Paunch, pônš, pânš, buik, pens, balg; —-mat = stootmat (scheepst.);
Bow-—ed = met ronden buik; —iness.
Pauper, pôpə, arme, bedeelde: — children, — school; —ism = de
bedeelden, armoede; —ization, subst. v. —ize = tot diepe armoede
brengen.
Pause, pôz, subst. rust, afbreking, twijfel, besluiteloosheid,
gedachtestreep: — verb. pauseeren, rusten, weifelen, aarzelen: Such
things must give a sensible man — = brengen tot nadenken; He stood in —
= twijfelde, weifelde.
Pave, peiv, bevloeren, plaveien: To — the way for = den weg banen;
—ment = bestrating, plaveisel; Foot-, Side-—ment = trottoir, kleine
steentjes; —r = straatmaker, wegbereider, straatsteen, stamper.
Pavilion, pəvilj’n, paviljoen, vlag, standaard, verhemelte (Herald.);
oude munt.
Pavior, peivjə, straatmaker, stamper.
Pavo, peivou, pauw, sterrenb. de pauw; —nine, pavən(a)in, met vele
kleuren schitterend (als een pauwestaart).
Paw, pô, subst. poot met klauw; hand; — verb. (met den voorpoot)
krabben (v. paarden); ruw aanpakken, flikflooien.
Pawem, pôəm, aangenaam gedeelte, in een boek tusschen zwaardere kost
ingelascht.
Pawky, pôki, slim, schalks(ch): He takes a — view of things.
Pawl, pôl, pal.
Pawn, pôn, subst. pion (schaakspel), pand; — verb. verpanden: I have
given my watch in (at) — = als pand gegeven; —broker = lombardhouder;
—broking = het houden v. een lommerd; —er; —-house = —shop; —-tickets
with the equity of redemption = lommerdbriefjes met het recht van
wederinkoop.
Pawnee, pônî: Brandy — = cognacgroc (Brit Ind.).
Pawnee, pônî; Pawtucket, pôtɐkət.
Pax, paks. Zie Osculatory: To cry — = roepen dat het ‘genoeg’ is
(Schoolslang).
Pax(y)-wax(y), paks(i)waks(i), sterke, dikke nekspier (bij slachtvee).
Pay, pei, subst. betaling, loon, soldij; — verb. betalen, vergoeden,
vergelden, kwijten; teeren, smeren: No — no play = zonder geld heb je
niets; In the — of = in dienst van; Officer on half— = op wachtgeld; To
— one’s addresses to = het hof maken; To — attention = opletten; You
paid him a bad compliment = maakte; When he came home there was the
devil to — = waren de poppen aan het dansen; He robs Peter to — Paul =
hij maakt een gat om een ander gat te stoppen; To — the piper = het
gelag betalen; I will — him full tale for this = het hem dubbel en
dwars betaald zetten; To — a visit = brengen; If you don’t wish to get
into debt, you must — your way = moet ge uwe verplichtingen nakomen;
You will have to — down = gij zult moeten opdokken, contant betalen;
You shall — for this = zult boeten; Will you — for the book? = het boek
betalen; He paid for his treachery with his life = boette zijn verraad;
The sum was paid in to your account = gestort, afbetaald op uw
debet-rekening; To — into a bank, the hands of a banker = deponeeren
bij; I have paid him off = het volle bedrag uitbetaald; het hem betaald
gezet; The loan will be paid off at the price of £ 106 for every £ 100
= is aflosbaar; — him on = sla er op, raak hem; I have paid him out
(for it) = paid him home = het hem betaald gezet; — out more cable =
vier; We had to — through the nose = ons werd het vel over de ooren
getrokken; I want to — up my arrears = wensch te betalen; The business
does not — = rendeert niet; Paid-up shares = volgestorte aandeelen; He
got well paid = kreeg het goed betaald; —-bill = betaalsrol; —-box =
loket, plaatsbureau (theaters); —-day = traktementsdag; —master =
betaalmeester, kwartiermeester, officier van administratie; —-office =
betaalkantoor; —-sheet = betaalsrol; —able = betaalbaar: —able at sight
to Mr. X. or order = betaalbaar op zicht aan den heer X. of order; —ee,
peiî, wien betaald wordt; —er = betaler; —ing = loonend; —ment =
betaling, loon: He has stopped (suspended) —ment = zijne betalingen
gestaakt.
