- -; — verb. met een tapijt beleggen; berispen: —ing = tapijtstoffen;
It is on the — now = het is nu op het tapijt; To bring on the — = op
het tapijt brengen (fig.); —-bag = subst. reiszak, valies: —-bag
politicians of —-baggers = eigenlijk de politieke avonturiers, die na
den oorlog v. 1861–65, naar de zuidelijke staten in N. Amer. trokken
om, met behulp van de negro-vote, polit. invloed te krijgen en wier
eenige property-qualification vaak slechts uit den inhoud van hun
carpet-bags bestond; —-beater = tapijtklopper; bediende aan tafel
(iron.); —-dance (—-hop) = geïmproviseerd huiselijk bal; —-knight =
saletjonker; —-rod = traproede; —-slippers = gewerkte pantoffels;
—-walk = zacht, mossig pad.
Carpus, kâpəs, handwortelbeenderen.
Carrack, karək, karaak.
Carrag(h)een, karəgîn, Iersch mos.
Carriage, karidž, subst. rijtuig, wagon; affuit; vervoer; vrachtprijs;
last, gedrag, houding, leiding, geraamte (van wagens): —-builder;
—-clock = reisklokje; —-door = portier; —-double = dubbele slag met den
klopper; deurtjebel; —-drive = rijlaan; —-free = franco (—-paid);
—-step = trede; —-tapper = spoorbeambte die a/h laatste station de
rijtuigen nazoekt.
Carrick-bend, karikbend, kruissteek (scheepst.).
Carrier, kariə, vrachtrijder, vervoerder, voerman: General — =
expediteur, bode, postduif (= —-pigeon).
Carrion, kariən, subst. kreng: —-beetle = aaskever; —-crow = aasraaf;
—-vulture = aasgier.
Carrom, karəm, Zie Carom.
Carronade, karəneid, scheepskanonnetje.
Carrot, karət, gele wortel, karot: —s = rood haar; rooie; —y =
geelrood.
Carry, kari, dragen, vervoeren, brengen, overbrengen, overdragen (van
eigendommen enz.), binnenbrengen; wegnemen; uitwerken, volbrengen, de
overhand behouden, verdragen, meebrengen, bij zich hebben, verkrijgen;
uitdrukken; vertoon maken, bevatten; met geweld nemen, kleven (van
sneeuw b.v. aan de voeten), het hoofd hoog dragen; draagwijdte: To —
the day = de overwinning behalen; To — coals = zich als voetveeg laten
gebruiken; To — coals to Newcastle = turf in ’t veen brengen; The
motion was carried = aangenomen; Seven and eight are fifteen, five —
one = vijf ’k houd er één; To — an outwork = (in)nemen (Mil.); To —
property = overdragen; Don’t — tales = klap niet uit de school; To —
the wind = het hoofd hoog dragen (van paarden); To — one’s years
lightly = met eere. Met adject.: To — fair = zich vriendelijk toonen;
That is —ing it very fine = gij neemt het zeer nauw; To — it high =
zijn neus in den wind steken; Fetch and — = apporteeren. — Met voorz.
en bijw.: To — about = (met zich) ronddragen; Quantity carried it
against quality = won het van; To — along = voortdragen; To — away =
wegdragen; As far as my memory will — me back = gaat; I was (got)
carried away by my anger = liet mij meesleepen; He carried everything
before him = won alles, van allen; It will be carried forward (to your
credit) = geboekt, overgebracht; The work was carried into execution =
ten uitvoer gebracht; To — off = wegvoeren; She carried off the honours
in her class = behaalde de prijzen; To — a thing off = iets tot een
goed einde brengen, redden door talentvolle behandeling, zich er
doorslaan; Drink and idleness carried them off = sleepten ... ten
grave; Don’t — on like that = stel u niet zoo aan; To — on a business,
a lawsuit = drijven, proces voeren; To — out = naar buiten dragen,
uitvoeren, voleinden; To — over = overdragen, transporteeren, vertalen;
The character of the hero is carried through to the end = volgehouden;
They carried it through at all costs = zetten het door “coûte que
coûte”; —-all = Am. rijtuig; slede; —ing-agent = expediteur;
—ing-business = expeditiezaak; —ing-trade = expeditiezaak, reederij;
vrachtvaart; —ing-traffic = goederenvervoer; —ing-van = vrachtwagen.
