naakte rots, klip, steilte; — verb. met litteekens bedekken, een
litteeken of wond vormen.
Scarab, skarab, tor, scarabee, Egyptische amulet in torrenvorm; —aeus,
skarəbîəs, mestkever.
Scaramouch, skarəmoutš, hansworst, bluffer, lafaard.
Scarborough, skâbərə, skâbrə.
Scarce, skêəs, schaarsch, zeldzaam: To be — of money = slecht bij kas;
Make yourself —, before I make you —r = ga heen, vóór ik je er uitgooi;
Scarcely, nauwelijks: — had he done it when I collared him =
nauwelijks; — anybody, anything = bijna niemand, niets; — ever = bijna
nooit; Scarceness = Scarcity, skêəsiti = schaarschte, gebrek.
Scare, skêə, subst. plotselinge schrik, paniek; — verb. verschrikken: I
am not born in the woods to be —d by an owl = ik ben niet voor een
klein geruchtje vervaard; —crow = schrikbeeld, vogelverschrikker: A
—crow of a child.
Scarf, skâf, subst. sjaal, sjerp, lange das, onderscheidingsteeken der
hooge geestelijken, lassching; — verb. losjes gooien over, blinddoeken;
lasschen (van hout); —-pin = doekspeld; —-skin = opperhuid.
Scarification, skêrifikeiš’n, het koppen zetten, insnijding;
Scarificator, skêrifikeitə = Scarifier, skêrifaiə, koppenzetter,
koplancet; soort egge: I have relieved my indignant soul with a — =
lucht gegeven in eene scherpe kritiek; Scarify, skêrifai, oppervlakkige
insnijding maken, koppen zetten; omwerken van den bovengrond, kwellen,
verontrusten.
Scarlatina, skâlətînə, scharlakenkoorts.
Scarlet, skâlət, subst. scharlakenkleur, scharlaken kleed; adj.
scharlaken: They went to Paris and painted the town a vivid — = en
hebben daar de blommetjes eens flink buiten gezet; —-bean (—-runner) =
pronker (plant); —-fever = scharlakenkoorts; “Huzarenkoorts”.
Scarp, skâp, subst. talud, (schouder)sjerp; — verb. afschuinen.
Scarus, skêrəs, papegaaivisch.
Scary, skêri, vreesverwekkend, beangst, schuw.
Scathe, skeidh, subst. nadeel, letsel; — verb. benadeelen, kwetsen;
Scathing = scherp, kwetsend.
Scatter, skatə, uitstrooien, verspreiden, uiteendrijven, vernietigen:
—-brain = een windbuil; She gives him but a —-brained attention =
verdeelde aandacht; —ing votes = verbrokkelde stemmen.
Scavenge, skav’nž, straatreinigen; Scavenger = straatreiniger: —ing
(—ism = —y) = straatreinigingsdienst.
Scenario, šinâriou, tekstboekje met uitvoerige aanwijzingen voor de
opvoering.
Scene, sîn, tooneel, tafereel, vertooning, decoratie(s), coulisse,
scène (standje): To appear on the —; The — lies (is laid) in the 17th
century = het stuk speelt in; Don’t get up (make) a — = maak geen
drukte, scène; Behind the —s = achter de schermen (ook fig.); To peep
behind the —s (letterl. en fig.); Side — = coulisse; —-painter =
decoratieschilder; —-shifter = machinist (theater); Scenery = tooneel,
natuurtafereel, tooneeldecoraties, landschap.
Scenic, sînik, senik, dramatisch, theatraal, schilderachtig: — America
= A. in beeld; — railway = miniatuurbaan langs een nagebootst
schilderachtig landschap; —al = dramatisch, conventioneel;
Scenographic, sînəgrafik, in perspectief; Scenography, sinogrəfi,
perspectief.
Scent, sent, subst. geur, reuk, reukzin, snipper(jacht), lucht, spoor;
— verb. ruiken, (door)geuren; van geur vervullen: You are on the right
(wrong) — = op het goede (verkeerde) spoor; To get — of = in den neus
krijgen; To throw off the — = van het spoor brengen; A — of rose-leaves
filled the room; —-bottle = reukfleschje, flacon; —-box =
eau-de-reinedoosje; —-fountain = spuitreukfleschje; —less = reukeloos;
zonder ‘lucht’ (jachtterm).
