bevechten, laten vechten: A hand-to-hand — = man tegen man; A running —
= het nazetten van en vuren op een vluchtenden vijand; Single — =
tweegevecht; To make a brave — = zich kranig houden; To show — = de
tanden laten zien, zich te weer stellen; I will — you = ik daag je uit;
To — shy of = uit den weg gaan, vermijden; To — a battle = slag
leveren; To — a duel = duelleeren: To — the tiger = dobbelen (Amer.);
He fought his way through the crowd = baande zich met geweld een weg;
We will — it out together = het samen uitvechten; —er = vechter,
vechtersbaas, boxer; —ing-alliance = of- en defensief verbond;
—ing-cock = kemphaan; The —ing efficiency of our fleet = vechtvermogen;
—ing-top = mars (op een oorlogschip).
Figment, figm’nt, vinding, verdichtsel.
Figuline, figjul(a)in, pottebakkersaarde, vaas van kunstaardewerk.
Figurant(e), figjurânt, figurant (ook fig.).
Figurate, figjureit, gefigureerd; Figuration, figjureiš’n,
voorstelling, afbeelding, type; Figurative, figjurətiv, figuurlijk,
zinnebeeldig, bloemrijk.
Figure, fig(j)ə figuur, vorm, voorkomen, gedaante, gestalte, beeld,
afbeelding, persoonlijkheid, voorbeeld, pracht, prijs, cijfer, de
passen (bij het dansen); — verb. vormen, afbeelden, voorstellen,
figuurlijk gebruiken, figureeren, figuren vormen, met figuren
versieren, becijferen, cijferen: What a — you are = wat zie jij er uit!
What is the —? = op hoeveel komt dat? Trustworthy —s = vertrouwbare
cijfers; To be bad at —s = een slecht rekenaar zijn; He cuts (makes) a
good (poor) — = een goed (treurig) figuur; To go the whole — = al het
mogelijke doen; He lives in — = hij voert een grooten staat; To sell at
a great — = voor hoogen prijs; I will not sell it under three —s =
onder £100 (= 3 cijfers); He —d down several couples with his amiable
partner = hij danste (in den country-dance) tusschen de rij der dansers
door; We have —d it out = het uitgerekend; It is easy to — these sums
up = op te tellen; —-head = vóórsteven- of galjoenbeeld; —-maker =
modelleur; —-weaver = damastwever; —d = gebloemd, met figuren;
Figurette, figjuret = Figurine, figjurîn, beeldje.
Fiji, fîdži: — Islands; Fijian, fîdžiən, (bewoner, taal) van F.
Filament, filəment, vezel, draad, meeldraad; Filamentous = vezelig,
draderig.
Filander, filəndə, filandə, soort van kangoeroe; soort ingewandsworm;
—s = ziekte bij valken.
Filbert, filbət, hazelaar, hazelnoot; —-nails = bolle, spits
toeloopende, sierlijke nagels.
Filch, filš, stelen, kapen; —er = dief.
File, fail, subst. snoer, draad, rist papieren (met datum, korte
inhoud, etc. op de rugzijde), lijst, catalogus, rot (mil.); vijl,
geslepen vent; — verb. aanrijgen aan een file, deponeeren in ’t
archief, indienen van stukken, in rotten marcheeren, vijlen, afvijlen,
glad maken; The rank and — = het kader en de manschappen; On — =
stelselmatig gerangschikt; Indian (Single) — = eendenmarsch; The
soldiers —d off = marcheerden af in eene rij achter elkaar; —, please =
wil de zaak als afgedaan beschouwen; —-cutter = vijlmaker; —-leader =
voorste soldaat van een File; Filings = vijlsel.
Filial, filj’l, kinderlijk: Filiation = affiliatie.
Filibeg, filibeg = Kilt.
Filibuster, filibɐstə, subst. vrijbuiter, roover; obstructionist (Amer.
= —er); — verb. op roof of buit uitgaan: A —ing expedition = rooftocht.
Filices, filisîz, orde der varens; Filical = tot de varens behoorende;
Filiciform = varenvormig; Filicoid = fern-like.
Filiform, filiföm, draadvormig, dun.
Filigree, filigrî, subst. filigraan; ook adj. —d = met filigraan
versierd.
