Assever(ate), əsevə(reit), verzekeren, betuigen; Asseveration,

plechtige verzekering.

Assident, asid’nt, bijkomend; subst. bijkomend symptoom: — signs

(symptoms) = bijkomende symptomen.

Assiduity, asidjûiti, onverdroten ijver, vlijt; Assiduities (steeds

meerv.) = dienstvaardigheid, attenties; Assiduous = volhardend,

ijverig; subst. —ness.

Assign, əsain, subst. iemand, wien eigendommen worden overgedragen of

toegewezen; — verb. toewijzen, overdragen, bepalen, aanwijzen: —ed to

his use = hem ten gebruike aangewezen; To — a person a share in a

business = iem. in eene zaak opnemen; —able = toe te schrijven, aan te

wijzen; Assignation, asigneiš’n, toewijzing, afspraak, overdracht;

oproeping; —ee, asinî, curator, gevolmachtigde, boedelberedderaar;

executeur: — in bankruptcy = curator; — in law = door de Rechtbank

aangesteld curator; —ment, toewijzing, overdracht; assignatie.

Assimilable, əsimiləb’l, geschikt tot assimileeren; Assimilate,

əsimileit, (zich) assimileeren, gelijk maken (worden, zijn);

Assimilation, assimilatie.

Assist, əsist, helpen, bijstaan, steunen: — at = bijwonen: To — at a

ceremony; —ance = hulp: To give (lend, render) —; They came to my — =

mij ter hulp; —ant = assistent: Chief — = eerste onderwijzer; Head —,

eerste bediende; — master = onderwijzer, secondant, leeraar.

Assize, əsaiz, subst. rondgaande rechtbank; vastgesteld gewicht,

vastgestelde maat of prijs van levensmiddelen; — verb. den prijs of het

gewicht bepalen, vaststellen (van eene belasting); — of bread; —s,

əsaiziz, zitting der rondgaande rechters (minstens tweemaal per jaar in

de 10 circuits, waarin Engeland en Schotland hiertoe zijn verdeeld);

—ment = inspectie van maten en gewichten; vaststellen der prijzen.

Associability, əsoušiəbiliti, vereenigbaarheid; adj. Associable =

sympathisch; Associate, əsouši-it, verbonden, begeleidend; subst.

metgezel, kameraad, bondgenoot, deelgenoot, lid (een rang lager dan

Fellow of Member); — verb. əsoušieit, vereenigen, verbinden,

vergezellen: To — oneself = eene vennootsch. aangaan, omgaan met;

Association = verbinding, vereeniging, associatie: — foot-ball, volgens

de regels van de Football — van 1863 volgens welke de bal niet met de

handen mag worden aangeraakt.

Assonance, asənəns, assonantie; Assonant = assoneerend; Assonate =

assoneeren.

Assort, əsöt, (as)sorteeren, overeenstemmen (with); verkeeren (with):

An —ed cargo; —ment, assortiment.

Assuage, əsweidž, verzachten, lenigen, doen bedaren; —ment,

verzachting, verzachtend middel.

Assuan, aswân.

Assume, əsiûm, aannemen, zich aanmatigen, zich toeëigenen; op zich

nemen, eischen, aantrekken, voor waar aannemen: He —ed the reins,

command = nam op (zich); To — the debts of a person = overnemen; To —

the responsibility; To — a discourse = het woord nemen (Amer.); —dly =

vermoedelijk.

Assumption, əsɐmš’n, aanneming, opneming, overname, onderstelling,

toeëigening, aanmatiging; Assumtie (15 Aug.); opvatting; Assumptive,

aangenomen, vooropgesteld; aanmatigend.

Assurance, əšur’ns, verzekering, zekerheid; driestheid, zelfvertrouwen,

onbeschroomdheid, onbeschaamdheid; Assure, əšuə, verzekeren, assureeren

(van het leven; van andere dingen insure en insurance); —d, verzekerd,

zeker, zelfbewust, driest; —r, verzekeraar; verzekerde; Assuring =

geruststellend.

Assyria, əsiriə, Assyrië; —n, Assyriër, Assyrisch; Assyriologist;

Assyriology.

Aster, astə, aster.

Asterisk, astərisk, sterretje (*). Asterism, astərizm, gesternte;

driestar ⁂.

