Gangrene, gaŋgrîn, subst. koudvuur; — verb. het koudvuur krijgen;

Gangrenous, gaŋgrinɐs, door koudvuur aangetast.

Ganister, ganistə, soort vuurvaste steen.

Gannet, ganət, witte rotspelikaan, Jan-van-Gent.

Gantlet, gôntlət, gântlət (Gantlope, gantloup), spitsroede: He had to

run the — = hij moest spitsroeden loopen; A new-comer has to run the —

of the whole company = die binnenkomt staat aan de kritiek v. het

geheele gezelschap bloot; He took up the — = hij nam den handschoen op.

Ganymede(s), ganimîd, ganimîdîz, Ganymedes.

Gaol; džeil; Zie Jail; —er.

Gap, gap, subst. gat, opening, bres, hiaat; — verb. een gat maken in;

He stood in the — for all his friends = hij sprong in de bres voor; We

had to stop the — = moesten het gat stoppen (ook fig.); —-toothed = met

holten tusschen de tanden.

Gape, geip, subst. geeuw, het geeuwen; — verb. gapen, geeuwen, verbaasd

aanstaren, aangapen, openstaan: The chickens have got the —s = hebben

de gaapziekte; We were —d at by all = werden aangegaapt; They are

gaping for (after) it = zij snakken er naar.

Gar, gâ, geep; — verb. dwingen, veroorzaken.

Garage, garâž, garage.

Garb, gâb, kleeding, gewaad, mode, uiterlijk; schoof (koren): Nature’s

—; —ed = gekleed.

Garbage, gâbidž, ingewanden en afval van een dier, waardeloos iets; —d

= van ingewanden gereinigd.

Garble, gâb’l, verminken, verknoeien; schiften, ook op zeer partijdige

manier; —r = schifter, vervalscher.

Garboard, gâböd, gaarboord (scheepst.).

Garboil, gâbôil, subst. oproer, wanorde; — verb. onderstboven gooien,

storen.

Garden, gâd’n, subst. tuin; adj. tot een tuin behoorend; — verb.

tuinieren, een tuin aanleggen; — City = Chicago; The — = de markt (=

Covent — in Londen); —-glass = tuinspiegel; —-house = tuinhuisje;

—-mould = tuin- of teelaarde; —-plot = deel van den tuin met bloemen,

enz.; —-stuff = groenten, enz.; —-tools = tuingereedschap; —er =

tuinier.

Gardenia, gâdînjə, gardenia.

Gare, gêə, grove wol op schapepooten.

Garfish, gâfiš, geep.

Gargantuan, gâgantjuən, reusachtig, kolossaal.

Gargery, gâdžəri.

Garget, gâgət, keel, gezwel in de keel, uierziekte; varkensziekte.

Gargle, gâg’l, subst. gorgeldrank, dronk; — verb. gorgelen, kweelen.

Gargoyle, gâgôil, gargouille, spuier (Archit.).

Garibaldi, garibaldi, Garibaldi; buis of muts, zooals door Garibaldi en

zijne troepen werd gedragen.

Garish, gêriš, glanzend, blinkend, opzichtig, buitensporig.

Garland, gâl’nd, subst. guirlande, bloemenkrans, bloemlezing;

provisienet; — verb. met kransen tooien.

Garlic, gâlik, knoflook; —-eater = scheldnaam voor Joden; —ky =

knoflook bevattend.

Garment, gâm’nt, kleedingstuk, kleeding: The —age of life = het

uiterlijke des levens.

Garner, gânə, subst. graanzolder; — verb. opstapelen (van koren),

verzamelen.

Garnet, gânət, granaatsteen.

Garnish, gâniš, subst. versiersel, randversiering (om een schotel);

fooi; — verb. versieren, voorzien van, waarschuwen; subst. —ment.

Garniture, gânitšə, versiering, opschik, garnituur, bijbehoorende

onderdeelen.

Garret, garət, vliering, zolderkamertje; —-master = meubelmaker, die

thuis werkt voor magazijnen of bazen; —eer, garətîə, vlieringbewoner,

arme broodschrijver.

Garrison, garis’n, subst. garnizoen, vesting; — verb. in garnizoen

leggen, bezetten.

Garron, gar’n, klein Schotsch paard.