Fill, fil, subst. bekomst, hoeveelheid tot vulling; — verb. vullen,
volstoppen, verzadigen, bevredigen, bezetten, bekleeden, volbrassen;
vol worden: I have eaten and drunk my — = volop gegeten en gedronken;
She has fretted her — = is uitgemokt; To gaze one’s — at = zich zat
zien aan; Two —s of tobacco = pijpjes tabak; To — the bill = aan alle
eischen voldoen; To — an order = een bestelling uitvoeren; To — parts =
rollen bezetten; To — sails = zeilen doen zwellen; To — teeth (Amer.
voor to stop); To — in = dichtstoppen, dempen, aanvullen: The article
was —ed in = het artikel werd geplaatst; His face —ed out = werd
dikker; Shall I — you out a glass = vullen? To — up = geheel innemen,
vol maken of worden; dempen: To — up a vacancy (a canal); The loan was
—ed up = werd volteekend; The ship —ed up with water there = nam daar
voldoenden watervoorraad in; —er = vuller, trechter, vulsel, stopwoord;
—ing-in pieces = vulstukken.
Fillet, filət, subst. band (om het hoofd of om het haar), filet;
lendestuk, vleesch zonder been (als schijf of rollade opgediend),
lijst; — verb. met een hoofdband omringen of binden, versieren, tot een
schijf of rollade maken, met lijsten versieren.
Fillibeg, zie Filibeg; Fillibuster, zie Filibuster.
Fillip, filip, subst. knip (voor den neus); aansporing; — verb. knippen
(met de vingers): To give a — = aanzetten.
Filipeen, filipîn, filipîn, filippine.
Filly, fili, merrieveulen, wildebras.
Film, film, subst. vlies, film (phot.); — verb. met een vlies bedekken:
The pools were —ed with frost = er lag een vliesje ijs op; subst.
—iness; adj. —y = vliezig, zeer dun, fijn; —y-fern = schildvaren.
Filter, filtə, subst. filter, filtreer, zeef; — verb. filtreeren,
ziften; —ing-bag = doorzijgzak; —ing-machine = filtreermachine;
—ing-paper = filtreerpapier; —ing-stone = poreuze steen.
Filth, filth, vuiligheid, vuilnis, ook fig. = —iness; adj. —y.
Filtrate, filtreit, subst. filtraat; — verb. filtreeren; subst.
Filtration.
Fin, fin, vin: Pectoral and ventral — = borst- en buikvin; —-footed,
—-toed = met zwemvliezen aan de pooten.
Finable, fainəb’l, beboet- of bekeurbaar.
Final, fain’l, laatste, eind..., slot..., beslissend, finaal; subst.
beslissingswedstrijd: —-cause = einddoel: He does not believe in
—-causes = hij ontkent de teleologie; — decision = eindbeslissing; —
proof = afdoend bewijs; — success = succes ten slotte; —ity, fainaliti,
eindtoestand, volkomenheid; —ly = ten slotte.
Finance, f(a)inans, fainəns, subst. financiewezen: —s = geldmiddelen,
fondsen; — verb. de financiën besturen, geldelijk ondernemen of
steunen: He —s the paper = hij neemt de geldelijke uitgaven op zich;
Many people —d the movement = steunden de beweging geldelijk; He —d his
nephew = voorzag van geld; Financial, finanš’l, geldelijk; Financialist
= Financier, fa(i)nansîə, finansîə.
Finch, finš, vink: A —-backed cow = (op den rug) gestreepte of wit
gevlekte koe.