Sceptic, skeptik, twijfelaar; adj. = —al = twijfelzuchtig; —ism,
skeptisizm, twijfel, ongeloof; —ize = aan alles twijfelen.
Sceptre, septə, subst. staf, scepter; —d = den scepter voerend,
vorstelijk.
Schaffhousen, šafhauzn, Schaffhausen.
Schah; Zie Shah.
Schedule, šedjul, sedjul, subst. ceel of cedel, lijst, inventaris,
(spoorweg)dienst (Amer.); — verb. op eene lijst plaatsen: To file (give
in) one’s — = failleeren.
Scheldt (The), dhəskelt (of šelt), de Schelde.
Schema, skîmə = Scheme; adj. Schematic; Schematist = plannenmaker,
intrigant; Schematize = in systeem brengen, ontwerpen.
Scheme, skîm, subst. schema, plan, voornemen; — verb. plannen maken,
ontwerpen, beramen, intrigeeren: To contrive (form, lay) a — = een plan
ontwerpen; —r = plannenmaker, intrigant.
Schiedam, skîdam, Schiedam(mer jenever).
Schism, sizm, scheuring, verdeeldheid; —atic, sizmatik, subst.
schismaticus; adj. schismatisch; adj. —atical; subst. —aticalness.
Scholar, skolə, subst. leerling, geleerde: He is a good classical — =
goed classicus; —like = —ly = wetenschappelijk: This is a —ly
production = wetenschappelijk werk; —ship = geleerdheid, studiebeurs;
Scholastic, skəlastik, subst. scholasticus; adj. scholastisch, geleerd,
pedant: — agency = plaatsingbureau voor onderwijzers; Scholasticism =
scholastiek; Scholiast, skouliast, schrijver v. commentaren (op
classieken); Scholium, skouliəm, commentaar.
School, skûl, subst. school, schoollokaal, onderwijs, leer,
examenlokaal (aan de hoogeschool); — verb. leeren, oefenen, dresseeren,
in scholen rondzwemmen, beknorren, vermanen: Advanced — = voor meer
uitgebreid L. O. of M. O.; Artisan — = ambachtsschool; Cadet —; Charity
— = armenschool; Commercial — = handelsschool; Cookery —; Elementary
(Primary) — = school voor lager onderwijs; Grammar — = Latijnsche
school, gymnasium; Industrial — = ambachtsschool; soort tuchtschool;
Infant — = bewaarschool; Mercantile and Trade — = handels-, en
vakschool; Normal —; Professional — = vakschool; Reformatory — =
tuchtschool; State —; Technical — = vakschool; — of acting =
tooneelschool; — of application (Mil.) = applicatieschool; — of art =
kunstacademie; To attend a (go to) — = schoolgaan; To keep —; To leave
—; He put me to — = heeft mij op school gedaan; He will tell no tales
out of — = uit de school klappen; When — is over (= is dismissed) = als
de school uit is; —ed in adversity; —-agency = bureau voor plaatsing v.
onderwijzers; —-bag = schooltasch; —-board = schoolraad, gekozen (van
1870–1903) door de ratepayers van een district om toezicht te houden op
de toepassing van de Elementary Education Acts van 1870–72; —-book =
schoolboek; —boy = schooljongen; —-committee = stedelijke
schoolcommissie; —-dame = schooljuffrouw; —-district; —-divinity =
schoolsche godgeleerdheid; —-doctor = schoolarts; —fellow =
schoolkameraad; —girl; —-hour: Out of —-hours = buiten schooltijd;
—-house = schoolgebouw; —-ma’am, —marm = schoolmamsel (Amer.); —-man =
scholasticus; —master; —mate = schoolkameraad; —mistress = hoofd of
onderwijzeres van eene school; —-room = lokaal; —-ship =
school(tucht)schip; —-teacher; —-time.