Carse(land), kâs(land), aangeslibd land (Schotl.).
Cart, kât, subst. vracht(kar); — verb. per vrachtkar vervoeren: To put
the — before the horse = de paarden achter den wagen spannen; To be put
in the — = beetgenomen worden; —age, kâtidž, vrachtvervoer, vrachtloon;
Canvas —-cover = huif; —-horse = karrepaard; —-load = vracht; —-wheel =
wagenrad, 5 shillingstuk; To do (tumble, turn) —-wheels = kopje-over
duikelen; —wright = wagenmaker; —er = karrijder, vrachtrijder.
Carte, kât, paradeslag, menu, photographie: —-de-visite, kâtdəvizît.
Cartel, kât’l, kâtel, overeenkomst tot uitwisseling van gevangenen;
cartel; uitdaging.
Cartesian, kâtîž’n, Cartesiaansch aanhanger van Descartes: —-devil
(—-diver, —-figure) = C. duikertje.
Carthamus, kâthəmɐs, saffloer.
Carthage, kâthidž, Carthago; Carthagian, kâtheidžj’n, Carthaagsch;
Carthager.
Carthusian, kâthjûžən, Karthuizer (monnik).
Cartilage, kâtilidž, kraakbeen; Cartilaginous, kâtiladžinɐs,
kraakbeenachtig, kraakbeen ...
Carton, kât’n, karton, wit van eene schietschijf of een schot daarin.
Cartoon, kâtûn, kartonteekening; spotprent, die een geheele pagina
vult; patroon; —ist = caricatuurteekenaar.
Cartouche, kâtûš, kardoes, patroon; huls; sierlijst: —-box,
kardoeskist.
Cartridge, kâtridž, patroon, kardoes: —-bag; —-box; —-paper (ook een
soort teekenpapier); —-pouch = patroontasch; Ball —, Blank — = scherpe,
losse patroon.
Cartulary, kâtjuləri, klooster of kerkregister, archief, archivaris.
Carve, kâv, snijden, voorsnijden, beeldsnijden, graveeren: To — one’s
way = zich een weg banen; Every one must — out his own fortune = ieder
is de bewerker van zijn eigen fortuin; —d = —n = gesneden,
gebeeldhouwd; —r = beeldhouwer, houtsnijder; Carving = snijwerk:
—-knife = voorsnijmes.
Caryatid, kariatid (Meerv. Caryatides, kariatidîz), caryatide.
Cascade, kaskeid, kleine waterval; ook — verb.
Case, keis, subst. etui, schede, kist, kast, koker, trommel, stolp,
dek, overtrek, band, letterkast; gebeurtenis, voorbeeld, rechtszaak,
rechtsgrond, naamval, geval, toestand; — verb. insluiten, overtrekken,
in een koker of kist doen: Botanical — (Dressing —, Surgical —); In
your — = geval; In — of need = geval van nood; In no —; In nine —s out
of ten; To be in the — = in ’t spel zijn; The — is still on = de zaak
is nog voor; The prosecution failed to make out its — = slaagde er niet
in de aanklacht te motiveeren; To make out one’s own — = voor eigen
belangen opkomen; —-harden = harden; verharden (fig.); —-bottle =
veldflesch; —-knife = dolk, hartsvanger; —-shot = (granaat)kartets;
—-window = schuifraam; —-work = het maken van den band, het bevestigen
van het ingenaaide boek; zetten.
Casein(e), keisi-in, kaasstof.
Casemate, keismeit, kazemat; hol lijstwerk.
Casement, keism’nt, keizm’nt, openslaand venster, hol lijstwerk.
Caseous, keisiəs, kaasachtig.
Cash, kaš, subst. kas, geld, gereed geld; — verb. wisselen,
incasseeren, te gelde maken, realiseeren, honoreeren; de kas opmaken
(up): Down with the — = eerst geld! For — = à contant; To be in — = bij
kas zijn; To be out of (not in, short of) — = slecht bij kas zijn; To
keep the — = de kas houden; To pay (in) — = contant betalen; To sell
for — = à contant; Hard (Ready) — = baar geld; These are 6 sh. — =
kosten 6 sh. contant; —-book; —-box = geldcassette; —-keeper =
kashouder; —-price = prijs tegen contant geld; —-system = contante
betaling.