Find, faind, subst. ontdekking, vondst; — verb. vinden, ontdekken,
bevinden, verklaren, uitspraak doen, enz.: Will you — me a pen = voor
mij zoeken? She was to — linen = zou zorgen voor; We took furnished
apartments, only —ing plate and linen = moesten alléén voor eigen
zilver en tafellinnen zorgen; I could not — it in my heart to do it =
ik kon het niet over mijn hart verkrijgen; The jury found for the
defendant = de gezworenen spraken den aangeklaagde vrij; A bill was
found for the case = er werd in de zaak (door de Grand Jury)
rechtsingang verleend; She could not — herself in dresses out of that
money = zij had niet genoeg kleedgeld; I will — you in pocket-money =
ik zal je zakgeld geven; This small sum has to — me in everything = van
dit sommetje moet ik alles bekostigen; He is well found in everything =
hij zit goed in z’n spulletjes; B. is well found in hotels = goed
voorzien van; Our privateers were not so well found as the enemy’s =
waren niet zoo goed van alles voorzien; I will try to — it out =
ontdekken; Then the young scholar found himself = toen vond de jonge
geleerde een hem passenden werkkring; —-fault = bedilal; —-spot =
vindplaats; —er = vinder, zoeker (kijker), visiteur, speurhond; —ing =
resultaat, uitspraak; —ings = (vooral schoenmakers) benoodigdheden,
enz., waarvoor de werkman zelf moet zorgen (Am.); —ing-store = winkel
voor schoenmakersbenoodigdheden (Amer.).
Fine, fain, subst. einde; geldboete; — verb. beboeten: In — = kortom,
ten slotte.
Fine, fain, fijn, teer, dun; schoon, elegant, uitstekend, sluw, scherp,
spits, zuiver; helder, klaar; — verb. klaren (down), zuiveren,
frisschen, affineeren: A — whist-player = goed; The — flower of the
aristocracy; I have run it very — = ik heb het er precies afgebracht,
het was “er aan toe”; — arts = fraaie kunsten; —-draw = een scheur
haast onzichtbaar stoppen; dun uitrekken; —-drawn = erg gezocht (fig.);
—-spoken = fraaie woorden gebruikend; met gladde tong; —-spun = fijn
(uit)gesponnen; —-still = distilleeren uit bijprodukten der
suikerraffinaderij; —-stuff = pleisterkalk; —ness = fijnheid,
zuiverheid, etc.; —r = frisscher; —ry = mooie kleeren, opschik,
opzichtigheid; affinerie; Fining-pot = affineerkroes.
Finesse, fines, subst. sluwheid, handigheid, list; — verb. list
gebruiken.
Finger, fiŋgə, subst. vinger, vingerbreedte, (-lengte),
vingervaardigheid; — verb. betasten, bevoelen, ontfutselen, met de
vingers bespelen: He has his — in it = hij is erbij betrokken; He has
his — in every man’s pie = heeft overal de hand in; I have it at my
—-ends (fingers’ ends) = ik ken het op mijn duimpje; He shook his — at
me = dreigde mij met opgeheven vinger; I won’t stir a — = ik steek geen
hand uit; He was —ing his watch-chain = beuzelde met; —-alphabet,
—-and-sign-language = vingerspraak; —-board = nek van een
snaarinstrument, manuaal (van piano of orgel); —-bowl (—-glass) =
vingerglas (om na het diner de vingers in af te spoelen); —-plate =
deurplaat; —-post = handwijzer; —-prints = vingerindrukken; —-reading =
lezen door blinden; —-stall = vingerling; —ed = gevingerd: The —ed
gentry = de Heeren dieven; —ing = aanraken met de vingers, fijn werk
voor de vingers, vingerzetting.
Fingerling, fiŋgəliŋ, jonge forel.
Finial, finiəl, kruisbloem, Gothische puntversiering, krullen (bij ’t
schrijven).
Finical, finik’l, Finicking (Finikin), finikiŋ(n), gemaakt, overdreven,
kieskeurig.
Finis, fainis, einde, slot.
Finish, finiš, eindigen, voltooien, besluiten, de laatste hand leggen
aan, afwerken, apprêteeren, opgebruiken, opeten, uitdrinken, zijn
bekomst geven, dooden, ophouden; subst. afwerking, voltooiing, einde
(van den wedstrijd), laatste hand aan iets; pleisterkalk; It was a
fight to the — = tot de beslissing viel = They fought to a —; That —ed
him = toen had hij genoeg, was hij dood; —ing-coat = derde of laatste
laag (verf of pleister); —ing-school = meisjeskostschool waar de
laatste hand aan de opleiding wordt gelegd.
Finite, fainait, subst. persoonsvorm (tegenover den Infinitive) van een
werkwoord; adj. eindig; subst. —ness.