Schooner, skûnə, schoener (schip); bierglas (Amer.).
Schottis(c)h(e), šotiš, šotîš, soort v. polka.
Schuyler, skailə.
Sciagraph, saiəgraf, doorsnede v. een gebouw.
Sciatica, saiatikə, heupjicht = Sciatic pains.
Science, saiəns, wetenschap, natuurkunde, kennis, kunde: Applied — =
toegepaste wetenschap; Christian — = een godsdienstige leer waarbij
vooral nadruk gelegd wordt op het beheerschen van de stof door den
geest; Natural — = natuurwetenschap; Pure — = theoret., tegenover
Applied; Since —-teaching was introduced into the board-schools = de
natuurwetenschappen; Scientific, saiəntifik, wetenschappelijk;
Scientist, saiəntist, geleerde, natuurphilosoof.
Scilicet, sailiset, siliset, namelijk, te weten.
Scilly Islands (The), dhəs(a)iliail’ndz.
Scimitar, Scimiter, simitə, Oostersche kromme sabel.
Scintilla, sintilə, vonkje, greintje, schijntje: There is not a — of
evidence for it = geen zweem van bewijs; Scintillant, fonkelend;
Scintillate, sintileit, fonkelen; subst. Scintillation.
Scion, saiən, ent, spruit (ook fig.).
Scioptic, saioptik, scioptisch; Sciopticon, saioptikon, sciopticon;
Scioptics, saioptiks, het brengen of vertoonen van lichtbeelden op een
scherm.
Scissors: A pair of —s = eene schaar; —s and paste = werk bestaande uit
aan elkaar geplakte uitknipsels; —s-grinder = scharenslijper.
Scissure, sižə, sišə, scheur, spleet.
Sciurine, saiur(a)in, saijûr(a)in, eekhoorn(achtig).
Sclav(e), sklâv, enz. Zie Slav.
Scobs, skobž, vijlsel.
Scoff, skof, subst. schimp, (voorwerp van) bespotting; — verb.
beschimpen, bespotten: He has —ed at my trade = bespot; —er.
Scold, skould, subst. helleveeg, feeks; — verb. uitschelden, kijven,
een uitbrander geven; —er; Scolding: He got a severe — = kreeg een
ernstigen uitbrander; A — fellow = kijvend, twistziek.
Scollop, skoləp, Zie Scallop.
Scolopendra, skoləpendrə, duizendpoot.
Scomber, skombə, makreel.
Sconce, skons, subst. dievenlantaarn, armblaker (aan den muur b.v.),
kaarshouder; bolwerk, schans, helm, hoofd, schedel, verstand, boete
(aan de hoogeschool), stuk drijfijs; — verb. Zie Ensconce.
Scone, skûn.
Scone, skoun, subst. een plat tarwe- of gerstekoekje (Schotl.).
Scoop, skûp, subst, schep, schop, emmer (van eene moddermachine),
hoosvat; kaasboor, spatel, uitholling, groote winst; — verb. uithoozen,
uitscheppen, uithollen, delven, de loef afsteken, bij elkaar schrapen
(met up); —-bonnet = schuithoed; —-net = sleepnet, baggernet; —-wheel =
scheprad met emmers.
Scoot, skût, voortsnellen, vliegen (Amer.).
Scope, skoup, doel, voornemen, gezichtskring, speelruimte, vrijheid: I
gave him free (full) — = liet hem vrij spel; That’s not within our — =
in ons bereik.
Scorbutic, skobjûtik, aan scheurbuik lijdend; subst. iemand, die aan
scheurbuik lijdt.
Scorch, skötš, zengen, verschroeien, geeselen (fig.), woest rijden; —er
= een woest fietsrijder, enz.: To-day has been a —er = ’t was om te
stikken; That critique as a —er = dat was een venijnige kritiek.
