P, pî: He is on his P’s and Q’s = op zijn “qui vive”; Mind your P’s and

Q’s, for she is very black (= knorrig) this morning = pas op uw tellen;

P. staat verkort voor page, participle, past, pole en port; Pa =

Pennsylvania; Paint(ing); Pa(st) Part(iciple); Par(agraph);

Parl(iament); Particip(ial); Pass(ive); Pat(rick); Pathol(ogical);

P(atres) C(onscripti) = de beschreven vaderen; P(olice) C(onstable);

P(rivy) C(ouncil); P(ai)d; Penn(sylvania); Pers(onal); Percent(um) =

percent; Perf(ect); Pet(er); Pharm(acy); Ph(ilosophiae) B(accalaureus);

Ph(ilosophiae) D(octor); Phil(osophy); Phil. Trans. = Transactions of

the Philosophical Society = Handelingen van het Wijsgeerig Genootschap;

Philol(ogy); Philos(ophy); Photog(raphy); Phren(ology); Phys(ics);

Physiol(ogy); Pinx(it) = hij (zij) heeft het geschilderd; P(oet)

L(aureate); P(oor) L(aw) C(ommissioners); Plu(ral); Plup(erfect);

P(ost) M(eridiem) = na den middag; P(ost) M(aster) G(eneral); P(ost)

O(ffice); P(eninsular &) O(riental Steam Navigation) Co(mpany);

Poet(ry); Pol(ish); Polit(ical) Econ(omy); P(ost) O(ffice) M(oney)

O(rder); Pop(ulation); Port(ugal); Poss(essive); Pph = Pamphlet;

Pr(esent, Prince of Priest); Pr(esent) Par(ticiple); P(resident of the)

R(oyal) A(cademy); Pref(ix of Preface); Prep(osition); Pres(ent);

Pret(erite); Prim(ary); Print(ing); Prob(lem); Prof(essor);

Prop(osition); Pro temp(ore) = voor het oogenblik; Prov(erb); Prox(imo

= volgende maand); P(resident of the) R(oyal) S(ociety); Prus(sia); P.

S. = Postscript; P(rompter’s) S(ide) = de rechterzijde van het tooneel,

waar de souffleur staat; P(rivy) S(eal); Ps(alm); Psychol(ogy);

P(articulars) t(o) f(ollow) = nadere bijzonderheden volgen; P(lease)

T(urn) O(ver); Pub(lic); Pxt = Pinx(it).

Pa, pâ, Pa.

Pabulary, pabjuləri, voedzaam, voedsel - -; Pabulum, pabjulɐm, voedsel:

To offer literary —.

Paca, pakə, peikə, gevlekt zeevarkentje (Z. Amer.).

Pace, peis, subst. stap, pas, gang, schrede, tempo, elasticiteit der

banden van een biljart (= — of the table): — verb. gaan, stappen,

afpassen; afstappen, gangmaken: Double-time — = looppas; Ordinary — =

marsch tempo; Quick — = versnelde pas; To go at a great — = flink

doorstappen; To go the — = voortsnellen; een vroolijk (losbandig) leven

leiden; To keep — with = met iemand in den pas blijven, iemand

bijblijven; You had better mend your — = je deed beter wat aan te

stappen; To set the — = het tempo aangeven; We walked twelve miles at a

— = twaalf mijlen achtereen; The horse (He) was put through its (his)

paces = men liet het paard vóórdraven, hij werd op de proef gesteld,

moest toonen wat hij kon; To work a horse within his — = zich niet te

veel laten inspannen; —-maker = gangmaker; Thorough-—d = flink

geoefend, geschoold, onvervalscht, doortrapt; —r = renpaard.

Pace, peisi: — Mr. W. = met verlof van.

Pacha, pəšô, pacha.

Pachyderm, pakidɐ̂m, dikhuidig dier; —atous, pakidɐ̂mətɐs, dikhuidig;

ongevoelig.

Pacific, pəsifik, subst. Stille Zuidzee; adj. —(al) = vredelievend,

verzoenend, rustig, vreedzaam; —ation = verzoening, verdrag,

bevrediging; —ator = vredestichter; Pacifier, pasifaiə, vredestichter;

Pacify = bevredigen, stillen, tot bedaren brengen.