Astern, əstɐ̂n, achter (naar of van achteren): To drop (fall) — =

achteruit zakken; Half-speed —, Slow —, Stop!

Asteroid, astərôid, asteroïde.

Asthma, as(t)mə, asthma; Asthmatic, asthmatisch (mensch); adj. =

Asthmatical.

Asthore, astö, lieveling (Iersch).

Astir, əstɐ̂, in beweging: At five o’clock we were all — = bij de hand.

Astonish, əstoniš, verbazen, versteld (raar) doen staan (opkijken);

—ment, verbazing.

Astound, əstaund, ontzetten, ten hoogste verbazen.

Astrac(h)an (Astrakhan), astrakân, astrakan.

Astraddle, əstrad’l, schrijlings.

Astragal, astrəgal, astragaal; kootbeen = Astragalus.

Astral, astr’l, sterre - -: — body = astraallichaam (Theosophie); —

lamp = astraallamp.

Astray, əstrei, verdwaald: To be — in one’s reckoning = in de war zijn;

To go — = verdwalen; To lead — = op een dwaalspoor (verkeerde wegen)

leiden.

Astrict, əstrikt, samentrekken, verstoppen, beperken; —ion,

samentrekking, etc.; —ive, samentrekkend.

Astride, əstraid, schrijlings: — of a chair.

Astringency, əstrinž’nsi, samentrekkende eigenschap; gestrengheid;

Astringent, əstrinž’nt, samentrekkend, streng; stoppend (middel).

Astrolabe, astrəleib, astrolabium.

Astrologer, əstrolədžə, sterrenwichelaar; adj. Astrologic(al);

Astrology, sterrenwichelarij.

Astronomer, əstronəmə, sterrenkundige; Astronomic(al) = sterrenkundig;

Astronomy = sterrenkunde.

Asturian, əstjûriən, Asturisch; Asturiër; Asturias, əstjûrias, Asturië.

Astute, əstjût, slim, sluw, schrander; —ness = slimheid, etc.

Asunder, əsɐndə, vaneen, gescheiden: To break (cut, fall, go, rend) —.

Asylum, əsail’m, asyl, toevluchtsoord: Lunatic — =

krankzinnigengesticht; Orphan — = weeshuis; — for the deaf and dumb

(for homeless poor) = doofstommeninstituut (asyl voor dakloozen).

Asymmetric(al), asimetrik(’l), asymmetrisch; subst. Asymmetry.

Asyndeton, əsindət’n, asyndeton.

At, at, tot, te, aan, op, in, bij, van, etc.: — all = soms, nog: If I

come — all; Not — all = geenszins; — break of day = bij het aanbreken;

— first = in den beginne; — full gallop; — your hands = van u; —

haphazard = op goed geluk af; — home = tehuis; ontvangdag; adv. thuis,

op zijn gemak; — last, — length = eindelijk, ten slotte; To be — law =

procedeeren; To be — a loss = verlegen; — most = op zijn hoogst; — once

= ineens, zoowel als: — once his aunt and housekeeper; — one: To be —

one = het eens zijn; — peace = in vrede; — sea = op zee; in ’t

onzekere, de plank mis, in de war; — that = en als zoodanig: A

third-rate entertainment and dull — that = en als zoodanig, en dan nog

saai; — war = in oorlog; I did not know what he would be — = heen

wilde; The majority was returned — 152 = bedroeg; The house rose — her

= de aanwezigen stonden op bij hare binnenkomst.

Atabal, atəb’l, Moorsche keteltrom.

Ataghan, atəgan, jatagan, kromme Turksche dolk.

Ataunt(o), ətônt(ou) = met alle zeilen bij: To put — = in orde brengen.

Atavism, atəvizm, atavisme, erfelijkheid; Atavistic, atavistisch.

Ate, eiti.

Ate, et of eit, Past Imp. van to eat.

Atelier, atəlîə of əteljə, atelier.

Athanasian, athəneiž’n, van Athanasius: The — Creed; subst. aanhanger

van die leer.

Atheism, eithiizm, Atheisme; Atheist, atheist; Atheistic(al),

atheistisch.

Athelstan, ath’lstən.

Athen(a)eum, athənîəm, athenaeum.

Athenian, əthînj’n, Athener; Atheensch; Athens, ath’nz, Athene.