Garro(t)te, gərot, gərout, subst. halsijzer tot terdoodbrenging (door

worging); — verb. terdoodbrengen; bestelen door de keel van het

slachtoffer dicht te drukken, en hem weerloos te maken; —r =

straatroover.

Garrulity, gərûliti, praatachtigheid; Garrulous, garəlɐs, praatziek,

snapachtig.

Garter, gâtə, subst. kouseband; kouseband-orde; — verb. met een

kouseband bevestigen; die orde verleenen; Knight of the — = Ridder van

den Kouseband.

Garth, gâth, hof, vischweer.

Garum, gêr’m, Romeinsche vischsaus.

Gas, gas, subst. lichtgas, gas; gewauwel, bluf; — verb. wauwelen,

bluffen: How he was —sing = wat was hij aan ’t opsnijden; —-buoy =

gasboei; —-bracket = gasarm; —-coal; —-condenser = gascondensator;

—-cooker = gasfornuis; —-engine = gasmotor; —-fitter; —-fitting =

gasaanleg; —holder = gashouder; —-jet = gasvlam, gaspit; —-lamp = lamp,

lantaarn; —-light; —-main = hoofdleiding; —-mantle = gloeikousje;

—-meter = meter; —-motor; —-pipe; —-range = gaskookkachel; —-regulator

= gasregulateur; —-retort; —-tar = koolteer; —-works = gasfabriek;

—alier, —elier, gasəlîə, gaskroon; —eity, gesîiti, gasachtigheid;

—eous, geisiəs, geiziəs, gasiəs, gaziəs, gasachtig, vluchtig; —iform =

gasvormig; —ify = in gas veranderen; —oline, gasəlîn, gasoline;

—ometer, gəsomətə, gəzomətə, gashouder; gasometer; Gasometry = meten

van gas; —sy = gasachtig; opgeblazen.

Gascon, gaskən, Gascogner, bluffer; —ade, gaskəneid, subst. blufferij,

snoeverij; — verb. snoeven, grootspreken; —ader = bluffer, “opsnijer”;

—y, gaskəni, Gascogne.

Gash, gaš, subst. gapende (vleesch)wond, houw, snede; — verb. eene

gapende wonde maken: I — myself asunder from the king = ik breek geheel

met den koning.

Gasket, gaskət, seizing (scheepst.).

Gaskins, gaskinz = Galligaskins.

Gasp, gâsp, subst. snik; — verb. snakken (naar adem), vurig verlangen,

hijgend uitbrengen: At the last — = bij den laatsten snik, op sterven;

With a — = verbaasd (als naar adem snakkend); It made me — = ik stond

paf.

Gastric, gastrik, tot de maag behoorend; —-abscess; —-catarrh =

maagcatarrh; —-fever = gastrische koorts; —-juice = maagsap;

Gastriloquy, gastriləkwi, buikspraak; Gastritis, gastraitis,

maagontsteking; Gastronomer, gastronəmə, Gastronomist, gastronəmist,

lekkerbek; Gastronomy, gastronəmi, kunst en lust om lekker te eten;

Gastrotomy, gastrotəmi, maagsnede voor het inbrengen van voedsel.

Gat, gat, nauwe doorvaart.

Gate, geit, subst. poort, deur, ingang, wegsluis, gelegenheid, kans

(The — = Billingsgate = Londensche vischmarkt); — verb. binnen de

poorten houden: That opened the — for all abuses = zette de deur open

voor; — of horn = de poort van hoorn (in het droomhuis), waardoor ware

visioenen komen; — of ivory = de poort van ivoor, waardoor de onware

visioenen komen (de Aeneïde v. Vergil.); —house = portierswoning; —man

= portier, tolgaarder, baanwachter; —way = poort; —d = met poorten.

Gather, gadhə, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen,

plooien, oogsten, rijp worden, zich verzamelen, samentrekken, grooter

worden; afleiden; subst. vouw, plooi: I —ed it from what he said =

maakte het uit zijne woorden op; The harvest was —ed in = werd

binnengehaald; He was —ed to his fathers = tot zijn vaderen verzameld;

He —ed himself up = kwam tot zichzelf; Then we had time to — breath =

om op adem te komen; To — flowers; She —ed her powers = verzamelde; —er

= verzamelaar, oogster; —ing = verzameling, vereeniging, inzameling,

collecte; zweer.