Payne, pein.
Paynim, peinim, heiden.
Paynize, peinaiz, hout voor bederf bewaren door eene injectie van
zekere oplossing.
Pea, pî, erwt: They are as much alike as two —s (in a pod) = zij lijken
als twee droppels water op elkaar; —(s)-cod (-pod, -shell) =
erwtenpeul; —-gun (—-shooter) = proppenschieter; —-nut = aardnoot;
—-soup = erwtensoep.
Peabody, pîbodi.
Peace, pîs, vrede, rust, kalmte, harmonie: — to his ashes = hij ruste
in vrede; — there! = stilte! At — = verzoend; dood; I am not at — with
myself = het met mijzelf niet eens; Hold your — = houd je stil; They
kept the — better than I had expected = zij hielden zich rustiger dan
ik verwacht had; He promised to keep the king’s (queen’s) — = om de
orde niet meer te verstoren; He was sent to — = werd gedood; —-breaker
= rustverstoorder; —maker = vredestichter; —-offering = zoenoffer;
—-officer = politieagent; sheriff; —-party = vredepartij; The —-society
= vredebond; In their —-strength = sterkte in tijd van vrede; —able =
vreedzaam, vredelievend; subst. —ableness; —ful = vredig, kalm, stil;
subst. —fulness; —less = rusteloos, woelig.
Peach, pîtš, subst. perzik: He is no small —es of an artist = als
kunstenaar is hij geen kwajongen; —-brandy = persico; —-coloured =
perzikkleurig; —-down = dons; —-tree.
Peach, pîtš, aanklagen, verklappen: Speak, or I’ll — = spreek, of ik
getuig tegen je, verklik je, geef je aan.
Peachick, pîtšik, jonge pauw; Peacock, pîkok, (mannetjes)pauw; ook
verb., stappen als een pauw; —-butterfly = pauwoog; —-fish = pauwoog
(visch); —-hangings = behangsel met pauwenpatroon; Peafowl = pauw;
Peahen = pauwin.
Pea-jacket, pîdžakət, pijjekker.
Peak, pîk, subst. piek, spits, punt, klep (van pet of hoed); — verb.
kwijnen, er ziekelijk uitzien, (eene ra) optoppen: A —ed cap = met
klep; —ed beard = puntbaard; A —ed look = kwijnend; —ed-up persons =
stijve, opgeprikte personen; —ing = ziekelijk; geniepig; —ish =
ziekelijk; —y = spits, ziekelijk uitziend.
Peal, pîl, subst. knal, slag, salvo, geratel, donderslag, klokgelui,
aantal klokken; — verb. luide weerklinken of weergalmen: The —s were
rung = er werd op de klokken gespeeld, klokkenspel weerklonk; —s of
laughter, of thunder = schaterend gelach, ratelende donderslagen; The
bells —ed forth their merriest sounds = de klokken deden hare
vroolijkste klanken hooren.
Pear, pêə, peer; —-tree.
Pearce, pîəs.
Pearl, pɐ̂l, parel, paarlemoer; pil; staar, (ook —-eye), diamantletter;
ook adj.; — verb. met parelen bezetten, beperelen, parelen: Mother of —
= paarlemoer; That’s casting —s to (before) the swine = dat is paarlen
voor de zwijnen gooien; The girl strung her beads and —s = reeg hare
kralen en paarlen; —-ash = parelasch; —-barley = geparelde gerst;
—-disease = parelziekte; —-diver = parelvisscher; —-eye(d) = (met) een
vlek (staar) op het oog; —-fishery = parelvisscherij, de plaats
hiervoor; —-oyster = pareloester; —-sago; —-shell = parelschelp;
—-studded = met paarlen bezet; —-white = parelwit; —y = parelachtig,
vol paarlen.
Pears, pîəz; Pearson, pîəs’n.
Peasant, pez’nt, subst. en adj. boer(sch); —ry = boerenstand, landvolk.
Pease, pîz, erwten.
Peat, pît, turf; ook = A lump of — = een turf; —-bog = laag veen;
—-cutter = turfsteker; —-drag = bagger; —-moor = hoog veen; —-moss =
veenmos; —-stacks; —ery = veenderij; —y = uit turf bestaande, turf
bevattende.