Athirst, əthɐ̂st, dorstig; gretig: — (for).

Athlete, athlît, athleet; Athletic, athletisch: — club (games, sports);

—s = athletiek; Track —s = oefeningen in hardloopen; Athleticism,

Athletism = krachtsport, spierkracht.

Athwart, əthwöt, overdwars, dwars, scheef: — the stream = dwarsstrooms.

Atilt, ətilt, voorover (gebogen), wankelend, met gevelde lans: To run —

= aanvallen (at).

Atkins, atkinz: Tommy — = algemeene naam voor den Engelschen soldaat.

Atlantean, atəntîən, atlantisch; Atlas - -; Atlantes, atlantîz,

Atlanten.

Atlantic, atlantik, Atlantisch; subst. Atlantische Oceaan = — Ocean.

Atlantides, atlantidîz, de Pleiaden.

Atlas, atləs, Atlas; atlas (ook de stof); atlas formaat (= —-folio);

eerste halswervel.

Atmology, ətmolədži, verdampingsleer; Atm(id)ometer, atm(id)omətə,

verdampingsmeter.

Atmosphere, atməsfiə, dampkring; omgeving; Atmospheric: — engine =

luchtdrukmachine; — stone = meteoor.

Atoll, ətol of atəl, atol.

Atom, at’m, atoom; zonnestofje; Atomic = atoom ...; —ism =

atoomtheorie; —ize = in atomen ontleden; Atomology; atoomtheorie; Atomy

= skelet, dwerg.

Atone, ətoun, boeten, vergoeden, verzoenen; —ment = verzoening, boete:

— Day = Groote Verzoendag.

Atop, ətop, bovenop (of).

Atrip, ətrip, uit (vrij van) den grond (van een anker); in top

geheschen: The bells in the tower were all — = zoo hoog mogelijk

opgetrokken, dus: werden hard geluid.

Atrium, eitriəm, atrium.

Atrocious, ətroušəs, afgrijselijk, gruwelijk, wreed, verfoeilijk;

Atrocity, afgrijselijkheid.

Atrophy, atrəfi, subst. atrophie; verb. uitteren, wegkwijnen.

Attach, ətatš, (vast)hechten, verbinden, vastknoopen, gevangen (in

beslag) nemen; attacheeren: Eternal shame would have —ed to England for

allowing such barbarity = het zou E. tot eeuwige schande gestrekt

hebben; This penalty —es to offenders = wordt gegeven aan; —able =

verbindbaar, enz.; —ment, verbinding, aanhankelijkheid, liefde; arrest,

beslag.

Attack, ətak, subst. aanval; — verb. aanvallen; —er, aanvaller.

Attain, ətein, bereiken, verkrijgen: He —ed his end = bereikte zijn

doel; —ability, bereikbaarheid; —able, bereikbaar, verkrijgbaar; subst.

—ableness; —ment, bereiking, het verkregene; —ments = kundigheden,

talenten.

Attainder, əteində, eerverlies: A Bill of — was brought into Parliament

= wetsontwerp tot gevangenneming en verlies van burgerschapsrechten

wegens hoogverraad.

Attaint, əteint, subst. smet; — verb. bevlekken, besmetten, bezoedelen,

van verraad beschuldigen; vervallen verklaren van zijne rechten; —ment

= —ure = eerverlies.

Attar, atə, essence.

Attemper, ətempə, matigen, temperen, verzachten, vermengen, geschikt

maken voor.

Attempt, ətem(p)t, subst. poging; aanslag; — verb. trachten, pogen,

aanvallen, een aanslag doen: —ed murder = poging tot moord; They —ed

(made an — upon) the life of the king = deden een aanslag op.

Attend, ətend, vergezellen, oppassen, behandelen, bijwonen, zijne

opwachting maken; luisteren, verhooren (to), uitvoeren, nauwkeurig

letten op: To — a meeting, concert = bijwonen; I cannot — any more

pupils = hebben; To — church, school = bezoeken; The queen was —ed by

the court = vergezeld; You do not — to what he says = let niet op; To —

to the door = open doen; It is —ed with fever = gaat gepaard met;

Attendance, dienst, bediening, behandeling, tegenwoordigheid,

bediendenstoet: List of —(s) = presentielijst; The smallness of the — =

het geringe bezoek; The people in — = bedienende personen; A carriage

was in — = stond klaar; To dance — (on) = lang moeten wachten;

naloopen; —-officer = ambtenaar, met de zorg voor het (verplicht)

schoolbezoek belast; Attendant, subst. geleider, bediende, oppasser,

bezoeker: (—s = gevolg); adj. vergezellend, verbonden met, aanwezend

(on): A dinner, — on the opening of the building = gegeven ter

gelegenheid van.