Gatling gun, gatliŋgɐn, revolverkanon, mitrailleuse.

Gaucho, gôkou, Z. Amer. Cowboy.

Gaud, gôd, versiering, snuisterij; —iness, subst. van —y = opzichtig,

bont: —-day = —ies = feest(dag).

Gaudeamus, gôdieiməs, drinkgelag, feest.

Gauffer, goufə, fijn plooien.

Gauge, geidž, subst. maat, peil, diepgang, peilstok, peilglas,

maatstaf, wijdte tusschen de spoorstaven; — verb. meten, schatten,

peilen, ijken: I have your — = ik snap je, doorzie je; I have —d your

feelings; —glass = peilglas; —r = roeier of wijnpeiler; kommies;

Gauging: —-rod = peilstok = —-rule.

Gaul, gôl, Gallië, Galliër.

Gault, gôlt, subst. een soort van mergel; — verb. klei brengen (op

land); —-mill = kleimolen (voor steenbakkerijen).

Gaunt, gônt, gânt, schraal, mager: That’s the —, bare truth = dat is de

naakte waarheid.

Gauntlet, gôntlət, gântlət, lange dameshandschoen, strijdhandschoen: He

threw down the —, and my friend took it up = hij wierp den handschoen

toe, en mijn vriend nam hem op.

Gauntree, gôntrî, stellage voor vaten.

Gauze, gôz, gaas; —-wire = ijzerdraadgaas; Gauzy = gaasachtig.

Gave, geiv, imperf. van to give.

Gavel, gav’l, garf, (presidents)hamer; tol, schatting, garfpacht; —kind

= erfrecht, waarbij bij den dood van den pachter het land gelijkelijk

onder zijne zoons werd verdeeld; —man = huurder van land onder de

bepalingen van gavelkind.

Gavelock, gav’lok, breekijzer, werpspies.

Gaveston, gavəst’n.

Gavial, geiviəl, gavial, snavelkrokodil (Ganges).

Gavot(te) gəvot, gavot, gavotte.

Gawk, gôk, koekoek, zot; —iness, subst. van het adj. —y = lummelig;

subst. lummel, slungel, suffer.

Gay, gei, vroolijk, opgewekt, opzichtig, bont, sterk gekleurd,

opgewonden (van drank), losbandig; subst. —ness; adj. —some.

Gayal, gaiəl, geiəl, soort rund (Brit. Ind.).

Gaze, geiz, subst. blik, aanblik; — verb. staren: At — = starend, en

face; —-hound = windhond; Gazing-stock = voorwerp van afschuw of

nieuwsgierigheid.

Gazebo, gazîbou, belvedère.

Gazelle, gəzel, gazelle.

Gazette, gəzet, subst. courant, soort staatsblad, staatscourant; —

verb. in de staatscourant (dus: officieel) bekend maken: To be in the —

= bankroet zijn; He was —d = aangesteld, bevorderd; Gazetteer, gazətîə,

redacteur van een staatsblad, dagbladschrijver; geographisch

woordenboek.

Gazogene, gazədžîn, toestel om koolzure dranken te maken.

Gazon, gəzûn, grasperk.

Gean, gîn, Spaansche kers.

Gear, gîə, subst. gareel, tuig, takel, kleed, uitrusting, bezittingen,

zaak; de touwen, blokken, enz. van een bepaald zeil of mastdeel,

mechaniek, tandrad; — verb. tuigen, aan den gang brengen: It was thrown

out of — = de koppeling werd verbroken, de zaak werd bedorven; My ships

are out of — = onttakeld; —ing = tuig, harnas, stel tandraderen tot het

overbrengen van beweging.

Geck, gek, nar, spot; — verb. bespotten.

Gecko, gekou, gecko.

Gee, dži, een uitroep om het paard naar rechts te doen gaan: — up, —

Woo = vooruit! The horse —-up’d = het paard ging vooruit; Gee-gee =

paard (in de kindertaal).

Geelong, gîloŋ.

Geese, gîs, ganzen.

Gehenna, gəhenə, Gehenna, Hel.

Geikie, gîki.

Geisha, geiša.

Gelatine, dželətîn, gelatine; Gelatinous, džəlatinɐs, gelatine- of

geleiachtig.