Pebble, peb’l, kiezelsteen (= —-stone), agaat, bergkristal (=
—-crystal); —d, Pebbly = vol kiezelsteenen.
Peccability, pekəbiliti, zondigheid; Peccable, pekəb’l, zondig;
Peccadillo, pekədilou, kleine zonde, pekelzonde; Peccancy, pek’nsi,
zondige staat; Peccant = zondig, bedorven, slecht; Peccavi, pekeivai,
“ik heb gezondigd”, schuldbelijding: To cry — = schuld bekennen, om
vergiffenis vragen.
Peck, pek, subst. maat van ± 9 L.; pik, hap, kus, voer, kost; groote
hoeveelheid; — verb. pikken, vitten, eten: There are —s and —s of =
hoopen; It gave me a — of trouble = een heele portie last; We had to
keep them — and perch, all the year round = we moesten hen onderhouden;
She —ed at her chop = knabbelde aan, at met kleine beetjes van; She —ed
up all the crumbs = raapte (pikte) op; —-alley = keel(gat); —er =
specht; snavel: To keep up one’s —er = den moed (of eetlust) niet
verliezen; To go to Peckham = gaan eten; All holiday at Peckham =
Schraalhans is keukenmeester; Peckish = hongerig.
Pectin, pektin, pectine.
Pectinate, pektənit, kamvormig.
Pectoral, pektər’l, borst - -; subst. borstmiddel, borstlap,
borstschild of kruis van priesters, borstspier; borstvin = — fin.
Peculate, pekjuleit, (geld) verduisteren; Peculation: — was rife, and
abuses were rampant = verduistering was algemeen; Peculator.
Peculiar, pəkjûliə, eigenaardig, bijzonder, origineel; ook subst.: This
wine has a — flavour = een gansch bijzonderen smaak (en geur); —ity,
pəkjûliariti, eigenaardigheid, bijzonderheid.
Pecuniary, pəkjûniəri, geldelijk, geld(s) ...: In — difficulties,
troubles = in geldelijke moeilijkheden.
Ped, ped, pedaal; voetganger; groote mand.
Pedagogue, pedəgog, pedagoog, schoolvos; Pedagogical, pedəgodžik(’l),
pedagogisch; Pedagogics, pedəgodžiks, pedagogiek.
Pedal, ped’l, pîd’l, voet - -; subst. pedaal; — verb. het pedaal
gebruiken; peddelen, fietsen; —-note = aangehouden toon; —-pipes (of an
organ); —(l)er = fietser.
Pedant, ped’nt, schoolvos; —ic(al), pədantik(’l), pedant; —ry =
muggenzifterij, pedanterie.
Peddle, ped’l, venten, met eene mars loopen; zich met beuzelarijen
ophouden: —r = marskramer (Z. Pedlar); Peddling = beuzelachtig,
onbeteekenend.
Pedestal, pedəst’l, voetstuk: — writing-table = “bureau ministre”; To
put on a — (fig.).
Pedestrian, pədestriən, voet - -; gewoon, alledaagsch, prozaïsch;
subst. voetganger: — journey, — tour = voetreis; —ism = het wandelen,
wandelwedstrijd, hardloopwedstrijd; alledaagschheid.
Pedicel, pedisel, bloemsteel; —late, pediselit, gesteeld.
Pedigree, pedigrî, stam- of geslachtsboom, afkomst: — cattle =
stamboekvee.
Pediment, pediment, pediment, gevelveld.
Pedipalp, pedipalp, schorpioenspin; taster (van een spin).
Pedireme, pedirîm, waterwants.
Pedlar, Pedler, pedlə, marskramer; —y = marskramerij; bedriegerij.
Pedlington, pedliŋt’n: This is the Little — view of the matter =
kleingeestige, bekrompen kijk op.
Pedometer, pədomətə, pedometer.
Peduncle, pədɐŋk’l, (bloem)steel; Peduncular, pədɐŋkjulə, bloemsteel
...; steel ...; Pedunculate, pədɐ̂nkjulit, gesteeld.
Peek, pîk, verb. gluren: —-a-boo = Peep-bo: —-a-boo blouse = blouse met
transparant halsstuk; —er.