Finland, finland; —er = Finn = Fin; Finnic = Finnish = Finsch,
Finlandsch.
Finnikin, finikin, soort van gekuifde duif.
Finny, fini, gevind.
Fionia, fiounjə, Funen.
Fions, faiənz, half-mythische krijgslieden in Ossian’s gedichten.
Fiord, fjöd, fjord.
Fir, fɐ̂, den, denneboom, zilverspar; —-apple, —-cone = pijnappel;
—-poles = juffers; —-tree.
Fire, faiə, subst. vuur, brand, hitte, licht, gloed, hartstocht, het
schieten, hel; — verb. in brand steken, afvuren, afschieten, aanvuren,
stoken, bakken (van porselein), ontbranden, ontvlammen, een carillon
luiden: The house is on — = in brand; We were under — = aan ’t vuur
(des vijands) blootgesteld; To catch — = vuur vatten; The piece hangs —
= heeft geen succes; He went off to sleep, but I hung — = maar ik kon
den slaap niet vatten; The affair hung — = hokte; My gun missed — =
ketste; They opened a raking — = begonnen moorddadig te vuren; To set
on — (= To set — to) = in brand steken; He will never set the Thames on
— = hij heeft het buskruit niet uitgevonden; To silence the enemy’s — =
de batterijen van den vijand tot zwijgen brengen; To take — = vuur
vatten, in brand raken; I took — = vatte vuur, stoof op; —! = vuurt; To
— a gun, a mine, a shot; This —d my blood = maakte mijn bloed aan ’t
koken; — away! vooruit maar, begin maar!; A gun-boat was —d upon = er
werd gevuurd op eene kanoneerboot; He is —d up = woedend; St.-Anthony’s
— roos; Greek — = Grieksch vuur; Kentish — = een rhythmisch applaus;
Running — = snelvuur; —-alarm = brandschel; —-annihilator, ənaihileitə,
extincteur; —-arm = vuurwapen; —-ball = brandbom; vuurbol (meteoor);
—-balloon = luchtballon (met heete lucht), ballon met vuurwerk, dat
boven in de lucht ontvlamt; —-basket = soort komfoor; —-bavin =
rijsbundel op branders (schepen); —-blast = brand, ziekte in hop;
—-board = schoorsteenscherm; —-box = vuurkast (van een locomotief);
—-brand = brandend stuk hout; stokebrand; —-brick = vuurvaste steen;
—-brigade = brandweer; —-brush = haardveger; —-bucket = brandemmer;
—bug = brandstichter (Amer.); —-clay = vuurvaste klei; —-cock =
brandkraan; —-company = assurantiemaatschappij; —-cracker = voetzoeker;
—-dog = haardijzer; —-drill = vuurring gebruikt door de Austral.
inboorlingen bij ’t maken van vuur door wrijving van twee stukken hout;
oefeningen van een brandweercorps; —-eater = vuurvreter; ijzervreter;
—-engine = brandspuit; —-escape = reddingstoestel (bij brand);
—-extinguisher = extincteur; —-fly = glimworm; —-hook = brandhaak;
—-hose = brandspuitslang; —-insurance = brandassurantie; —-irons =
schop, tang en pook; —-kiln = vuurvaste oven; —-lighter = vuurmaker;
—-lock = geweerslot; snaphaan; —man = brandweerman; stoker (Am.);
—master = brandmeester (Amer.); —-new = fonkelnieuw; —-office =
brandassurantiekantoor; —-place = haard; —-plug = brandkraan; —-policy
= brandpolis; —-proof = tegen het vuur bestand; —-raising =
brandstichting (Schot.); —-screen = vuurscherm; —-ship = brander;
—-shovel = kolenschop; groote mond; —side = haard; —-station =
brandweerkazerne; —-stick = wrijfstokje om vuur te maken; —-tube =
kleine vlampijp (stoomketel); —-ward(en) = brandmeester; —-water = naam
bij de Roodhuiden voor spiritualiën; —-wood = brandhout, brandstof;
—work = vuurwerk: To hold a grand display of —works = een groot
vuurwerk afsteken; —works will be let off = er zal vuurwerk afgestoken
worden; —-worship = vuuraanbidding: Firing, fairiŋ, het vuren,
brandstof, uitbranden (van eene wond): —-iron = brandijzer.