Score, skö, subst. keep, insnijding, gelag, rekening, aantal behaalde
punten, twintig, partituur, etc.; — verb. inkerven, schrammen,
opschrijven, aanteekenen, op muziek zetten, een voordeel behalen,
succes hebben: Four — = 80; All the — in the debate was to him = het
succes in het debat; That was his first and only — = zijn eerste en
éénig succes; That’s your — = uwe rekening; uw aantal punten; The
stamping of the foot and the beating of the — were irritating = en dat
slaan op de partituur; The dancers went off at — = dansten er flink op
los; His little errors in the — of veracity = op het punt der waarheid;
On a new — = van nieuws; On that — = wat dat betreft, in dat opzicht;
On what —? = waarom? On the same — = om dezelfde reden; By —s = bij
hoopen; —s of time = vele malen; Set it down on the — of my headache =
schrijf het toe aan; Put it down to my — = op mijne rekening; To pay
off old —s = oude schulden betalen; To run up a — = een rekening laten
oploopen; To rake up old —s = oude koeien uit de sloot halen; It —s one
for you that you did not get angry = het pleit voor u; He —d heavily =
maakte veel punten, had veel succes; I felt that I had —d = dat het
raak was geweest, dat ik succes had; His —d Greek testament was always
beside him = zijn met aanteekeningen voorzien (bekrabbeld) Gr.
testament; I have —d them off a bit = hun “hun vet” gegeven, heb ze
geraakt: To — out a sentence = een zin uitkrassen; He —d over me = was
mij de baas af; —d through = doorgehaald; — up this glass for me =
schrijf dit glas voor mij op; —r.
Scoria, sköriə, metaalschuim, slak; —c, sköriək, —ceous, skörieišəs,
slakachtig; Scorify = tot slakken worden.
Scorn, skön, subst. hoon, verachting, versmading, (voorwerp van)
bespotting; — verb. verachten, hoonen, versmaden: To laugh to — =
bespotten; I — it = dat is beneden mijne waardigheid; —er; —ful =
verachtelijk, etc.; subst. —fulness.
Scorpion, sköpiən, schorpioen; schorpioenvisch; waterschorpioen
(insect).
Scorzonera, sközənîrə, schorseneeren.
Scot, skot, aanslag, belasting: To pay — and lot = gemeentelijke
belasting betalen, tot den laatsten cent betalen; —-free = vrij van
belasting; ongedeerd, veilig: He came off —-free = hij kwam er
heelhuids af.
Scot, skot, Schot: To be in a — = toornig zijn; Great — = groote
goedheid; —land = Schotland; —land Yard = het hoofdbureau van politie
in London.
Scotch, skotš, Schotsch: The — = de Schotsche natie; — barley =
ongepelde gerst; — cap = muts (linten achter, knoop bovenop); —-hoppers
= hinkebaan; — mist = zeer zware mist; —man = Schot; stuk van twee
shillings (Z.-Afrika).
Scotch, skotš, subst. kerf, snede, schram; — verb. kerven, schrammen:
—ed collops = soort kalfskarbonade.
Scotsman, skotsm’n, Schot; Scotticism = Schotsch taaleigen; Scottish =
Schotsch.
Scoundrel, skaundr’l, subst. schurk, fielt; adj. laag, schurkachtig;
—ism = laagheid, gemeenheid, schurkerij.
Scour, skauə, schuren, afwrijven, varen, gaan, of strijken langs, erg
purgeeren, zuiveren (van vijanden), met vuur uit de flank bestrijken,
doorzoeken, trekken door, rondzwerven; subst. snelle strooming,
spoeling, sterke purgatie: The admiral —ed the seas = veegde de zee
schoon; He was as courageous a dog as ever —ed the woods = door de
bosschen zwierf; —er = sterk purgeermiddel, roover; Scouring: —-drops =
vlekkenwater; —-paper; —-sand = schuurzand.
Scourge, skɐ̂dž, subst. geesel, roede, zweep, plaag; — verb. geeselen,
kastijden, teisteren: Disease —d the country = ziekte teisterde het
land; —r.
Scout, skaut, subst. verkenner, padvinder (= Boy —); oppasser (Oxford),
een “fielder” bij cricket; — verb. verkennen, bespieden; bespotten,
verachtelijk afwijzen: He —ed that idea = wierp dat denkbeeld ver van
zich.