Attention, ətenš’n, oplettendheid, beleefdheid: To call — to = vestigen

op; To give (pay) — to = schenken aan; He paid her many —s = was zeer

galant, maakte haar het hof; The soldiers stood at — = in de positie

“geeft acht”; Attentive = oplettend.

Attenuate, ətenjueit, verb. verdunnen, verminderen, verzachten,

vermageren; adj. (ətenju-it) verdund, vermagerd, verminderd, spits;

Attenuation = verdunning, etc.

Attest, ətest, subst. attest; — verb. getuigenis afleggen van,

betuigen, bevestigen; —ation, attest; beëediging; —er, getuige.

Attic, atik, adj. Attisch; subst. attica, dakkamertje, bovenverdieping;

— bird = nachtegaal; — faith = onkreukbare trouw; — salt = — wit = fijn

vernuft; —ism = Attisch gezegde (dialekt).

Attire, ətaiə, kleeden, uitdossen, optooien; subst. kleeding, kleedij,

opschik; gewei: Head — = hoofdtooi; —-woman = kamenier; Attiring =

opschik.

Attitude, atitjûd, houding: — of mind = gemoedstoestand; To strike an —

= een theatrale houding aannemen = To attitudinize; Attitudinizer =

poseur.

Attle, at’l, gesteente zonder erts.

Attorn, atɐ̂n, overdragen; huldigen; subst. —ment.

Attorney, ətɐ̂ni, procureur; gevolmachtigde; —-general =

Procureur-generaal; Letter, Power, Warrant of — = volmacht, procuratie;

—ship, procureurschap.

Attract, ətrakt, aantrekken, tot zich trekken, lokken, boeien: In these

sketches the reader will find much to — = veel aantrekkelijks; —able =

aan aantrekking onderworpen; —ion = aantrekking(skracht): —ion of

cohesion = cohesie; —ive, aantrekkelijk: —ive power =

aantrekkingskracht; subst. —iveness.

Attributable, ətributəb’l, toe te schrijven; Attribute, atribjût,

eigenschap, attribuut; Attribute, ətribjut, toeschrijven; Attribution =

toeschrijving; toekenning. Attributive = attributief; attribuut.

Attrite, ətrait, berouwvol (uit angst voor straf); —d = geschaafd,

afgesleten; Attrition = afschaving, het gesleten zijn; berouw (uit

vrees voor straf, etc.).

Attune, ətjûn, stemmen, doen harmonieeren: An ear —d to music.

Atwain, ətwein, in tweeën, gescheiden.

Aubade, əbâd, aubade.

Auburn, ôbən, kastanjebruin.

Auch, ôtš: —, you hurt = au! dat doet pijn.

Auction, ôkš’n, openbare verkooping bij opbod; ook verb.: — mart =

venduhuis; — sale; To put up to — (for sale by public —) = To sell by —

= veilen; Dutch — = verkooping bij afslag; The auctioneer (ôkšənîə)

repeated his “going, going, gone” = de afslager herhaalde zijn

“Eerstemaal, andere maal, derdemaal”.

Audacious, ôdeišəs, onverschrokken; brutaal, onbeschaamd; Audacity,

onverschrokkenheid, etc.

Audibility, ôdibiliti, hoorbaarheid; Audible = hoorbaar; subst. —ness.

Audience, ôdj’ns, gehoor; audientie, auditorium, toehoorders, lezers:

To give — to = aanhooren; audientie verleenen; To draw large —s = veel

publiek trekken; — of leave = afscheidsaudientie; —-chamber.

Audit, ôdit, subst. onderzoek en nazien van rekeningen en boeken en

opmaking van balans; balans, rekenschap; ook verb. = verifieeren: Final

— = Oordeelsdag; Commissioners of — = college van

comptabiliteitsambtenaren; Exchequer and — Department = rekenkamer aan

’t hoofd waarvan de Comptroller and —or General staat; —-office = Afd.