Geld, geld, castreeren, verminken, berooven; adj. gust; —er = snijder;

—ing = het snijden; ruin, gesneden dier.

Gelid, dželid, ijskoud; subst. Gelidity.

Gem, džem, subst. juweel, kleur, kleinood; knop, oog; — verb. met

edelgesteenten tooien, ontbotten; —my = vol edelgesteenten,

schitterend, rijk, fijn, net.

Gemara, gəmârə, tweede deel van den Talmud.

Geminate, džeminit, adj. in paren: —-leaves = tweelingbladen;

Gemination = verdubbeling.

Gemini, džeminai, Tweelingen (sterrenbeeld).

Gemma, džemə, bladknop; —te, džemit, knoppen hebbende; —tion,

džəmeiš’n, het knoppen, voortplanting door knopvorming; Gemmiferous,

džəmifərɐs, knoppen dragend, door knoppen vermenigvuldigend =

Gemmiparous, džəmipərɐs.

Gemman, džem’n, samentrekking van gentleman; mv. Gemmen.

Gemmule, džemjûl, eitje, knopje, kiemspoor.

Gemote, gəmout, vergadering (van honderd, bij de Angelsaksers).

Gemsbok, gemzbok, Kaapsche gems.

Gendarme, džendâm, gendarme; —ry.

Gender, džendə, subst. soort, klasse, (grammaticaal) geslacht.

Genealogic(al), dženiəlodžik(’l), džîniəlodžik(’l),

geslachtrekenkundig; —-tree = stamboom; Genealogist = geslachtkundige;

Genealogy = geslachtrekenkunde, stamboom.

Genearch, dženiâk, džîniâk, stamvader.

Genera, dženərə, meervoud van Genus.

General, dženər’l, adj. algemeen, openbaar, uitgebreid, onbepaald,

gewoon; subst. het algemeen; generaal, algemeen appèl (voor de

infanterie); meid alleen: In — = in of over het algemeen; In a — way =

in algemeenen zin, over het algemeen; The — public = het groote

publiek; — assembly = wetgevende vergadering (Amer.); — dealer = iemand

die in allerlei dagelijksche artikelen handelt; — invitation =

uitnoodiging eens voor al; — practitioner = geneeskundige; — servant =

meid alleen; — warrant = bevel tot inhechtenisneming van alle verdachte

personen; —ism = algemeene conclusie; —issimo, dženər’lisimou,

opperbevelhebber; Generality = algemeenheid, meerderheid, groote hoop:

The — of people = de menschen in ’t algemeen; Generalization =

generalisatie; Generalize = algemeen maken; generaliseeren; Generalship

= generaalschap, beleid, handigheid.

Generate, dženəreit, voortbrengen, telen; Generating station =

centrale; Generation = voortbrenging, geslacht, nakomelingen: Noah was

perfect in his —s (Bijbelsch: Zie Gen. VI, 9); Generative =

voortbrengend; vruchtbaar: — power = voortbrengend vermogen; Generator

= voortbrenger, voortbrengingsvermogen, stoomketel; Generic(al) = een

genus omvattend of betreffend, geslachts ...

Generosity, dženərositi, edelmoedigheid, milddadigheid; Generous,

dženərɐs, edel, grootmoedig, milddadig, overvloedig.

Genesis, dženəsis, voortbrenging, Genesis.

Genet, džənet, genetkat, ook: dženət, soort paard.

Genetic(al), džənetik’(l), genetisch; ontstaans...: — affinity =

geslachtsverwantschap.

Geneva, džənîvə, jenever; Genève: The Lake of — = Meer v. G.; — bible =

bijbel van 1560; — cross = het roode kruis voor ambulances, enz.; —

gown = toga (v. Presb. geestelijken); —n, subst. bewoner van Genève;

adj. Geneefsch; calvinistisch; Genevese, dženəvîz, dženəvîs; Zie

Genevan.

Genial, džînj’l, levendig, sympatiek, hartelijk, vroolijk, zacht;

geslachts ...; —ity, džînialiti, opgewektheid.

Geniculate(d), džənikjulit(-eitid), knievormig gebogen; subst.

Geniculation.

Genie, džîni, genius; mv. Genii, džîniai.

Genista, džənistə, genista, Duitsche brem.

Genital, dženitəl, geslachts - -; —s = geslachtsdeelen.