Scow, skau, subst. schouw, praam; — verb. vervoeren in een scow.
Scowl, skaul, subst. boos gezicht, zuur gezicht; — verb. fronsen, zuur
of boos kijken: He —ed at me = keek mij toornig aan.
Scrabble, skrab’l, krabbelen; subst. gekrabbel.
Scrag, skrag, subst. kromme, dorre tak; mager, schraal persoon;
halsstuk (= —-end): — of mutton; —gy = mager, gerimpeld, ruw: Horses
with —gy necks.
Scramble, skramb’l, subst. geklauter, gegrabbel, vechtpartij; — verb.
klauteren, grabbelen: There was a — for it = men vocht er om; I have —d
through my work = heb afgeroffeld; —r; Scrambling = haastig, slordig.
Scranch, skranš, kraken.
Scrap, skrap, subst. brokje, stukje, uitknipsel; — verb. vechten: A —
of a child = kleine peuter; —-book = album met ingeplakte teekeningen,
snippers uit couranten, etc.; —-heap: To go to the —-heap = in verval
geraken; —-iron = oudroest; —ping about for food; —piness =
onsamenhangendheid: His work’s apparent —piness yet has an inner unity
= onmiskenbare onsamenhangendheid; —py = fragmentarisch, met stukjes en
brokjes: In a —py paragraphic form = in telegramstijl.
Scrape, skreip, subst. geschraap, gekras; buiging, dienaresse,
verlegenheid; — verb. schrapen, krassen, afkrabben, wrijven tegen,
bijeenschrapen, buigen: He got into a — = kwam in moeilijkheid; He got
himself into a — = bracht zichzelf in een moeielijkheid; He rather left
his country in a — than be in a — himself = liet liever zijn land in
nood dan er zelf in te zitten; He seemed inclined to — acquaintance
with me = kennis te willen maken; To — one’s feet; To — pigs; The
speaker was coughed and —d down = het hoesten en geschuifel van voeten
belette den spreker voort te gaan; To — up money = bijeenschrapen;
—-penny = schraper; —r.
Scratch, skratš: Old — = de duivel.
Scratch, skratš, subst. krab, schram; kleine pruik (= —-wig); beest
(biljart); streep (bij wedstrijden); adj. saamgeraapt, ongelijksoortig;
— verb. krabben, schrammen, uitkrassen, uitvallen, beesten (bilj.): To
start at — = aan de streep beginnen (geen voorgift krijgen); To bring
to the — = een beslissing doen nemen; To come up to the — = aan de
streep komen, zijn man staan, niet mankeeren, toebijten; To toe the — =
aan de streep staan; A — band = bijeengeraapt muziekcorps; — company; —
crew; All the vehicles were of a — description = een bijeengescharreld
spulletje; We sent him a — invitation = voor den vorm eene invitatie; A
— team = bijeengescharreld spannetje; To — one’s ear = zich achter het
oor krabben; — my head, said the parrot; The plan has been —ed = het
plan heeft men laten varen; I have —ed it out = uitgekrast; —back =
krabber; She was the most obstinate old —-cat in the county = oude kat;
—-man = deelnemer aan een wedstrijd, die aan de streep begint; —-race =
wedstrijd waarbij de ploegen door loting worden geformeerd, of althans
niet aan voorwaarden zijn gebonden; —-wig = kortharig pruikje; —er;
Scratchy = geschramd, bekrast, niet met geregelden slag (bij het
roeien): The crew was — and by no means up to its late form = de
bemanning was niet op slag, en volstrekt niet in zulk een goede
“conditie” als in den laatsten tijd.
Scrawl, skrôl, subst. gekrabbel, kattebelletje; — verb. slordig
schrijven, krabbelen: The paper was —ed over = stond vol hanepooten;
—er; —y = krabbelig; slordig,
Scray, skrei, vischdiefje.
Screak, skrîk, subst. gegil, gekrijsch, gekras; — verb. gillen,
krijschen, krassen.
Scream, skrîm, subst. gil; — verb. gillen; —er = iets ongewoons, iets
om je dood te lachen; It was a —ing farce = een dolle klucht; —ingly
funny = allerdolst.