Cashier, kəšîə, subst. kassier; — verb. ontslaan, afdanken.
Cashmere, kašmîə, kašmîə, subst. cachemir: — shawl.
Cashoo, kəšû, cachou, of catechu.
Casing, keisiŋ, omhulsel, foudraal, overtrek, bekleeding, mantel.
Casino, kasînou, Casino.
Cask, kâsk, vat, ton; — verb. in een vat doen.
Casket, kâskət, cassette, kistje; kostbare doodkist (Amer.); — verb. in
eene cassette of een kistje besluiten.
Caspian (The), kaspj’n, de Kaspische Zee.
Casque, kâsk, helm, stormhoed: Gold — = gouden oorijzer.
Cassation, kəseiš’n, cassatie: Court of — = hof van cassatie
(Frankrijk).
Casse-paper, kaspeipə, kaspapier.
Cassia, kašə, cassia; kassie; laurier(bast).
Cassimere, kasimîə, kazimier (wollen stof).
Cassinet(te), kasinet, soort stof.
Cassino, kəsînou, soort kaartspel.
Cassock, kasək, engsluitende toog van priesters of koorknapen, soutane.
Cassonade, kasəneid, ongeraffineerde suiker.
Cassowary, kasəwəri, Casuaris.
Cast, kâst, subst. worp, gooi; oogopslap, blik; vorm, afgietsel,
indruk, tint, karakter, aard, berekening, rolverdeeling; — verb.
werpen, afwerpen, te vroeg werpen, neerwerpen, overwinnen, stem
uitbrengen, doen verliezen, uitschiften, afdanken, berekenen; de rollen
verdeelen; optellen, uitrekenen, krom trekken, gieten, stereotypeeren,
vallen, zoeken: His genius was of a gloomy — = somberen aard; A
promising — = goede hengelplaats; The — of a man’s features = vorm; The
— of the play was excellent = rolverdeeling; He has a — in his eye =
hij kijkt loensch; I am at the last — = tot het uiterste gebracht; He
made an unsuccessful — at the line of the fox = slaagde niet het spoor
te vinden; The die is — = de teerling is geworpen; The horse — itself =
sloeg over den kop; To — (up) accounts (charges, expenses) = opmaken;
To — anchor = laten vallen; To — doubts on = twijfel oppperen omtrent;
To — dust into a person’s eyes = iemand zand in de oogen strooien; To —
light on = licht laten vallen op; To — a look (glance, eye) on = blik
werpen; To — lots = loten; To — a person’s nativity = iemands toekomst
uit de sterren voorspellen; To — parts = de rollen verdeelen; To —
reflections = critiseeren; The horse — a shoe = verloor een hoefijzer;
To — a thing in a person’s teeth = iemand iets voor de voeten werpen;
To — votes = stemmen; The cow has — her young = ontijdig geworpen; He —
himself adrift upon the world = ging de wijde wereld in; To — loose =
losgooien; Met voorz. en bijw.: To — about for the philosopher’s stone
= zoeken naar den steen der wijzen; He was — for Horatio = aangewezen
voor de rol; I — in my lot with that party = sloot mij aan bij; He
began to — in his mind = bij zich zelven te overleggen; To — off copy =
een gedeelte van een handschrift zetten, om te zien hoeveel pagina’s
druks het wordt; To — off = losgooien (van een schip); The ship — off =
gooide de trossen los; She — me off = gaf mij den bons; He — himself on
his enemies = gaf zich over, deed een beroep op; I — myself on your
pity = doe een beroep op; To — up = uitwerpen, opslaan, uitbraken;
optellen, berekenen; —away, kâstəwei, subst. balling, verworpeling;
schipbreukeling; ontredderd schip; adj. nutteloos, verworpen; —-house =
gieterij; —-iron = gietijzer; adj. onverzettelijk, onhandelbaar; —-off
= waardeloos, afgedankt; —-steel = gegoten staal; —ing = gieten,
gietstuk; adj. beslissend: —ing-bottle = spuitfleschje; —ing-net =
werpnet; —ing vote = beslissende stem.