Firkin, fɐ̂kin, (boter)vaatje v. 25,4 K.G.
Firm, fɐ̂m, vast, hard, hecht, standvastig, vastberaden, trouw; subst.
firma; subst. —ness.
Firmament, fɐ̂məment, firmament; —al, fɐməment’l, hemelsch, tot het
uitspansel behoorende.
Firman, fɐ̂m’n, fɐ̂mân, ferman, verlofbrief, pas, schriftelijk bevel (van
Oostersche vorsten).
First, fɐ̂st, eerste, voornaamste: This was the — I had heard of it = de
eerste maal dat; To be — with a person = iemand vóór zijn; — come —
served = die ’t eerst komt, die ’t eerst maalt; — and foremost = in de
allereerste plaats; — and last = gemiddeld, alles bijeengenomen; — or
last = vroeg of laat, te eeniger tijd; At (the) — = in den beginne,
oorspronkelijk; He had resolved it from the — = van den aanvang af;
—-begot(ten), —-born = eerstgeboren(e); —-call = ochtendbeurs; —-chop =
eerste kwaliteit; —-class = eerste klasse, uitstekend: He got a —-class
= den hoogsten graad (bij examens); —comer = de eerste (de beste);
—-cost = inkoopsprijs; —-day = naam voor den Zondag bij de Quakers;
—-floor = tweede verdieping (Engeland), eerste verdieping (Am.); —-foot
= eerste bezoeker in ’t Nieuwe jaar (Schot.); —-fruits = eerstelingen,
eerste vruchten, annaten of jaarrechtgelden (= opbrengsten van een
geestelijk ambt gedurende het eerste jaar; vroeger aan den Paus, thans
aan de fondsen van het Queen Anne’s Bounty overgedragen); —-hand =
stuurman op een visschersvaartuig; eerste hand: To buy (at) —; —-mate =
eerste stuurman; —-mover = oorspronkelijke beweegkracht; —-nighter =
première, iemand die zulke opvoeringen geregeld bijwoont; —-proof =
eerste proef (drukw. en alcohol); —-rate = A. 1. = (schip) van de
eerste klasse, eerste rang: He is a —-rate second-rate actor = hij is
een uitstekend acteur van den tweeden rang; —-water = (van het) eerste
water; —ling, fɐ̂stliŋ, eerstgeborene.
Firth, fɐ̂th, Zie Frith.
Fiscal, fisk’l, adj. fiskaal; subst. fiskaal; ambtenaar van het O.M.
(Schot.).
Fish, fiš, subst. visch, fiche, lasch; — verb. visschen, afvisschen,
opvisschen, uitvisschen: He’s like a — out of water = niet in zijn
element; I have other — to fry = ik heb wel wat anders (en beters) te
doen; All is — that comes to net = wij kunnen van alles gebruiken; That
is a pretty kettle of — = dat’s een mooie boel! (ironisch); A loose — =
pierewaaier; A strange — = rare snaak; —-bladder = vischblaas; —-bone =
graat; —-carver = vischmes; —-culture = vischteelt; —-curer =
vischzouter, etc.; —-fag = vischwijf; —-flake = zwemblaas; —-fly =
kunstvlieg (voor het visschen); —-garth = hekken aan den kant van een
rivier om het vangen van visch te vergemakkelijken; —-gig = elger;
—-glue = vischlijm; —-hawk = vischarend; —-hook = vischhaak; —-market =
vischmarkt; —-maw = zwemblaas; —monger = vischkooper; —-oil = traan;
—pond = vischvijver; —-slice = —-sound = zwemblaas van een visch;
—-spear = harpoen; —-strainer = vischschotel; —-tackle = vischgerei;
—-tail-burner = vleermuis (gasbrander); —-torpedo; —-trowel = —-weir =
—garth; —wife (—woman) = vischvrouw; He —ed for a compliment = hij
vischte naar; He has —ed it out = het uitgevischt; —er = visscher,
ijsvogel, Canadeesche marter; —er-boat = visschersboot; —erman =
visscher, visschersschuit; —ery = visscherij: The —eries = de
visscherijtentoonstelling; —iness = vischachtigheid, verdachtheid;
—ing-boat = visschersschuit; —ing-line = vischsnoer; —ing-net =
vischnet; —ing-rod = hengel-roede; —ing-smack = visscherspink;
—ing-tackle = vischtuig; —like = vischachtig; —y = vischachtig,
vischrijk, dof, ongeloofelijk, verdacht: This looks —y = ziet er
verdacht uit.