Screech, skrîtš, subst. geschreeuw, gil, gefluit; — verb. gillen,
gieren, fluiten: The whole assembly —ed with laughter = gierde van
lachen; —-owl = kerkuil of torenuil.
Screed, skrîd, stuk, brok, lange strook land, langgerekte twist of
redevoering, slecht geschreven artikel; — verb. verscheuren.
Screen, skrîn, subst. scherm, schut, maskeering, grove zeef, scheiding;
— verb. beschutten, beschermen, verbergen, maskeeren, uitzoeken,
ziften: Fire —; Folding — = vouwscherm; He —ed us from injury =
behoedde ons voor.
Screw, skrû, subst. schroef, schroefboot, (slecht) salaris, oude knol,
gierigaard, moeielijk examen (Amer.); — verb. schroeven, verdraaien,
vertrekken, afpersen; moeielijk vragen (Amer.): All of a — = geheel
verdraaid; There’s a — loose (somewhere) = het is (ergens) niet recht
pluis, niet in den haak; Have you got your — yet? = hebt ge uw geld al;
He put on the — = zette de duimschroeven aan; He put — on = gaf
“effect” (bilj.); He —ed it out of me = is het van mij te weten
gekomen; — up your courage = verman je; He —ed up his lips = trok een
bedenkelijk gezicht; —-blade = schroefblad: —-driver =
schroevendraaier; —-jack = dommekracht; —-key = schroefsleutel; —-nut =
moer; —-propeller = schroef; —-stairs = wenteltrap; —-steamer =
schroefboot; —-thread = schroefdraad; He was awfully —ed = hij was
stomdronken; —er; —y = gedraaid, afgejakkerd, gierig.
Scribble, skrib’l, subst. gekrabbel; — verb. krabbelen: To — off a
little note; —r.
Scribe, skraib, subst. schrijver, secretaris, copiëerder,
schriftgeleerde; — verb. merken, lijnen trekken: The present — =
schrijver dezes.
Scrimmage, skrimidž, schermutseling, worsteling (om den bal, b.v.).
Scrimp, skrimp, subst. vrek; adj. bekrompen, karig; — verb. beperken,
bekrimpen.
Scrip, skrip, tasch, ransel, briefje, naamlijst; recepis, voorloopig
bewijs (eig. — certificate); —-holder = houder van een scrip.
Script, skript, geschrift, druk in schrijflettervorm; Scriptural,
skriptjur’l, naar de Schrift: — passage = bijbelplaats; Scripturalism =
gehechtheid aan de letter van de Schrift; Scripturalist = die zich
letterlijk aan de Schrift houdt, schriftgeleerde; Scripture, skriptšə,
subst. geschrift, de H. Schrift; adj. naar de Schrift: — History =
Bijbelsche Geschiedenis; — reader = bijbellezer in ziekenhuizen en bij
de armen.
Scrivener, skrivənə, opsteller van documenten en contracten,
geldmakelaar: —’s palsy = schrijfkramp.
Scrofula, skrofjulə, klierziekte; Scrofulous, skrofjulɐs, klierachtig;
subst. —ness.
Scroll, skroul, rol, lijst, krul, concept, lint voor het devies; —
verb. op een rol zetten, concipieeren, oprollen; —-work = lofwerk.
Scrouge, skraudž, dringen, knijpen, afbeulen; ook Scrowdge.
Scrub, skrɐb, subst. versleten borstel of bezem, struikgewas, vrek,
stumper, blokker, werkezel, dwerg, knol; — verb. hard wrijven of
schuren, schrobben, oppoetsen, hard zwoegen; —-oak = dwergeik; —ber =
—bing-brush = luiwagen, boender; —by = klein, onbeduidend, sjofel, met
hakhout bedekt: —by fellows = sjofele lui.
Scruff, skrɐf, nek: He took him by the — of the neck = pakte hem achter
bij zijn nek.
Scrumptious, skrɐmšəs, uitstekend, kieskeurig.