Castanea, kasteinjə, kastanje.
Castanets, kastənets, castagnetten.
Caste, kâst, kaste: To lose — = zijn rang in de maatschappij verliezen;
— feeling = kastengeest.
Castellan, kastəl’n, slotvoogd; Castellated = van torens en kanteelen
voorzien.
Caster, kâstə, gooier, gieter, regisseur, rekenaar, wieltje, strooier,
afgedankt dienstpaard: Set of —s = olie en azijnstel.
Castigate, kastigeit, kastijden, gispen, verbeteren; Castigation =
kastijding, tekstverbetering.
Castile, kastîl, Castilië; Castilian, kastilj’n, Kastiliaan(sch).
Casting, Zie Cast.
Castle, kâs’l, subst. kasteel, slot; — verb. rokkeeren: It brought down
the whole card-— = deed het heele kaartenhuis instorten; — in the air,
— in Spain = luchtkasteel; —-builder = droomer, fantast; —-gate =
slotpoort; —-keeper = slotvoogd; —d elephant = torendragende
oorlogsolifant.
Castor, kâstə, bever(geil); kastoren hoed; wieltje; strooier: —-oil =
wonderolie.
Castor and Pollux, kâstər’ndpoləks, de Tweelingen (Dierenriem); St.
Elmusvuur.
Castoreum, kastôriəm, bevergeil.
Castrate, kastreit, castreeren, een boek zuiveren van aanstootelijke
plaatsen; subst. eunuch; adj. gecastreerd; Castration = ontmanning,
etc.; Castrato = gecastreerd zanger.
Casual, kažuəl, adj. toevallig, bij gelegenheid voorkomend; subst.
daklooze (in een asyl of armhuis tijdelijk opgenomen): —s = de bij een
ramp omgekomenen; de als vermist opgegevenen; — labourers = losse
werklieden; — ward = asyl; Casualism = de leer dat alles toeval is;
Casualist, aanhanger van die leer; Casualty = toevalligheid, toeval,
ongeluk; —ties = verliezen aan menschenlevens, ongelukken, ongevallen.
Casuistic(al,) kažuistik(’l), casuistisch; Casuist = sophist;
Casuistics = Casuistry, casuistiek.
Cat, kat, subst. kat (ook fig.); soort van schip, sterke takel, dubbele
treeft; — verb. katten (scheepst.): Every — to her kind = het muist wat
van katten komt; A — has nine lives = een kat komt altijd op zijn
pootjes neer; The — is out of the bag = het geheim is verklapt; Care
killed the — = Vooruit! er is geen lieve moederen aan; To let the — out
of the bag = uit de school klappen; They live like — and dog = als kat
en hond; It rained —s and dogs = het regende baksteenen; To see how the
— jumps = de kat uit den boom kijken; He leads her a —-and-dog life =
zij heeft een hondenleven bij hem; You have been made a —’s paw of by
her = ze heeft je de kastanjes uit het vuur laten halen; The translator
plays the — and banjo with Heine’s most tuneful metres = bederft
totaal; —-bird = Amer. spotlijster; —-call (—-pipe) = schel fluitje; —
verb. uitfluiten; —-eyed = in staat in ’t donker te zien; —-gut =
darmsnaar; soort stramien; —-gut scraper = fidelaar; —-head =
kraanbalk; —-nap = hazenslaapje, dutje; —’s eye = kat(ten)oog; —’s paw
= licht briesje; dupe, werktuig; —’s meat = vleeschafval (voor katten);
—’s-tail = kattestaart, breedbladige lischdodde; The —-scene = het
tooneel (in de Engelsche pantomimes), wanneer alles duister is, juist
voor de transformation scene; —tish = kattig; subst. —tishness.
Cataclysm, katəklizm, geweldige beroering, groote ramp, zondvloed:
Cataclysmal, als een c.
Catacombs, katəkoumz, Catacomben.
Catafalque, katəfalk, katafalk.
Catalepsy, katəlepsi, zinvang; Cataleptic = lijder aan z.; lijdend aan
z.