Pack, pak, subst. pak, last, menigte, troep, spel (kaarten), troep

(jachthonden); — verb. pakken, inpakken, laden, bergen, wegzenden, de

kaarten valsch leggen, eene jury zóódanig samenstellen dat ze partijdig

is; zich laten pakken, pakken, zich wegpakken; —-cloth = paklinnen;

—-horse = lastpaard; —-ice = pakijs; —man = marskramer; —-saddle =

pakzadel; —-staff = stok (van een marskramer); —thread = pakgaren; I

sent him —ing = ik heb hem de laan uitgestuurd; He was found guilty by

a —ed jury = een partijdige jury; The hall was —ed in every part = vol

aan alle kanten; With such people they — their audiences = vullen zij

hun gehoor; —age, pakidž, pakje, pak, emballage, pakloon: Number of

—ages = getal colli; —er = pakker; lastdier, leider van een lastdier;

—et, subst. pakje, pakketboot; — verb. inpakken, verzenden per

—et-boat; —et-line; —et-ship; —ing = vulling, pakking, pakloon;

—ing-awl = paknaald; —ing-bath = natte omslagen; —ing-case = pakkist,

enz.; —ing-needle = paknaald; —ing-paper; —ing-room = pakkamer;

—ing-sheet = paklinnen, natte omslag (laken).

Paco, pâkou, peikou, alpaca.

Pact, pakt, verbond, verdrag; —ional = afgesproken.

Pad, pad, subst. zacht kussen, stootkussen, onderlegger, spoor

(voetindrukken); klepper, telganger (= —-nag); — verb. te voet reizen,

opvullen, watteeren: A — of straw = een bos stroo; She wears —s = stopt

zich op; To go upon the — = op roof uitgaan; —ding = (op)vulsel, iets

ter vulling of bladvulling: There is much —ding in the book.

Paddle, pad’l, subst. pagaai, blad (van een roeiriem), schoep (van een

scheprad), zwemvoet; — verb. in het water plassen, pagaaien; waggelen;

uitsnijden; streelen; afranselen (Amer.): He —s his own canoe = hij

redt zichzelf; —-board = schoep; —-boat = raderboot; —-box = raderkast;

—-wheel = scheprad.

Paddock, padək, besloten perk of veld naast een stal (of op een

renbaan); stoeterij; padde: As cold as a — = ijskoud; —-stool =

paddestoel.

Paddy, padi, (verk. v. Patrick) bijnaam voor een Ier; rijst in de aar.

Padella, pədelə, Padelle, pədel, illumineerschaaltje.

Padisha(h), pâdîšâ, pâdišâ, padišô, Groote Heer, titel van den sultan

of shah.

Padlock, padlok, subst. hangslot, slot (fig.): — verb. met een hangslot

vastmaken.

Padra, pâdra, soort van zwarte thee.

Padua, padjuə; Paduan = Paduaansch; bewoner v. P.; Paduasoy, padjuəsôi,

padjuəsôi, Paduazijde, kleed daarvan vervaardigd.

Paean, pîən, triomfzang, danklied.

Paedobaptism, pîdəbaptizm, kinderdoop.

Paeony, pîəni, pioen.

Pagan, peig’n, subst. heiden; adj. heidensch = —ish; —ism = heidendom;

—ize = heidensch maken, als heidenen doen.

Page, peidš, subst. page, livreijongen, bode; bladzijde, geschrift,

episode; — verb. als page dienen; pagineeren; —hood = pageschap.

Pageant, padž’nt, peidž’nt, vertooning, praal, pracht, optocht; —ry =

praalvertooning.

Paget, padžət.

Paginal, padžin’l, uit bladz. bestaande; subst. Pagination.

Pagoda, pəgoudə, afgodentempel; vroegere gouden (soms zilveren) munt

van ± 7 s. (Br. Ind.): To shake the —-tree = spoedig fortuin maken in

Indië.

Pah, pâ, subst. versterkt kamp bij de Maori’s; interj. bah!

Paid, peid, imperf. en part. perf. van to pay.

Pail, peil, emmer; —ful: By —fuls = met emmers.

Pain, pein, pijn, zorg, kommer, straf; (—s = moeite, inspanning;

weeën); — verb. pijnigen, kwellen, smarten, bedroeven, beangstigen: To

be in —; To have much —; To give — = pijn doen; On — of death, — of a

fine = op straffe des doods, van boete; It —s me to see = doet me leed;

We are —ed at the death of a friend; No gains without —s = zonder

moeite heeft men niets; I have been at the (infinite) —s to help him =

heb (veel) moeite gedaan; He has spared no —s, has taken many —s =

heeft geene moeite ontzien, veel moeite gedaan; —staker; —staking =

onverdroten; nauwgezet; ook subst.; —ful = pijnlijk, subst. —fulness;

—less = pijnloos; licht; subst. —lessness.

Painim, peinim, heiden; adj. heidensch = Paynim.

Paint, peint, subst. verf, blanketsel, tinctuur; — verb. schilderen,

blanketten, verven, tinten, afbeelden, beschrijven: Wet —! = pas

geverfd! She —s = blanket zich; Her letters — in her autobiography =

vullen aan; To — the city red = de blommetjes buiten zetten; —ed of a

deep red = donkerrood gekleurd; —ed in oils = olieverf; — flirtation =

groote behaagzucht (door blanketten); —-box = kleurdoos, verfdoos,

schildersdoos; (House) —er = (huis)schilder, vuist: To let go the —er =

er op los slaan; —er’s colic = loodvergiftiging; —ing = schilderkunst,

schilderij, blanketsel: —ing-room = atelier; —ress = schilderes; —y =

met verf bevuild.