Scrunch, skrɐnš, opknabbelen, vertrappen, verpletteren; —er = slokop.
Scruple, skrûp’l, subst. scrupel; aarzeling, bezwaar; — verb. aarzelen,
bezwaar maken: To have a — = bezwaar maken; Scrupulosity,
skrûpjulositi, subst. v. Scrupulous = nauwgezet, zorgvuldig,
schroomvallig; subst. —ness.
Scrutineer, skrûtinîə, navorscher, stemopnemer; Scrutinize = nauwkeurig
onderzoeken, navorschen; —r; Scrutinous, skrûtinɐs, zorgvuldig,
precies; Scrutiny = nauwkeurig en critisch onderzoek, onderzoek der
uitgebrachte stemmen.
Scud, skɐd, subst. vlucht, wolkenjacht; — verb. snel loopen,
voortijlen, lenzen (scheepsterm): Showery —s = regenwolken; We were
—ding under bare poles = lensden voor top en takel.
Scudo, skûdou, naam voor verschillende oude Ital. munten.
Scuffle, skɐf’l, subst. verwarde strijd of worsteling; — verb. vechten;
—r.
Scull, skɐl, subst. korte roeiriem, soort boot; — verb. met korte
riemen roeien, wrikken; —er.
Scullery, skɐləri, bijkeuken; —-maid = hulp der keukenmeid; Scullion,
skɐlj’n, vatenreiniger, keukenjongen, asschepoester.
Sculptor, skɐlptə, beeldhouwer; vr. Sculptress; Sculptural = tot de
beeldhouwkunst behoorende; Sculpture, skɐlptšə, subst. beeldhouwkunst,
beeldwerk, graveer(snij)werk; — verb. beeldhouwen, snijden, graveeren;
Sculpturesque, skɐlptjuresk, van den aard van beeldwerk.
Scum, skɐm, subst. schuim (ook fig.), metaalschuim, afval, heffe,
uitschot; — verb. afschuimen; —mer = schuimlepel; —mings = afschuimsel.
Scupper, skɐpə, spie- of spuigat = —-hole; —-hose, (—-shoot) = goot
buiten het spiegat om het water af te voeren; —-plug = spiegatstop.
Scurf, skɐ̂f, roofje, korst, afval; —iness, subst. v. —y = met roofjes
bedekt, schurftachtig.
Scurril(e), skɐril, laag, vuil, plat; Scurrility, skəriliti, laagheid,
gemeenheid; Scurrilous, skɐrilɐs, laag, gemeen, vuil.
Scurry, skɐri, drukte, haast, verwarring; — verb. voortsnellen,
wegijlen: Then followed a — for a good seat = geloop.
Scurviness, skɐ̂vinəs, subst. v. Scurvy, skɐ̂vi, subst. scheurbuik; adj.
aan scheurbuik lijdende, schurftig, laag, gemeen, verachtelijk.
Scut, skɐt, kort staartje, b.v. van haas of hert.
Scutate, skjûtit, met schubben of schildjes.
Scutch, skɐtš, vlasbraken: —ing-machine (—-mill) = vlasbraakmachine.
Scutcheon, skɐtš’n, wapenschild; sleutelschild, naamplaatje.
Scutellate(d), skjûtəlit (—eitid), met schildjes of schoteltjes;
Scutelliform = schildvormig = Scutiform.
Scutter, skɐtə, snel wegloopen.
Scuttle, skɐt’l, subst. breede ondiepe mand, kolenbak, luik; vlugge
tred, hardloop; — verb. vlug loopen, rennen; gaten boren in bodem of
zijde van een schip om het te doen zinken; —-butt, —-cask = watervat
(op schepen); —-fish = inktvisch.
Scutum, skjût’m, schild der zwaar bewapende Romeinsche soldaten;
schildvormig plaatje.
Scylla, silə: Between — and Charybdis.
Scythe, saidh, zeis.
Scythia, sithiə, Scythië, de Krim; —n, subst. en adj. (bewoner) van
Scythië of de Krim.
’Sdeath, sdeth, sapperloot.
’Sdainful, sdeinf’l, verachtelijk.