Peel, pîl, subst. schil; schieter (van bakkers), versterkte toren (op
de grens van Eng. en Schotl.); — verb. schillen, afschillen,
afschilferen, ontkleeden, plunderen: Candied — = sukade; Orange —; To
keep one’s eyes —ed = zijne oogen open houden (fig.); —ings = schillen.
Peel, pîl: —er = klabak.
Peep, pîp, subst. gepiep; het eerste dagen of verschijnen, gluren,
sluwe blik; — verb. piepen; gluren (naar = at), gloren, aanbreken, sluw
kijken: At the — of dawn = bij het gloren van den dag; To take a — at =
gluren naar; —-bo = kiekeboe! —-hole = kijkgaatje; —-o’-day boys =
Iersche (Protest.) opstandelingen (1784); —-show = kijkkast; —er = pas
geboren kuiken; loervogel (fig.); oog: Painted —ers = blauwe (geslagen)
oogen; Single —er = éénoog; —ing Tom = loervogel.
Peer, pîə, gluren, kijken, te voorschijn komen.
Peer, pîə, subst. pair, gelijke; —age = pairschap, de hooge adel;
adelboek; —ess = adellijke dame, vrouw van een peer; —less(ness)
weergaloos(heid).
Peevish, pîviš, gemelijk, knorrig; subst. —ness.
Peewit, pîwit, kievit.
Peg, peg, subst. pen of pin, nagel, klemhoutje, schroef; tand, voet,
bepaalde slag; cognac met spuitwater; — verb. met pinnen vastmaken of
merken, afranselen (into), geducht werken of eten (away), met pennen
uitzetten (out), uitknijpen (out), hard loopen: —s = broek van boven
zeer wijd en van onderen erg nauw; He is a square (round) — in a round
(square) hole = niet op zijne plaats; To come down a — or two = een
toontje lager zingen; I’ll take (pull) him down a — or two = ik zal hem
een toon of wat lager doen zingen; I have —ged two for you = twee voor
u aangezet; He was —ging away at his translation = werkte hard aan;
—-top = priktol; —-tops = broek, wijd van boven en nauw om de enkels.
Pegasus, pegəsɐs, Pegasus; Peggoty, pegəti; Pegram, pîgrəm; Peile, pîl;
Peirce, pîəs, pɐ̂s; Pekin, pəkin; Pekin(g), pikin(g).
Pekoe, pekou, pîkou, Pecco-thee.
Pelagic, piladžik, zee...
Pelargonium, peləgounj’m, pelargonium.
Pelerine, pelərîn, pelərîn, pelerine.
Pelf, pelf, vuil; “duiten”: It was the — that got her a husband = zij
kreeg een man om haar “moppen”.
Pelican, pelik’n, pelikaan; tang, haak; distilleerkolf.
Pelion, pîliən: To pile Ossa on — = zich bovenmenschelijk inspannen.
Pelisse, pəlîs, soort mantel, pelsmantel.
Pellet, pelət, balletje, propje, kogel(tje), grove hagelkorrel; — verb.
met balletjes (hagelkorrels) schieten op.
Pellicle, pelik’l, huidje, vliesje.
Pellitory, pelitəri, glaskruid.
Pell-mell, pelmel, in groote verwarring, blindelings; subst.
verwarring, handgemeen.
Pellucid, pəl(j)ûsid, helder; doorschijnend; subst. —ity, pel(j)usiditi
= —ness.
Peloponnesian, peləpənîsiən; subst. Peloponnesus.
Pelt, pelt, gooien, werpen, kletterend neerkomen; subst. werpen enz.;
vel, vacht, ruwe huid: To — along = voortjakkeren (snellen); —-monger =
handelaar in huiden en vellen; —-wool = wol (van doode schapen); —er =
hagel (fig.), plasregen; geweer, pistool, klein oorlogschip; —erer =
handelaar in vellen; —ry = pelterij, huiden.
Pelvic, pelvik, bekken...; Pelvis, pelvis, bekken.
Pembroke, pembruk: — table = kleptafel.
Pem(m)ican, pemik’n, gedroogd gemalen en met vet tot koeken geperst
vleesch: This booklet is historical — = droog maar degelijk.