Catalogue, katəlog, subst. catalogus; — verb. catalogiseeren: He did
not know how to — her = waar te plaatsen.
Catalonia, katəlounjə, Catalonië; —n, Catalonisch, Cataloniër.
Catamaran, katəməran, kətaməran, vlot, platboomd vaartuig; feeks.
Catamount(ain), katəmaunt(in), puma.
Catapult, katəpɐlt, catapult.
Cataract, katərakt, waterval; cataract, grauwe staar: To couch a — =
van de staar lichten.
Catarrh, kətâ, catarrhe; —al syringe = neusspuit.
Catastrophe, kətastrəfi, catastrophe; adj. Catastrophic.
Catch, katš, subst. vangst, buit, trek, goede partij, voordeeltje,
houvast, greep, strikvraag, stokken (v. stem), onderbreking,
afwateringssloot, cànon (muziek), steunijzer, klink; — verb. vangen,
grijpen, achterhalen (up), betrappen; boeien, winnen, begrijpen,
treffen, toebrengen, in de rede vallen (up), blijven hangen, afnemen,
vatten (van koude, eene ziekte, enz.); verward raken, in elkaar
grijpen, aanstekelijk zijn, zich verbreiden (on): A bit of a — = een
fortuintje; A poor — = schrale vangst; It is no great — = niet veel
zaaks; Great —es = begeerlijke partijen; She married the — of the
season = beste partij van het Season (in Londen van Mei tot Aug.);
There is a — in it = er steekt wat achter; To live upon the — = van
roof leven; To — it = een pak slaag oploopen, er van langs krijgen; —
me (at it)! = dat kan je denken! dan kan je lang wachten! — and have =
wien heeft, dien wordt gegeven; To — the Speaker’s eye = door opstaan
den voorzitter om ’t woord vragen, het woord krijgen; To — a glimpse of
= in ’t oog krijgen, even zien; To — hold of = aanpakken, vastgrijpen;
I don’t — your meaning (what you say) = begrijp, snap niet; To — sight
of = in ’t oog krijgen; To — step = in den pas komen; To — the train =
halen; He caught at all opportunities = pakte aan; He caught at me =
greep naar; I’ll make him — on = doen toehappen; You have caught on
here = succes gehad; To — out = op een fout betrappen; The lake was
caught over = met een vliesje ijs bedekt; He caught towards him a scrap
of paper = haalde naar zich toe; To — up = haastig opnemen;
terechtwijzen; —-drain = wetering, afvoerkanaal; —-’em-alive = soort
vliegenpapier; —-lands = markegronden; —-line = korte titelregel
tusschen 2 langere met grooter letter; vervolgwoord onder aan de
bladzijde: The report of the Labour Commission is the latest —-line =
het rapport van de Enquête-commissie v. d. Arbeid is het jongste
opvallend onderwerp van den dag; —-meadow = gedraineerde weide; A
—-penny title = een verlokkende, bedriegelijke titel; —phrase = een op
effect berekende uitdrukking; —-pole, —-poll = dievenvanger; —-question
= strikvraag; —word = vervolgwoord onder aan eene bladzijde, slagwoord
(bij acteurs); leus; —ing = besmettelijk, aanstekelijk; pakkend,
bekoorlijk.
Catchup, katšəp, pikante saus (uit champignons, tomaten, etc. ook
Catsup, en Katchup).
Cate(s), keit(s), spijs, lekkernijen.
Catechetic(al), katəketik(’l), catechetisch; Catechism = catechismus;
Catechistic(al) = catechetisch; Catechization = catechisatie, Catechize
= catechiseeren, onder handen nemen.
Catechu, katə(t)šû, cachou.
Catechumen, katəkjûm’n, katechumeen, beginner.
Categorical, katəgorik’l, categorisch; Category = categorie.
Cater, keitə, voedsel, genot, enz. verschaffen: In those days art —ed
to (for) the national vanity = vleide de kunst de nationale ijdelheid;
—-cousin, keitəkɐz’n, verre bloedverwant, goede vriend; —er =
leverancier, proviandmeester.
Cateran, katər’n, Iersche of Schotsche vrijbuiter.
Caterpillar, katəpilə, rups.
Caterwaul, katəwôl, subst. kattengegrol; — verb. grollen als krolsche
katten.