Comptabiliteit; —or = toehoorder; accountant; —orium = auditorium; —ory

= gehoor - -: —ory nerve = gehoorzenuw.

Augean, ôdzîən, van Augias: To cleanse the —-stables = Augiusstal.

Auger, ôgə, avegaar.

Auget, ôdžət, leigoot voor de zundpijp.

Aught, ôt, iets, wat ook, in eenig opzicht; subst. iets: For — I know =

voorzoover ik weet; He may go there, for — I care = voor zoover mij

betreft.

Augment, ôgm’nt: Syllabic — (Grieksche gram.).

Augment, ôgment: vermeerderen, vergrooten, toenemen; —ation,

vermeerdering, etc.; —ative, vermeerderend, etc.

Augur, ôgə, subst. waarzegger (bij de Romeinen) uit vlucht en het

geschreeuw van vogels; — verb. gissen, voorspéllen: That —s well for

our happiness = belooft veel voor; Augural = Augurial = voorspellend;

Augury, ôgjuri, voorspelling.

August, ôgəst, Augustus: It will be a cold day in — before she sees me

again = ’t zal lang duren; Augustan, ôgɐstən, den keizer A. betreffend;

Augsburgsch: — confession = Augsburgsche geloofsbelijdenis (1530).

August, ôgɐst, grootsch, verheven, doorluchtig; —ness, grootschheid,

etc.

Augustin(e), ôgɐstin, of ôgəstin, Augustinus; Augustijner monnik;

Augustinian, ôgəstinj’n, aanhanger van de leer v. A. Augustijner

monnik; Augustijnsch; Augustus.

Auk, ôk, alk.

Aula, ôla, Aula; Aularian, ôlêrj’n, tot eene aula behoorende.

Aulic, ôlic, tot een koningshof behoorend.

Aunt, ânt, tante (= —ie, —y = tantetje); — Sally = eene pop met eene

pijp in den mond die er van zekeren afstand met stokken moet worden

uitgegooid.

Aural, ôr’l: — surgeon = oordokter.

Aurate, ôrit, goudkleurig, goudhoudend; Aureate, ôriit, goudgeel,

verguld.

Aurelia, orîljə, Aurelia; pop van een insect; —n, pop - -;

kapellenverzamelaar.

Aureola, ôrîələ, Aureole, ôrioul, stralenkrans, lichtkrans.

Auric, ôrik, goud - -.

Auricle, ôrik’l, oorschelp: — of the heart = hartoor.

Auricula, ôrikjulə, aurikel.

Auricular, ôrikjulə, oor - -: — confession = oorbiecht; — tradition =

mondelinge overlevering; Auriculate(d), oorvormig, geoord.

Auriferous, ôrifərɐs, goudhoudend.

Auriform, ôriföm, oorvormig; Auriscalp, ôriskalp = oorlepeltje;

Auriscope = oorspiegel; Aurist = oorarts.

Aurochs, auroks, ôroks, auerochs.

Aurora, ôrôrə, Aurora; morgenrood, dageraad: — australis = Zuiderlicht;

— borealis = Noorderlicht; adj. —l.

Aurungzebe, ôrɐŋgseb, ôrɐŋgzeib.

Auscultate, ôskəlteit, ausculteeren; Auscultation, ôsk’lteiš’n, medisch

onderzoek van longen of hart met behulp van den stethoscoop;

Auscultator, ôsk’lteitə, stethoscoop; auscult. geneesheer.

Auspicate, ôspikeit, onder gunstige voorteekenen aanvangen; Auspice,

ôspis, waarzeggen uit vogelvlucht: —s = auspiciën, voorteekens,

leiding, bescherming: Under favourable —s; Under the —s of =

bescherming van; Auspicious = gunstig (gezind); subst. —ness.

Austere, ôstîə, streng, norsch, stuursch; wrang; matig, eenvoudig;

Austerity, strengheid, etc.; kastijding.

Austin Friars, ôstin fraiəz, Augustijner monniken.

Austral, ôstr’l, Zuidelijk; Austraal: — pole (der magneetnaald);

—-signs = de zes zuidelijke teekens van den Dierenriem.

Australasia, ôstrəleišiə, Australia + Tasman., New Zeal., en de

Fiji-eil.; of, dit alles + New Guin., New Cal., New Hebr., etc.; adj.