Fisk, fisk, druk zijn.
Fissile, fis(a)il, splijtbaar; Fission, fiš’n, splijting; Fissiped,
fisiped, zoogdier met gespleten teenen (b.v. kat of beer); Fissure,
fišə, subst. kloof, spleet, splijting, fistel; — verb. splijten: —
needle = hechtnaald.
Fist, fist, vuist; — verb. met de vuist slaan, aanpakken: Close —ed =
vrekkig; A —ic fight = vuistgevecht; —icuffs: To be at — = Engaged in —
= aan het bakkeleien.
Fistula, fistjulə, fistel: — lachrymalis = ontsteking van de
traanklier; —r = hol (als riet); Fistulous = buisvormig; fistelachtig.
Fit, fit, aanval, stuip, gril: By —s and starts = bij buien, met
tusschenpoozen; Beaten all to —s = lam geslagen; To frighten into —s =
vreeselijk doen schrikken; She went into —s = kreeg het op de zenuwen,
viel in onmacht; —ful = grillig; subst. —fulness.
Fit, fit, geschikt, passend, bereid, bevoegd, in goede ‘conditie’; ook
subst.; — verb. passend (geschikt, bekwaam) maken, uitrusten,
monteeren, passen, zitten, gepast of passend zijn: More than is — =
ongepast veel; I am as — as a fiddle = volkomen goed, gezond; To be —
for = geschikt; — for service = geschikt voor den dienst; To think — =
het geschikt achten; To be a bad — = slecht zitten of passen; To be an
exact — = als gegoten zitten; To be a tight — = er net in kunnen; It
doesn’t — in with my plans = strookt niet met; A fleet was —ted out =
werd uitgerust; The house was —ted up = gemeubileerd, bewoonbaar
gemaakt; That —s him like a glove, to a T. = het is hem als aan het
lichaam gegoten, dat past precies op hem; It —s it like a plug = het
past precies; —ness = geschiktheid, enz.; —-out = uitrusting; —ter =
monteur, kolenkoopman, leverancier; —ting = gepast; passen, monteering:
—ings = noodzakelijke artikelen voor huis, winkel of schip,
monteerbenoodigdheden; —ting-out = uitrusting; —ting-up = inrichting.
Fitch, fitš = Fitchet = bunzingvel; Fitchew, fitšû, bunsing.
Fitz, fits, zoon (slechts in samenstell.); onwettige zoon van een
koning of een prins van den bloede.
Five, faiv, vijf; —fold = vijfvoudig; —r = een bankbiljet van vijf pond
(of dollar); alles wat voor vijf telt; —s, faivz, een soort v. balspel,
de vuist (alle vijf): Bunch of —s = de vuist; —s-ball = bal gebruikt
bij het balspel, ‘Fives’ genoemd; —s-court = plaats, baan voor dit
spel.
Fix, fiks, subst. moeielijkheid, klem; — verb. bevestigen, vastzetten,
vastmaken, vaststellen, fixeeren, monteeren, richten, vestigen;
bezorgen, in orde maken (Am.); zich vestigen, vast worden, besluiten
tot, kiezen: To — bayonets = opzetten; To — a mast, a pole = overeind
zetten; They —ed themselves there = vestigden zich daar; To — in = in
passen; We have —ed on Sunday for the meeting = wij hebben bepaald; I
must try to — it up with you = in orde te maken, bij te leggen; —able =
bevestigbaar, enz.; —ation = bevestiging, fixeering, enz.; —ative =
fixeermiddel; —ed = vast, strak, niet vluchtig: —ed bodies = vaste
lichamen; —ed oils = niet vluchtige oliën; —ed point = vaste post (van
een soldaat of politie-agent); —ed stars = vaste sterren; subst.