Genitival, dženitaiv’l: — relation = eene genitiefverhouding of

-betrekking; Genitive, dženitiv, subst. genitief; adj. van den

genitief.

Genius, džîniəs, (Meerv. Geniuses, džîniəsiz) genie, talent (for);

Genius (Meerv. džîniai); geest, genius.

Genoa, dženouə, Genua; Genoese, dženouîz, dženouîs, subst. Genuees;

adj. van Genua.

Gent, džent, heer, snuiter; verkorting van gentleman.

Genteel, džentîl, bevallig, beschaafd, fatsoenlijk, net, behoorlijk;

subst. —ness.

Gentian, dženšən, Gentiaan.

Gentile, džentail, subst. heiden, ongeloovige (in den Bijbel); adj.

heidensch, ongeloovig; Gentilism, džentilizm, heidendom.

Gentility, džentiliti, hooge of edele geboorte, beschaving,

sierlijkheid, bevalligheid.

Gentisin, džentisin, gentianine.

Gentle, džent’l, adj. van hooge geboorte, zacht, teeder, vriendelijk;

subst. edelman, gedresseerde valk; — verb. adelen, in rang verheffen,

veredelen; verzachten, dresseeren: — birth = voorname (aanzienlijke)

....; — families; —folk(s) = menschen van aanzienlijke geboorte

(gewoonlijk meervoud); —man, subst. heer, man van geboorte (beschaving,

eer), fatsoenlijk man, man: The Old (Black) —man = de duivel; —man of

property = grondbezitter; —men of the shoulderknot = lakeien;

—man-at-arms = lid van de door Hendrik VIII opgerichte adellijke

lijfwacht; —man-commoner = betalend student, die eerst later tot de

eigenlijke colleges werd toegelaten; —man-farmer = heereboer:

—man-usher of the Black Rod. Zie Black Rod; —manlike, —manly =

beschaafd, fatsoenlijk, beleefd; —woman = edelvrouw, beschaafde dame.

Gentry, džentri, de stand der gentlemen, der beschaafde en bezittende

klassen (landadel, geleerden, geestelijken, etc.).

Genuflection, Genuflexion, dženjuflekš’n, džînjuflekš’n, kniebuiging,

knieval.

Genuine, dženjuin, echt, onvervalscht, oprecht; subst. —ness.

Genus, džînəs (Meerv. Genera, dženəra), geslacht, klasse.

Geocentric(al), džîəsentrik(’l), met de aarde gelijkmiddelpuntig.

Geodesy, džiodəsi, landmeetkunde; adj. Geodetic(al).

Geoffrey, džefri.

Geogony, džiogəni, leer van het ontstaan der aarde.

Geographer, džiogrəfə, aardrijkskundige; Geographic(al),

džîəgrafik(’l), aardrijkskundig; Geography, džiogrəfi, aardrijkskunde.

Geologist, džiolədžist, aardkundige; Geology, džiolədži, aardkunde.

Geometer, džiomətə, Geometrician, džîomətriš’n, meetkundige;

Geometric(al), džîəmetrik(’l), meetkundig; —al elevation = geometrische

teekening (Archit.); —al progression = meetk. reeks; Geometry =

meetkunde.

George, džödž, het beeld van St. George te paard, met den draak

strijdend (insigne van de ridders van den kouseband); gouden munt met

dat beeld: Brown — = grof aarden waterkan; —-noble = gouden munt (tijd

van Hendrik VIII), ter waarde van ongeveer ƒ 4,00; Georgia, džödžə,

Georgia; Georgian, džödžən, subst. bewoner van Georgia; adj. behoorend

tot de regeering der Georges in Engeland (1714–1830).

Georgic, džödžik, tot den landbouw behoorende: —s of Virgil = landelijk

gedicht van Vergilius.

Geranium, džəreinj’m, geranium.

Gerard, džerəd, Gerard, Gerrit.

Gerfalcon, džɐ̂fô(l)k’n, giervalk.

Germ, džɐ̂m, subst. kiem, oorsprong, begin; — verb. ontkiemen: —-theory

= leer volgens welke besmettelijke ziekten door bacteriën worden

overgebracht; — of disease = ziektekiem.