Australasian; Australia = Australië; Australian = Australisch;

Australiër.

Austria, ôstriə, Oostenrijk; Austrian = Oostenrijksch; Oostenrijker.

Authentic(al), ôthentik(’l), authentiek, betrouwbaar, geloofwaardig,

echt; Authenticate = authentiseeren, verifieeren, legaliseeren,

bekrachtigen; subst. Authentication; Authenticity = geloofwaardigheid,

echtheid.

Author, ôthə, schepper, schrijver; bedrijver, aanlegger, bewerker: — of

an outrage; The — of her misery; —ess = schrijfster; —ship =

auteurschap.

Authoritative, ôthoritətiv, gemachtigd, gebiedend, autoritair,

gezaghebbend; subst. —ness; Authority, ôthoriti, autoriteit, aanzien,

gewicht, invloed; gezag, man van gezag, machtiging: Misuse of — =

misbruik van gezag; He is no — on the subject; On the — of = in

opdracht van, op grond van; We have it on the best — = have high — for

saying = uit zéér vertrouwbare bron; Authorization = autorisatie;

Authorize = autoriseeren, machtigen: —d Version = Engelsche

bijbelvertaling (1611), ongeveer onze Statenvertaling.

Autobiographer, ôtəbaiogrəfə, autobiograaf; Autobiographic =

autobiographisch; Autobiography = autobiographie.

Auto-car, ôtəkâ, automobiel.

Autochthon, ôtok-th’n, ôtok-thoun, oorspronkelijke bewoner; wat aan een

land eigen is, of aldaar zijn oorsprong had; —al = —ous =

oorspronkelijk.

Autocracy, ôtokrəsi, autocratie: Autocrat = autocraat; Autocratic(al) =

autocratisch.

Auto da fé, ôtədâfei, auto-da-fé.

Autogenous, ôtədžinɐs, zelfvoortbrengend; Autogeny = zelfontstaan.

Autograph, ôtəgraf, autograaf; —ic, ôtəgrafik, autographisch;

Autography = autographie.

Automatic(al), ôtəmatik(’l), automatisch: — machine = automaat;

Automaton, ôtoməton, automaat.

Automobile, ôtəmoubil of ôtəməbîl, automobiel; Automobilism =

automobielsport; Automobilist = automobilist.

Autonomic(al), ôtənomik(’l), autonoom = Autonomous, Autonomy =

autonomie.

Autopsia, ôtopsiə; Autopsy, ôtəpsi, persoonlijke waarneming, autopsie;

lijkschouwing; Autoptical = uit eigen aanschouwing.

Autotype, ôtətaip, autotypie; — verb. door middel hiervan

vermenigvuldigen.

Autumn, ôt’m, herfst; verb. rijpen (laten); Autumnal = herfst ...: —

Equinox.

Auxiliar, ôgziljə = Auxiliary, ôgziljəri, adj. hulp verleenend, hulp

...: — forces (troops); — subst. helper, bondgenoot, hulpwerkw. = —

verb; Auxiliaries = hulptroepen.

Avail, əveil, baten, helpen, uitwerken; subst. baat, hulp, nut: It was

to little — = het baatte zoo goed als niets = It was of no —, without

—; —s = bedrag, opbrengst (Amer.); What can it possibly —? = met

mogelijkheid uitwerken, waartoe kan het in vredesnaam dienen? I have

—ed myself of that opportunity = gebruik gemaakt, geprofiteerd van;

Availability = bruikbaarheid, enz.; Available, bruikbaar, beschikbaar,

ter dispositie, geldig: I have no — money at this moment = beschikbaar;

There were no — candidates for that post = geschikte; — for three days

= geldig; — for wheeled carriages = bruikbaar; — to the meanest

understanding = bevattelijk.

Avalanche, avəlânš, sneeuwval; Avalanchine praise = overdreven lof.

Avarice, avəris, gierigheid, hebzucht; Avaricious = gierig, hebzuchtig,

karig met (of); subst. —ness.

Avast, əvâst, stop!

Avatar, avətâ of avətâ, de vleeschwording der Godheid (Hind. Myth.);

voorwerp v. vereering; openbaring.

Avaunt, əvônt, weg van hier!