Catharina, kathərainə, Catharina; Catharine, kathərin: —-wheel =
radvenster; vuurrad: To do (turn) —-wheels = buitelen.
Cathedra, kathidrə, kəthîdrə, bisschopsstoel; katheder: Ex — = met
gezag; uit de hoogte.
Cathedral, kəthîdr’l subst. kathedraal; adj.: — church = domkerk.
Catherine, kathərin.
Cathode, kathoud, negatieve pool (electr.).
Catholic, kathəlik, katholiek, algemeen, onpartijdig; subst. R.
Katholiek: Roman — Church = de R.K. kerk; Catholicism, katholicisme;
Catholicity = algemeenheid, onpartijdigheid; Catholicize =
katholiseeren.
Catilina, katilainə (Catiline, katilain), Catilina; Catilinarian,
Catilinarisch; samenzweerder.
Catkin, katkin, katje (van wilgen, enz.).
Catling, katliŋ, darmsnaar, ontleedmes.
Cato, keitou; Catonian = Catonisch, streng, deugdzaam.
Cattle, kat’l, rundvee; paarden: Blood — = stamboekvee: —-box (=
—-truck) = veewagen; —-breeding = veeteelt; —-dealer = veehandelaar;
—-plague = veepest; —-range (—-ranch) = weidegrond; —-run = weideplaats
(Amer.); —-show = veetentoonstelling.
Caucasian, kôkeiš’n, Caucasisch; Caucasiër; Caucasus, kôkəsɐs,
Caucasus.
Caucus, kôkəs, voorloopige partijbijeenkomst ter voorbereiding eener
verkiezing (Amer.); kiescomité; — verb. door een caucus bewerken; een
caucus houden.
Caudal, kôd’l, staart - -; Caudate = gestaart.
Caudex, kôdeks, stam v. palm, of boomvaren.
Caudle, kôd’l, kandeel.
Cauf, kôf, vischkaar.
Caught, kôt, imperf. en part. perf. van To catch.
Caul, kôl, darmnet; haarnetje, helm: To be born with a —.
Cauldron. Zie Caldron.
Cauliflower, koliflauə, bloemkool; Cauline = stengel ...
Caulk, kôk. Zie Calk.
Causal, kôz’l, oorzakelijk; Causality = oorzakelijkheid; Causation =
veroorzaking; Causative = causaal; causatief.
Cause, kôz, oorzaak, reden, beweegreden, zaak, aangelegenheid; — verb.
veroorzaken, voortbrengen: The First — = God; He was called up to show
— with reference to a nuisance = hij werd voorgeroepen om zich te
verantwoorden wegens burengerucht (of overlast); He —d his men to
follow him = liet; Causeless = zonder oorzaak.
Cause(wa)y, kôz(we)i, subst. straatweg, verhoogd voetpad, dam, steiger,
aanlegplaats; — verb. plaveien: A little stone — = geplaveid straatje;
A wooden — = steiger.
Caustic, kôstik, subst. bijtmiddel; adj. bijtend, scherp: Lunar — =
helsche steen; Causticity = scherpheid, sarcasme.
Cauter, kôtə, brandijzer; Cauterization = uitbranding; Cauterize =
uitbranden; Cautery = branden; brandijzer, brandmiddel.
Caution, kôš’n subst. omzichtigheid, waarschuwing; pand; iets geweldigs
(zonderlings); — verb. waarschuwen: Well, you’re a —! = jij bent een
best merk! That’s a — = da’s kras! —-money = waarborgsom; —ary =
waarschuwend; Cautious = omzichtig: subst. —ness.
Cavalcade, kav’lkeid, cavalcade.
Cavalier, kavəlîə, subst. ridder, ruiter, cavalier, Royalist; adj.
ongedwongen, zorgeloos, trotsch, aanmatigend.
Cavalry, kav’lri, ruiterij.
Cavatina, kavatînə, cavatine (muz.).
Cave, keiv, subst. hol, grot, het bukken of toegeven; afscheiding van
een politieke partij; de afgescheidenen; — verb. instorten, inzakken,
inslaan, uithollen, toegeven: He rose to make a speech but soon —d in =
bleef steken; We shall never — in to the French, so far as Egypt is
concerned = toegeven; A caved-in old hat; —-dwellers = holbewoners =
—-men.
