van

sterken drank voorstaat (Amer.); —ist = lid dier partij; voorstander

van beschermende rechten; Prohibitive, prəhibitiv, verbiedend; — duties

= beschermende rechten.

Project, prodžəkt, proudžəkt, ontwerp; (dwaas en onpractisch) plan.

Project, prədžekt, vooruitwerpen, projecteeren, ontwerpen, beramen,

vooruitsteken; —ile, prədžekt(a)il, voortdrijvend, voortgedreven;

subst. projectiel; —ion = ontwerp, vooruitspringing, projectie; —or =

maker van (dwaze en onpractische) plannen; sciopticon; —ure = het

vooruitsteken.

Prolapse, prəlaps, Prolapsus, prəlapsəs, uitzakking (Med.).

Prolegomena, prouləgomənə, inleiding.

Proletarian, proulitêriən, laag, gemeen, proletarisch; subst.

proletariër; —ism = toestand of invloed der proletariërs; Proletariat,

proulitêriət, proletariaat; Proletary, pro(u)litəri = Proletarian.

Prolific, prəlifik, vruchtbaar: A — writer = vruchtbaar schrijver;

—ation, prəlifikeiš’n, voortteling, bevruchting; —ness =

vruchtbaarheid.

Prolix, pro(u)liks, prəliks, langdradig, vervelend; —ity, prəliksiti =

—ness = langdradigheid.

Prolocutor, prəlokjutə, prouləkjûtə, proləkjûtə, woordvoerder,

voorzitter; —ship.

Prologue, pro(u)log, inleiding, proloog.

Prolong, prəloŋ, verlengen, uitstellen, prolongeeren; subst. —ation,

prouloŋgeiš’n; —er, prəloŋə.

Prolusion, prəl(j)ûž’n, voorspel, poging, proeve.

Prom, prom, verk. van Promenade-concert.

Promenade, promənâd, subst. wandeling, wandelplaats, promenade; — verb.

op en neer wandelen; —-concert = wandelconcert.

Promethean, prəmîthiən, adj. van Prometheus; Prometheus, prəmîthiəs,

prəmîthjûs.

Prominence, Prominency, prominens(i), Uitsteken, uitstèkendheid, hooge

plaats, beroemdheid: To bring into — = op den voorgrond brengen;

Prominent = ùitstekend, uitstèkend, voornaamste.

Promiscuity, proumiskjûiti, vermenging, verwarring, vrij geslachtelijk

verkeer; Promiscuous, prəmiskjuəs, gemengd, verward, door elkander:

They always came at — hours (= op alle uren v. d. dag), never at stated

times (= gezette tijden); — society = gemengd gezelschap; The two words

may be used —ly = men mag die woorden voor elkander in de plaats

zetten; subst. —ness.

Promise, promis, subst. belofte, verwachting; — verb. beloven,

toezeggen: A — is a — = belofte maakt schuld; Breach of — cases =

gevallen van (huwelijks)beloftebreuk; Land of — = land van belofte; You

should not have made or recalled that — = dat hadt gij niet moeten

beloven of herroepen; He acted up to his — = deed zooals hij beloofd

had; He was very happy, I — you = dat beloof ik je; To — well = veel

beloven; —-breaker = woord- of beloftebreker; To be in a promising

state = veel beloven; Promissory, promisəri: A — note = promesse.

Promontory, prom’ntəri, voorgebergte, kaap.

Promote, prəmout, bevorderen, aankweeken, begunstigen, op touw zetten,

oprichten, verwekken: To be —d at school = verhoogd worden; —r =

oprichter (vaak in ongunstigen zin); Promotion = bevordering,

aanmoediging: He is on — = verwacht (staat op) bevordering; Promotive:

To be — of a thing = iets bevorderen.

Prompt, prom(p)t, adj. gereed, vaardig, gevat, vlug, stipt: — verb.

aanzetten, aansporen, souffleeren, inblazen, vóórzeggen (in school):

Eleven-thirty — = precies om half twaalf; Avarice —ed him to that mean

action = deed hem bedrijven; —-book = souffleursboek; —er = aanzetter,

voorzegger, souffleur; Boxes P. S. (= —er’s-side) = loge aan de

rechterzijde van het tooneel waar de souffleur staat (in Engeland staat

hij achter eene coulisse); The —ings of nature = de ingevingen (stem)

der natuur; —itude, promtitjûd, vaardigheid, vlugheid = —ness; —uary,

promtjuəri, magazijn van gereede goederen, bergplaats; —ure =

inblazing, het aanzetten.