Ave, eivi of âvə, interj. Heil! Welkom! Vaarwel! Ave Maria = — Maria,

âvə mərîə; —-bell = het angelus.

Avenaceous, avəneišəs, haverachtig.

Avenge, əvenž, wreken, straffen: I’ll be —d on you = gij zult mij

satisfactie geven; —r = wreker: —r of blood.

Avens, av’nz, nagelkruid.

Aventail(e), av’nteil, vizier (van een helm).

Aventine, av’ntain, subst. Aventinus; toevluchtsoord; adj. Aventijnsch.

Avenue, avənjû, toegang, oprijlaan, allee; breede met boomen beplante

straat (Amer.).

Aver, əvɐ̂, betuigen, verzekeren; beweren; —ment = betuiging,

bewijsvoering.

Average, avəridž, subst. doorsnee, de gemiddelde hoeveelheid, het

gemiddelde; averij; adj. in doorsnee, gemiddeld, gewoon; — verb. het

gemiddelde nemen, gemiddeld bedragen: General — = averij gros;

—-adjuster (= Averager) = dispacheur; At (On, Upon) an — = gemiddeld;

Let us strike an — = het gemiddelde nemen; — amount = gemiddeld bedrag;

The — Englishman = de gewone; — price = gemiddeld; — sample =

doorsneemonster; Being of the — stamp (order) = van het gewone slag; We

—d two hares a day = schoten gemiddeld; They — about 50 lbs each =

wegen gemiddeld; They — £100 each = hebben een doorsneeprijs; The

blacksmith —d the soldier with a glance = nam hem met één blik op.

Avernal, əvɐ̂n’l, van den Avernus; helsch.

Averruncate, avərɐŋkeit, uitroeien; Averuncator = boomschaar, snoeimes.

Averse, əvɐ̂s, afkeerig: He was — to (from) all work; —ness, tegenzin,

afkeer (to, for) = Aversion: My pet — = mijn grootste antipathie;

Avert, əvɐ̂t, afwenden, afkeeren; Avertible = afwendbaar.

Aviary, eivjəri, volière.

Aviate, eivieit, avieit, vliegen; Aviation, eivieiš’n, avieiš’n,

luchtvaart; Aviator, eivieitə, avieitə, aviateur, vliegenier; Aviatory

trespass = een met een vliegtoestel begane overtreding.

Aviculture, eivikɐltjə, vogelteelt.

Avid, avid, gretig, begeerig (of, for); Avidity = begeerte, etc.

Avocation, avəkeiš’n, roeping, werk; bijbaantje, afleiding.

Avoid, əvôid, vermijden, mijden; opheffen, ongeldig maken; vrijkomen:

He could not — doing it = moest het wel doen; —able: Not — =

onvermijdelijk; —ance, vermijding; vacature; herroeping: In (the) —ance

of = om te vermijden.

Avoirdupois, avədjupôiz, Engelsch gewichtsstelsel, behalve voor goud,

zilver, juweelen en geneesmiddelen (het E. pound daarvan heeft 16

ounces): To reduce one’s — = gewicht.

Avon, eiv’n, av’n, rivier; Avondale, av’ndeil.

Avouch, əvautš, betuigen, verzekeren; subst. getuigenis; —ment,

betuiging, etc.

Avow, əvau, belijden, erkennen; —able = te erkennen; —al = bekentenis,

belijdenis; —ee, əvauî. (Zie Advowee).

Avuncular, əvɐŋkjulə, een oom betreffend.

Await, əweit, verwachten, afwachten, verbeiden; te wachten staan.

Awake, əweik, verb. ontwaken, zich bewust worden (to); wekken; adj.

wakker: He awoke from his stupor = ontwaakte uit zijne verdooving; That

call will — the dead; He is wide — = klaar wakker; “gaar”; I am — =

weet er alles van; I am — to all that you say = ik begrijp, doorzie.

Awaken, əweik’n, wekken, levendig maken: —ning-books = tractaatjes.

Award, əwöd, subst. oordeel, uitspraak, beslissing, toegekende

belooning (straf); — verb. toekennen, toewijzen, beslissen: He was —ed

the first prize = The first prize was —ed (to) him; —er,

scheidsrechter.

Aware, əwêə, bewust, onderricht: To be — of = merken, bewust zijn,

weten.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 6 / 141 段