Pen, pen, subst. schaapskooi, hok, perk; pen, veder, stijl; — verb.
opsluiten, stuwen; schrijven, neerpennen: Slip of the — = schrijffout,
vergissing; The last stories from her — = van hare hand; These —s have
hard, soft nibs = dit zijn pennen met harde, zachte punten; I want this
— mended = ik wou deze pen vermaakt hebben; To put the — through = de
pen halen door; To set — to paper: —-case = pennenkoker; —-driver =
pennelikker; —-fish = pijl-inktvisch; —holder = pennehouder: —knife =
pennemes; —-man = schoonschrijver; —manship = schrijfkunst, manier van
schrijven; —-name = pseudoniem; —wiper = pennenwisscher.
Penal, pîn’l, straf..., strafbaar: — code = wetboek van strafrecht; —
colony = strafkolonie; — laws = strafwetten; — servitude = dwangarbeid;
— settlement = strafkolonie; —ty, pen’lti, wettige straf of boete;
extra gewicht op een renpaard; bij een handicap; — kick = strafschop;
—ize = strafbaar stellen: Abstention of voting ought to be —ized =
onthouding van stemming moest strafbaar gesteld worden; Penance,
pen’ns, boetedoening, zoenstraf, boetekleed; ook verb.: To do —.
Penang, pinaŋ: —-lawyer (Zie Lawyer); —-nut = betelnoot.
Penarth, pînəth.
Penates, pəneitîz, Penaten of huisgoden.
Pence, pens, stuivers (als verzamelwoord): St. Peter’s — =
Pieterspenning; Bad six— always turns up = onkruid vergaat niet.
Pencil, pensil, subst. penseel, potlood, bundel; — verb. schilderen,
teekenen, met een potlood opschrijven: A — of rays = stralenbundel;
—-case = potloodhouder; —-colo(u)rs = crayon; —-compass = —-pointer =
potloodscherper of -punter.
Pendant, pend’nt, oorhanger, hanger, wimpel, pendant, luster.
Pendency, pend’nsi, het hangen, onzekerheid, aanhangig zijn; Pendent =
hangend; vrij zwevend; — bridge.
Pendennis, pendenis.
Pending, pendiŋ, adj. hangende, onbeslist, prep. gedurende: — affairs =
loopende zaken; He smiled, with life and death — = zwevende tusschen
dood en leven; — the inquiry = gedurende het onderzoek.
Pendragon, pendrag’n, opperste veldheer bij de Oude Britten; —ship.
Pendulous, pendjulɐs, hangend, schommelend, trillend: He had a —
excrescence on his nose = een slingerend uitwas; subst. —ness;
Pendulum, pendjulɐm, slinger; —-clock.
Penelope, pəneləpî.
Penetrability, penətrəbiliti, subst. v. Penetrable, penətrəb’l,
doordringbaar, ontvankelijk; subst. —ness; Penetralia, penətreiljə,
binnenste van huis of tempel; geheimen; Penetrant = doordringend;
Penetrate, penətreit, doordringen, doorgronden; Penetrating =
doordringend, fijn onderscheidend, scherp; Penetration, penətreiš’n,
het doordringen of doorgronden, doordringingsvermogen, scherpte,
scherpzinnigheid; Penetrative, penətrətiv, doordringend: — effect (van
een schot); subst. —ness.
Penguin, pengwin, Penguin, vetgans.
Peninsula, pəninsiulə, schiereiland; adj. —r: The — War = de oorlog in
Spanje en Portugal tegen Napoleon I (1808–1814).
Penitence, penitens, berouw, boete; Penitent, boetvaardig, boete
doende; subst. boetvaardige, boeteling; Penitential, penitenšl, subst.
boeteboek (ten behoeve van biechtvaders); adj. berouwhebbend,
boetvaardig: — Psalm = boetpsalm; Penitentiary, penitenšəri, boete...,
boetvaardig; subst. verbeteringsgesticht; tuchthuis; penitentiaris
(hoofd van het pauselijk college dat over dispensaties en vrijspraak
beslist).
Pennant, pen’nt, vlaggetje, wimpel.
Pennate(d), penit(id), gevleugeld = Pennigerous.
Penniless, peniles, arm; subst. —ness.
Pennon, pen’n, wimpel, vaantje; wiek.