Promulgate, prəmɐlgeit, openbaar maken, verkondigen: The secret was —d

= bekend gemaakt; subst. Promulgation.

Prone, proun, naar voren of beneden gebogen, steil, gretig, geneigd,

vooroverliggend: He lay — before the emperor = in het stof gebogen; He

is — to mischief = geneigd, in staat; —ness = helling, steilheid,

neiging.

Prong, proŋ, scherp werktuig, tand van een vork; — verb. steken; —buck,

—horn antelope = soort van Amerikaansche antilope; —ed: A three-—ed

fork = vork met drie tanden.

Pronominal, prənomin’l, voornaamwoordelijk; Pronoun, prounaun,

voornaamwoord.

Prononcé, pronoŋsei, met kracht of klem.

Pronounce, prənauns, uitspreken, houden, verklaren of beslissen:

Sentence of death was —d on the murderer = het doodvonnis werd

uitgesproken over; He was —d to be a fool = hij werd voor dwaas

verklaard; It is not easy to — upon the subject = daaromtrent te

beslissen; —able = wat uitgesproken kan worden; —ment = uitdrukkelijke

verklaring: A — on that question = eene beslissing omtrent die zaak;

That — pulls me up = voor die uitspraak sta ik stil; Pronouncing

dictionary = woordenboek met uitspraak.

Pronunciation, prənɐnšieiš’n, uitspraak, voordracht; Pronunciative,

prənɐnšieitiv, tot de uitspraak behoorende, dogmatisch.

Proof, prûf, bewijs, proef, drukproef, overtuigend bewijs, vastheid,

kracht, ondoordringbaarheid; adj. ondoordringbaar, beproefd, bestand,

van zeker alcoholgehalte: Clean — = revisie; First — = (eerste) proef;

Burden of — = bewijslast; A lot of — = een hoop proeven; I read it in

the — = las de proeven; What can you adduce in — of your assertion? =

tot bewijs van; We shall put it to the — = op de proef stellen; The —

of the pudding is in the eating = ondervinding is het beste bewijs; A —

overcoat = waterdichte overjas; He is — against temptation = tegen de

verleiding bestand; Cholera-—; The safe proved to be fire-— = bleek

tegen het vuur bestand te zijn; —-reader = corrector; —-sheet =

drukproef; —less = onbewezen.

Prop, prop, subst. steun, stut, pen (van gloeikousje); — verb. stutten,

schragen.

Propaedeutic, proupədjûtik, propaedeutisch; —s = propaedeuse.

Propagable, propəgəb’l, wat voortgeplant, bevorderd of verspreid kan

worden.

Propaganda, propəgandə, propaganda: College of the — =

Propaganda-College te Rome; To make — for; Propagandism = verspreiding

van leerstellingen; Propagandist = propagandist.

Propagate, propəgeit, (zich) voortplanten, verspreiden, verbreiden;

Propagation = voortplanting, verspreiding, verbreiding; Propagator;

adj. Propagatory.

Propel, prəpel, voortdrijven: —ling force = drijfkracht; —lent =

voortstuwend; —ler = drijver, voortstuwer, schroef (= Screw-—ler); —ler

shaft = schroefas.

Propense, prəpens, geneigd; —ness, prəpensnəs, Propensity, prəpensiti,

geneigdheid, natuurlijke neiging.

Proper, propə, gepast, geschikt, eigen(aardig), behoorlijk, betamelijk,

fatsoenlijk: — name (— noun) = eigennaam; What’s your — name? = eigen

naam; That is the — thing = dat is “je ware”; The thing — = de

eigenlijke zaak; A word used in its — sense = eigenlijke beteekenis;

All in its — time = op zijn tijd; It is not — for you to do so = het

past u niet; To think — = goed vinden; —ness = gepastheid; Property =

eigenschap, hoedanigheid, eigendom (Properties = requisieten): Funded

—, Landed — = kapitaal-vermogen, landbezit of grondeigendom; Movable,

Personal — = roerend goed; Real — = onroerend goed; —-letter =

tooneelbrief; —-master = requisiteur; —-room; —-tax =

vermogensbelasting.