Caveat, keivjət, subst. protest; patentaanvrage (Amer.); — verb. een
caveat beteekenen; caveeren (bij het schermen): To enter (Put in) a — =
een protest indienen; Caveator = protesteerende; protestaanvrager.
Cavendish, kav’ndiš, kandiš, (tot koeken geperste) tabak.
Cavern, kavən, spelonk, hol; —ed, vol holen; Cavernous = hol, vol
holen.
Caves(s)on, kavəs’n, neuspranger.
Caviar(e), kaviâ, kaviaar: — to the general = te fijn voor den grooten
hoop.
Cavil, kav’l, verb. vitten op (at); subst. chicane, haarklooverij:
Without — = buiten twijfel; —ler = vitter, nijdas.
Cavin, kavin, holle weg.
Cavity, kaviti, holte.
Cavort, kəvöt, steigeren, rondspringen, druk doen.
Caw, kô, subst. gekras; — verb. krassen.
Cawnpore, kônpûə, kônpə.
Caxton, kakst’n, Caxton; boek door Caxton gedrukt.
Cay, kei, rif, zandbank, eilandje.
Cayenne, keien, kaien, Cayenne(peper).
Cayman, keim’n, alligator, kaaiman.
Cazique, kəzîk, Amer. opperhoofd.
Cease, sîs, ophouden, staken, laten varen; doen ophouden: —less =
onophoudelijk.
Cecil, sesil, sisil; Cecils, sîsilz, gebakken vleeschballetjes;
Cecilia; Cecily.
Cedar, sîdə, subst. ceder; adj. van cederhout = —n = Cedrine,
sîdr(a)in.
Cede, sîd, afstaan, opgeven, wijken.
Cedrat(e), sîdrit, citroenboom.
Cedric, sedrik.
Cee-spring, sîspriŋ, wagenveer in den vorm eener liggende c = ⏑.
Ceiling, sîliŋ, plafond, zoldering; wegering (scheepst.).
Celadon, seləd’n, bleekgroen (porselein); sentimenteele minnaar.
Celandine, sel’ndain, schelkruid.
Celebes, seləbîz, seləbez.
Celebrant, seləbr’nt, de priester, die de mis opdraagt: The —s of the
Shelley Centenary = deelnemers aan de viering; Celebrate = vieren,
loven, celebreeren, herdenken; Celebrated = beroemd, vermaard;
Celebration = verheerlijking, viering; Celebrator = vierder; Celebrity,
səlebriti, vermaardheid, roem, beroemdheid (ook fig.), beroemd persoon.
Celerity, səleriti, vlugheid, snelheid.
Celery, seləri, selderij.
Celestial, silestj’l, hemelsch (ook fig.), hemel...; Chineesch: —
empire = China; subst. hemelling; Chinees.
Celestine, silestin, seləst(a)in, Celestine, Celestijner (monnik); een
mineraal.
Celibacy, selibəsi, ongehuwde staat; Celibate, selibit, ongehuwd
(persoon).
Cell, sel, cel, kluis, hol.
Cellar, selə, kelder: —flap = luik; —flap dance = potsierlijke
matrozendans; — hole; —man = wijnkooper, kelderwaard; keldermeester;
—age, seləridž, kelderruimte, kelderhuur; —er = keldermeester;
Cellaret, Cellaret = likeurkeldertje.
Cellular, seljulə, cel - -: — tissue = celweefsel; —s = celplanten;
Cellulate = met cellen; Cellule = celletje; Celluloid = celluloïde;
Cellulose = cellulose; celachtig.
Celt, selt, Kelt; bronzen (steenen) beitel; —ic = Keltisch; —icism =
Keltisch idioom (gewoonte).
Cement, siment, subst. cement, verband; — verb. cementeeren,
samenbinden of -voegen; Cementation, cementeering; —er = bindmiddel.
Cemetery, semət’ri, begraafplaats.
Cenobite, sînəbait, kloosterling, ordebroeder.
Cenotaph, senətaf, cenotaphium.
Censer, sensə, wierookvat, bewierooker.