Pennsylvania, pensilveinjə; adj. en subst. —n.
Penny, peni, 1⁄12 van een shilling, stuiver, geld: A — saved is a —
gained = een stuiver gespaard is een stuiver gewonnen; In for a —, in
for a pound = komt men over den hond, dan komt men over den staart; A —
at a time = zachtjes aan, geleidelijk; To make a — = geld verdienen; To
turn an honest — = een eerlijk stuk brood verdienen; —-a-liner = loon-,
broodschrijver; —-a-lining = broodschrijverij; Two— people = proleten;
Two— half— godliness (picnic) — goedkoope; —-in-the-slot machine =
automaat; —-gaff = tjingeltangel; — royal = polei; —-wedding =
bruiloftsfeest, waar de gasten bijdragen tot de onkosten; —-weight = ±
1.55 gram; —-wise = krenterig: Their —-wise precautions = prullerige
voorzorgsmaatregelen; To be —-wise and pound-foolish = de zuinigheid de
wijsheid laten bedriegen; —worth, penəth, peniwɐ̂th, voor de waarde van
een stuiver, iets ge- of verkochts, koop, kleinigheid: You have got
there a poor —worth = ge hebt u daar leelijk in den nek laten zien.
Pensile, pens(a)il, hangend; subst. —ness.
Pension, penš’n, subst. pensioen, jaargeld, geld betaald in plaats van
tienden; met Fr. uitspr. pension; — verb. pensionneeren; in pension
zijn: Old Age —s Act = wet op ouderdomspensioen; Not for a — = voor
geen geld ter wereld; To return home on a —; He was —ed off on another
post = kreeg pensioen en werd in eene andere betrekking geplaatst;
—able = gerechtigd tot (rechtgevend op) het verkrijgen van een
pensioen; —ary, subst. gepensionneerde, pensionaris; adj.
pensioen(s)...; pensioen trekkend: Grand —ary; —er = gepensionneerde,
iemand die jaargeld geniet: Chelsea —er = invalide uit het Chelsea
Hospital; Greenwich —er = invalide (matroos) uit het Hospital te
Greenwich; Gentleman —er = een lid van het corps der Gentlemen-at-Arms,
een oude paleis-eerewacht.
Pensive, pensiv, peinzend, somber, zwaarmoedig; subst. —ness.
Penstock, penstok, verlaat; hydrant.
Pent, pent, opgesloten; ook = —house.
Pentachord, pentəköd, vijfsnarige lier.
Pentacle, pentək’l, soort tooverzegel tegen heksen.
Pentadactyl(ous), pentədaktil(əs), met vijf vingers of teenen.
Pentagon, pentəgon, vijfhoek, fort met vijf bastions; —al, pentagən’l,
vijfhoekig.
Pentagraph, pentəgraf, teekenaap.
Pentahedral, pentəhîdr’l, pentəhedr’l, met vijf gelijke zijden;
Pentahedron, pentəhîdr’n, pentəhedr’n, regelmatige vijfhoek.
Pentameter, pentamətə, vijfvoetige versregel.
Pentarchy, pentəki, vijfmanschap.
Pentastich, pentəstik, vijfregelig gedicht.
Pentateuch, pentətjûk, vijf boeken van Moses.
Pentecost, pentəkost, pinkster(feest); —al, pentəkost’l, Pinkster...
Penthouse, penthaus, afdak; ook verb.
Penult, pînɐlt, pinɐlt, Penultimate, tweede lettergreep van achter.
Penumbra, pinɐmbrə, bijschaduw.
Penurious, pənjûriəs, vrekkig, gierig; schraal, karig, behoeftig;
subst. —ness; Penury, penjuri, diepe armoede, volslagen gebrek.
Penzance, penzâns.
Peon, pîən, Indisch soldaat (bode, politieagent); Mexicaansche slaaf of
arbeider; pion (schaaksp.); Peonage = Peonism = dienstbaarheid.
Peony, pîəni, pioen.
People, pîp’l, subst. natie, volk. geslacht, ras, menschen, bedienden;
— verb. (zich) bevolken: The — = de groote hoop. gepeupel; The —s of
antiquity = volkeren; My — = mijne familie; One’s own — = iemands
bloedverwanten.