—edness; —ings = uitrusting, versieringen, inrichtingen, tooi, kleeren;
—ity = vastheid, stabiliteit: —ity of purpose = vastheid van doel;
—ture = vaste datum (sport), al wat spijkervast is: He is a —ture = is
stoelvast, een familiestuk (fig.); The autumn —tures = de voor den
herfst vastgestelde wedrennen.
Fiz-gig, fizgig, vuurregen; elger; coquet meisje.
Fizz, fiz, subst. gesis, gezoem, gebruis; champagne; soda-water
(Amer.); — verb. sissen, bruisen; —le, subst. gesis, gebruis, gezoem;
mislukking (wat met een sisser afloopt), zakken, steken blijven; —
verb. sissen, zoemen, bruisen: To —le out = uitgaan, volkomen
mislukken.
Flabbergast, flabəgast, verbazen, verbluffen.
Flabbiness, flabinəs, slapheid, weekheid, zwakheid; adj. Flabby: A —
face.
Flabbellate, fləbelit, Flabbelliform, fləbeliföm, waaiervormig.
Flaccid, flaksid, slap, zacht; subst. —ity = —ness.
Flag, flag, subst. vlag, vloertegel, gele lisch; — verb. seinen met
vlaggen; verslappen, slap neerhangen, met vloertegels bevloeren: — of
distress = noodvlag; — of truce = parlementaire vlag; Black — = vlag,
dat geen kwartier zal worden gegeven; Red — = oproervlag; To dip the —
= met de vlag salueeren; The —s were hung half mast high = de vlaggen
waren halfstok geheschen; All the —s were struck, lowered, gathered =
gestreken, naar beneden gehaald, opgedoekt; The —s were innocent of
carpet = er lag geen kleed op den steenen vloer; —-lieutenant =
adjudant van den —-officer = vlagofficier; —man = baanwachter; —ship =
admiraalsschip; —-staff = vlaggestok; —stone = vloersteen, soort van
zandsteen; —gy = vol gele lischbloemen.
Flag, flag, slap neerhangen, slap worden, verslappen; —giness =
slapheid; —ging = verslappend; verslapping.
Flagellant, fladžəl’nt, flagellant; Flagellate, fladžəleit, geeselen;
subst. Flagellation.
Flageolet, fladžəlet, flageolet.
Flagitious, flədžišəs, schandelijk, snood; subst. —ness.
Flagon, flag’n, flesch, flacon, schenkkan.
Flagrancy, fleigr’nsi, gloed, openlijk plegen, gruwel, schandelijkheid;
Flagrant, fleigr’nt, aan den gang, openlijk, afschuwelijk: A war was —
= woedde.
Flail, fleil, dorschvlegel; — verb. dorschen.
Flake, fleik, subst. schilfertje, vlok, schol of schots, gestreepte
tuinanjelier, droogrek voor visschen (Amer.); — verb. tot vlokken
vormen, met vlokken bedekken, afschilferen: — of ice = ijsschots;
—-white = soort v. wit blanketsel; Flakiness = vlokkige of
schilferachtige toestand; adj. Flaky.
Flam, flam, subst. valsche voorspiegeling, opsnijderij, leugen; — verb.
wijsmaken.
Flambeau, flambou, flambouw.
Flamborough, flambərə.
Flamboyant, flambôiənt, vlammend, gevlamd (bouwkunde); opzichtig.
Flame, fleim, subst. vlam, hitte, vuur, opgewondenheid, drift; liefje;
— verb. vlammen, ontvlammen, in woede opvliegen, doen ontvlammen: He is
all in a — for the measure = vuur en vlam voor; To set on — = in
vlammen zetten; —-colour = helgele kleur; — eyed = met vurige oogen;
—-shaped = gegolfd.
Flamen, fleim’n, oud Romeinsch priester.
Flaming, fleimiŋ, vlammend, heftig, overdreven.
Flamingo, fləmiŋgou, flamingo.
Flamy, fleimi, vlamachtig, vlamkleurig.
Flancon(n)ade, flaŋkəneid, zijstoot, zijhouw (bij het schermen).
Flanders, flândəz, Vlaanderen: — brick = poetssteen.
Flane, flein, flaneeren: They lazed and —d about the boulevards =
slenterden en flaneerden.