Prophecy, profəsi, voorzegging, voorspelling; Prophesier, profəsaiə,

profeet; Prophesy, profəsai, voorzeggen, voorspellen; Prophet, profət,

profeet: A — has no honour in his own country = een profeet is niet

geëerd in zijn land; —ess, profətəs, profetes; —ic(al), prəfetik’(l),

profetisch.

Prophylactic, pro(u)filaktik, subst. en adj. voorbehoedend (middel)

tegen ziekte; Prophylaxis = prophylaxe.

Propinquity, prəpiŋkwiti, nabijheid, nauwe verwantschap.

Propitiate, prəpišieit, gunstig stemmen, bevredigen, verzoenen;

Propitiation = verzoening; Propitiator = verzoener; Propitiatory =

verzoenend, zoen...: — sacrifice = zoenoffer; Propitious, prəpišəs,

gunstig, genadig, vergevend; subst. —ness.

Propolis, propəlis, maagdenwas.

Propontic, prəpontik, Zee v. Marmora.

Proportion, prəpöš’n, subst. evenredigheid, verhouding, regel van

drieën (= Rule of —); — verb. toebedeelen, evenredig maken, regelen: In

— as you work so you will be rewarded = naar de mate dat; In — to = met

betrekking tot; That is out of all — to the want = geheel onevenredig

aan; They bear no — to one another = staan in geen verhouding tot,

houden geen verband met; The work ought to be —ed to his strength =

moet in overeenstemming zijn met; —able = evenredig = —al; dit ook

subst. = evenredige hoeveelheid: —al representation = evenredige

vertegenwoordiging; Mean —al = de middenevenredige; —ality =

evenredigheid;—verb. (prəpöšəneit) evenredig maken: —ate (prəpöšənit),

adj. evenredig; subst. —ness.

Proposal, prəpouz’l, voorstel, aanbod: — of marriage, of peace; — book

= register waarin de “voorgehangen” leden van een club worden

ingeschreven; I make this — but once = doe dit voorstel.

Propose, prəpouz, voorstellen, aanbieden, van plan zijn (to oneself),

stellen (van candidaten): He has actually —d for her = (haar vader of

voogd) om hare hand gevraagd (Vergel. —ed to her = haarzelf om hare

hand gevraagd); Man —es, but God disposes = de mensch wikt, God

beschikt; It is —d to provision the fortress = het plan bestaat; I — to

go (going) there = ben van plan; To — a toast; —r; Proposition,

propəziš’n, voorstel, aanbod, verklaring, probleem, vergelijking; adj.

—al.

Propound, prəpaund, voorstellen, onderwerpen of voorleggen (v. eene

vraag): That question was —ed to the meeting = werd voorgelegd; —er.

Proprietary, prəpraiətəri = eigendoms...; subst. eigendomsrecht;

Proprietaries = eigendommen, bezitters; Proprietor, prəpraiətə,

eigenaar, deelnemer: —ship = eigendomsrecht; vr. Proprietress,

Proprietrix, prəpraiətriks.

Proprietous, prəpraiətəs, “netjes”, zooals het hoort: I am stifled at

the thought of this pretty girl being guarded by those — dragons of

aunts = die stijve draken van tantes; Propriety, prəpraiəti, juistheid,

gepastheid, welvoegelijkheid: This fellow sets all — at defiance =

handelt tegen alle regelen der welvoegelijkheid in.

Props, props, verk. van Properties.

Propulsion, prəpɐlš’n, voortstuwing; Propulsive, Propulsory =

voortdrijvend, stuwend.

Propylaeum, propilîəm, proupailîəm.

Pro rata, prou reitə, evenredig; Pro-ratable, naar rato of verhouding

te verdeelen (Am.).

Prorogation, prourəgeiš’n, verdaging; Prorogue, prəroug, uitstellen,

verdagen, sluiten van de zittingen der wetgevende macht: The Second

Chamber was prorogued by the Home Minister in the Queen’s name = de

zitting van de 2de kamer werd in naam der Koningin door den Min. v. B.

Z. gesloten.

Prosaic(al), prəzeiik(’l), prozaïsch, alledaagsch; Prosaist,

prouzə-ist, prozaschrijver, nuchter persoon.

Proscenium, prəsînj’m: — box = loge avant scène.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 91 / 141 段