Pepin, pepin.
Pepper, pepə, subst. peper; — verb. peperen; bombardeeren, er op los
schieten of ranselen (away): Ground — = gemalen peper; Whole (Round) —;
— and salt = zwart en wit, gemengd-kleurig; I’ll give you — = ik zal
het je inpeperen; —-box = peperbus, driftkop; —-caster = peperbus;
revolver; —-cake = peperkoek; —-corn = peperkorrel; iets van zeer
geringe waarde: —-corn rent = nominale pacht, waardoor een eigenlijke
lease-hold feitelijk tot een freehold wordt; —-mill; —mint = pepermunt
(—-drop, —-lozenge); —-wort = peperkruid; —er = driftkop; —y =
gepeperd; scherp; driftig, heet gebakerd.
Pepsin(e), pepsin, pepsine.
Peptic, peptik, de spijsvertering bevorderend; middel ter bevordering
der spijsvertering: —s = spijsverteringsorganen; Peptone, peptoun,
pepton.
Pepys, peps, pips, pepis.
Per, pɐ̂, per, door: — advance = vooruit; — advice = volgens bericht; —
annum = per jaar; — cent. = percent; As — margin = volgens aanteekening
op den rand.
Peradventure, peradventšə, misschien, toevallig; subst. twijfel,
onzekerheid.
Perambulate, pərambjuleit, door-, rondwandelen; Perambulation =
doorwandeling, rondgang, inspectie, schouw; Perambulator = kinderwagen,
melkwagentje.
Perceivable, Perceive, pəsîv, waarnemen, bemerken, inzien,
onderscheiden.
Percentage, pəsentidž, percentage.
Percept, pɐ̂sept, waarneembaar iets, iets reëels: Snow is a —, the white
of snow a concept = sneeuw is iets reëels, de witte kleur ervan bestaat
niet op zichzelf, maar wordt er aan waargenomen; —ibility =
waarneembaarheid; —ible, pəseptib’l waarneembaar (voor = to); —ion,
pəsepš’n, waarneming, gewaarwording, begrip: Range of —ion =
gezichtskring (fig.); —ive = vatbaar voor waarneming of gewaarwording:
—ive faculty = —iveness = —ivity = waarnemings-,
gewaarwordingsvermogen.
Perch, pɐ̂tš, subst. baars; stok, prik, hooge bok of zitplaats; maat van
5,029 M.; ook 1⁄160 acre; — verb. als een vogel zitten of gaan zitten,
hoog zitten, zetten op: I am off to — = ik ga op stok (naar kooi); The
bird was —ed there; I was —ed on the roof = zat; —er = vogel, die op
takken pleegt te zitten; groote altaarkaars; —ing-stick = prik.
Perchance, pətšans, misschien, bijgeval.
Percipience, pəsipj’ns, Percipiency, gewaarwording, waarneming;
Percipient, waarnemend, bespeurend; ook subst.
Percolate, pɐ̂kəleit, doorzijgen, filtreeren, zuiveren; subst.
Percolation; Percolator = filter; filtreerkoffiekan.
Percuss, pəkɐs, stooten; percuteeren; Percussion, pəkɐš’n, schok, slag;
percussie (Med.): —-cap = slaghoedje; —-lock = slot met slaghoedje;
Percussive = schokkend, slaand, slag- -, schok- -.
Percy, pɐ̂si; Perdita, pɐ̂ditə.
Perdie, pɐ̂dî = par Dieu.
Perdition, pədiš’n, vernietiging, ondergang; verdoemenis: Go to — =
loop naar den duivel.
Peregrinate, perəgrineit, zwerven, rondtrekken; Peregrination,
perəgrineiš’n, rondzwerving, verblijf buitenslands; Peregrinator.
Peregrine, perəgrin.
Peregrine(-falcon), perəgrin(fôk’n), edelvalk.
Peremptoriness, perəm(p)tərinəs, subst. v. Peremptory, per’m(p)təri,
volstrekt, beslissend, afdoende, meesterachtig, vasthoudend: His
commands are — = dulden geene tegenspraak; To take a — pipe = nog een
laatste pijpje stoppen.
Perennial, pərenj’l, subst. vaste, overblijvende plant; adj. een vol
jaar durend; overblijvend, onafgebroken.