German, džɐ̂rm’n, subst. en adj. Duitsch, nauw verwant; subst. Duitsche

taal, Duitscher: Cousin — = volle neef (nicht); — clock = Schwarzwalder

klok; — flute = dwarsfluit; — Ocean = Noordzee; — sausage = Wiener

worst; — silver = pleetzilver; — tinder = tonder, zwam; — toys =

Nürnberger speelgoed; Germania, džɐ̂meinia, Duitschland; —ic, džɐ̂manik,

Germaansch; —ism = germanisme; —ize = germaniseeren; —y = Duitschland.

Germane, džɐ̂mein, džɐ̂mein, subst. en adj. verwant, overeenkomstig,

passend: This subject is more — to our circumstances = staat in nauwer

verband met.

Germinal, džɐ̂min’l, subst. zevende maand van het republikeinsche jaar

(Maart 21–April 20); adj. tot de kiem behoorende; Germinant =

ontkiemend; Germinate, džɐ̂mineit, (doen) ontkiemen of ontspruiten;

subst. Germination; Germinative, kiem ...

Gerrymander, džerimandə, knoeien, slecht bouwen, verknippen van

kiesdistricten uit partijbedoelingen (eig. Amer.).

Gertrude, gɐ̂trûd.

Gerund, džer’nd, gerundium: —-grinder = schoolvos; —ial, džərɐndj’l,

tot een gerund behoorende; —ive, džərɐndiv, de vorm op ing met eene

prepositie daarvoor: On coming, In crossing, etc.

Gervas, džɐ̂vəs.

Gestation, džesteiš’n, dracht, drachtigheid, passieve beweging (rijden,

etc.).

Gesticulate, džestikjuleit, gebaren maken; subst. Gesticulation;

Gesticulator, džestikjuleitə, gebarenmaker; Gesticulatory language =

gebarentaal; Gesture, džestjə, subst. gebaar, beweging, houding; —

verb. gesticuleeren; —-language = gebarentaal = Gestural language.

Get, get, krijgen, verkrijgen, verdienen, bezitten, hebben,

voortbrengen, overhalen, brengen (in een toestand), worden, leeren: To

— the better of = de overhand krijgen, overwinnen; To — a cold = kou

vatten, een verkoudheid oploopen; To — the day = de overwinning

behalen; You’ll — no good by it = het berouwen; To — hold of =

vastgrijpen; To — it hot = er flink van langs krijgen; To — a mile =

een mijl afleggen; To — the sack = de bons krijgen; I must — wind first

= ik moet eerst op adem komen; The affair got wind = werd bekend, lekte

uit; I have got the wind of you = ik heb je in de gaten; He is so weak

that he cannot — about = dat hij niet loopen kan; It has got about,

that you are here = het is bekend geworden; They are —ting ahead = zij

gaan vooruit, het gaat hun goed; How are you —ting along = hoe staat

het met de zaken? — along with you = och, loop! He has got among

thieves = is terecht gekomen; I cannot — at him = kan hem niet

bereiken, te pakken krijgen; It is easy to — at him = hem te plagen;

The jockey was got at = omgekocht; I could not — away from him = niet

van hem afkomen, hem niet kwijtraken; The horse got away with him =

ging er met hem van door; One of the boats had been got away =

neergelaten en afgestooten; They will — before, behind us = zij zullen

ons vóór-, achterkomen; I hope to — behind your tricks = dat ik achter

uwe streken zal komen; I got behind the scenes = geraakte volkomen

ingewijd (in de plannen); To — in the crops = binnenhalen; I’ll try to

— in that picture = te koopen, te krijgen; He got into it = raakte er

aan gewend; We have got off safely = zijn er goed afgekomen; I hope to

see you as soon as I — off = zoodra ik vrij ben; How are you —ting on =

hoe maak je het? To — out = raken uit, komen uit, voor den dag halen: I

wish I could — out of this business = van dit zaakje af kon komen; I

hope I shall — over it = dat ik het zal te boven komen; They got over

me = bedrogen mij, werden mij de baas, haalden mij over; At length we

have got round him = hebben we hem te pakken; I fear he will not —

through = dat hij niet zal slagen; To — up = in orde maken,

arrangeeren, opstaan, opstijgen, opsteken, vooruitgaan, bestudeeren:

She —s up linen = mangelt en strijkt; He has got up his German = heeft

‘er in’; It was got up for the occasion = afgesproken, klaargemaakt; To

— asleep = in slaap geraken; To — clear of = vrijkomen van, afkomen

van; I’ll — it done = ik zal het laten doen, maken; — you gone = scheer

je weg; You must try to — it by heart = het van buiten te leeren; To —

home = thuis komen; To — quit (rid) of = kwijtraken, afkomen van; —-up,

subst. = kleeding, enz.; bedriegerij, uitvoering, wijze van

voorstelling, tooneelschikking, enz.: The —-up of the book is perfect =

The book is nicely got up = de uitvoering van het werk (druk, papier,

formaat, enz.) is uitstekend; —ter-up = klaarmaker; The —ters-up of a

charade = de personen, die de charade voorstellen; —ting = winst,

voordeel, verdienste.

Gewgaw, gjûgô, prul; adj. prullerig.

Geyser, gaizə, geiser, heete bron, verwarmingstoestel.

Gharry, gâri, osse-(pony-)wagen (Brit. Indië).

Ghastliness, gâstlinəs, subst. van Ghastly = doodsbleek, afgrijselijk,

ijzingwekkend.

Gha(u)t, gôt, bergpas, gebergte, trap (leidende v. een tempel naar eene

rivier; Br. Indië).

Gheber, Ghebre, gîbə, geibə. Zie Gueber.

Ghee, gî, soort boterolie (Br. Ind.).

Ghent, Gent.

Gherkin, gɐ̂kin, ingemaakt augurkje.

Ghetto, getou, Ghetto, Jodenkwartier.

Ghibelline, gibəl(a)in, Ghibellijn.

Ghost, goust, subst. geest, spook, lijk, geestverschijning, schijntje;

iemand die b.v. letterkundig werk doet, waarvan een ander de eer

krijgt: He has not the — of a chance = niet de geringste kans; He gave

up the — = hij gaf den geest; We needed no — to tell us that = dat

begrepen we zelf ook wel; The Holy — = de H. Geest; — story =

spookvertelling; —liness, subst. v. —ly = spookachtig, akelig, somber:

—ly hour = spookuur, middernachtelijk uur.

Ghoorkas, guəkaz, het voornaamste ras in Nepaul.

Ghoul, gûl, (Oostersch) menschenlijken etend monster; reporter (Amer.);

—ish = demonisch.

Ghurry, gɐri, wateruurwerk, 1⁄60 dag, gong.

Ghyll, gil, bergkloof, ravijn.

Giant, džaiənt, subst. reus; The — Mountains = het Reuzengebergte; adj.

reusachtig, kolossaal; —ess = reuzin; —ship = reusachtigheid.

Giaour, džauə, ongeloovige (naam voor Christenen bij de Turken).

Gib, džib, arm van eene kraan, spie; (oude) kater = —-cat.

Gibber, gibə, brabbelen, brabbeltaal spreken, snateren; —ish =

brabbeltaal; adj. zonder beteekenis.

Gibbet, džibət, subst. galg, kraanbalk; — verb. ophangen; aan de kaak

stellen.

Gibble-gabble, gib’lgab’l, gesnater, gezwets.

Gibbon, gib’n, Gibbon; langarmige, staartlooze aap.

Gibbose, gibous, Gibbous, gibəs, gebocheld, uitpuilend, bol; Gibbosity,

gibositi, bultigheid, bolheid, uitpuiling.

Gibbs, gibz.

Gibe, džaib, subst. spot, smaad; — verb. spotten, hoonen, beschimpen,

uitschelden; —r = spotter, schimper.

Gibeon, gibjən: Children of — = proletariërs, armen; Gibeonite,

gibjənait, bewoner v. Gibeon (Jozua IX, 23), duivelstoejager, laagste

loondienaar.

Giblets, džibləts, inwendige deelen van gevogelte, zooals lever, maag,

hart, etc.

Gibraltar, džibrôltə, Gibraltar; — ape (— monkey) = magot (aap).

Gibson, gibs’n.

Gibstaff, džibstâf, peilstok, vaarboom.

Gibus hat, džaibəshat, klak.

Giddiness, gidinəs, subst. van Giddy, gidi, duizelig, zwijmelend,

veranderlijk, grillig, opgewonden, onnadenkend, onbezonnen: —-brained =

gedachteloos, roekeloos; —-go-round = caroussel.

Gifford, gifəd.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 47 / 141 段