Painter, peintə, vanglijn: To cut a person’s — = iemand wegzenden; hem

verhinderen kwaad te doen; To cut the — = uitsnijden.

Pair, pêə, subst. paar; — verb. in paren vereenigd zijn of vereenigen,

bij elkaar passen, paren: — and — = paarsgewijze; A carriage and — =

een rijtuig met 2 paarden; There’s a — of them = zij zijn aan elkaar

gewaagd, een paar besten; That’s (quite) another — of boots = dat is

andere thee (fig.); Two — of spectacles = twee brillen; A — of steps =

huistrap; He rang the two—-bell = de bel van twee hoog; A two—-front =

voorkamer twee hoog; He struck up a — with another member, Vergel. To —

off; To — off = in paren heengaan of komen: In the House of Commons

they have adopted the system of —ing off, by which an equal number of

members of opposite parties have agreed not to partake of the division,

so that the chances remain equal by their non-appearance = in het Huis

der Gemeenten bestaat het stelsel van samen wegblijven, waarbij een

gelijk aantal leden van tegenovergestelde partijen zijn overeengekomen

niet aan de stemming deel te nemen, zoodat de kansen dezelfde blijven

bij hunne nietverschijning; —ing-season (—-time) = paartijd.

Paixshansgun, peiks’nzgɐn, soort houwitser.

Pal, pal, kameraad (Slang): To — on = maatjes worden.

Palace, palis, paleis: The — = het kristallen paleis; —-car =

salonwagen (Amer.); —-Court = een in 1849 opgeheven gerechtshof; —-yard

= slotplein.

Paladin, palədin, (dolende) ridder, paladijn.

Palaeontology, peiləontolədži, paləontolədži, palaeontologie.

Palaeography, peiləogrəfi, palaeographie.

Palampore, paləmpö, sprei van gebloemd sits.

Palankeen, Palankin, Palanquin, palənkîn, draagkoets.

Palatability, palətəbiliti, smakelijkheid; Palatable = smakelijk,

aangenaam; subst. —ness; Palatal, subst. verhemeltebeen;

verhemelteletter; adj. verhemelte...; Palatalize = in een palatal

veranderen; Palate, palit, verhemelte, smaak.

Palatial, pəleiš’l, paleis..; vorstelijk.

Palatinate, pəlatinit, palətinit, paltsgraafschap: The — = de Palts;

Palatine, palət(a)in, tot het keizerlijk hof of paleis behoorend,

paltsgrafelijk; subst. palantijn, bewoner van een County —, of de

Palts; een soort pelskraag (= — tippet): Count — = paltsgraaf, titel

van de oudtijds met bijzondere privilegiën begiftigde stedehouders van

Chester, Durham en Lancaster; County — = paltsgraafschap.

Palaver, pəlâvə, pəlavə, subst. discussie, samenspreking, gewauwel; —

verb. bepraten, wauwelen; —er.

Pale, peil, subst. paal, spietspaal, omsloten ruimte, district, gebied,

grenzen: Within the — of the law = binnen de perken...; The English — =

deel v. Ierland, waarin het Engelsche gezag werd erkend (1172–1602); —

verb. met palen omsluiten.

Pale, peil, bleek, mat, flauw, dof; — verb. bleek worden, verbleeken: A

— smile = flauwe; She alternately —d and flushed with anger = werd

beurtelings bleek en rood; —face = bleek gezicht; —-faced = met een

bleek gelaat; —-hearted = moedeloos; —ness = bleekheid.

Palestine, paləstain, Palestina; adj. Palestinian, Palestinean.

Paletot, palətou, paletot.

Palette, palət, palet: To set the — = kleuren op het palet brengen;

—-knife = = tempermes.

Paley, peili.

Palfrey, pôlfri, damesrijpaard, telganger.

Palgrave, pôlgreiv, palgreiv.

Pali, pâli, Pali, taal der Zuidelijke Boeddhisten.

Palimpsest, palimpsest, palimpsest, perkamentrol, die na afkrabbing van

het oorspronkelijk geschrevene, opnieuw beschreven is; ook adj. en

verb.

Palindrome, palindroum, woord of zin, evengoed naar voren als naar

achteren te lezen, b.v. lepel, madam.

Paling, peiliŋ, paalwerk, staketsel.

Palingenesis, palindženəsis, wedergeboorte; palingenesie.

Palisade, paliseid, subst. palissade, paalwerk, staketsel; — verb.

ompalen, palissadeeren.

Palisander, palisandə, palisanderhout.

Palish, peiliš, eenigszins bleek.

Pall, pôl, subst. mantel; doodskleed (over de lijkkist) = Funeral —; —

verb. met een lijkkleed bedekken; —-bearer = iemand, die (de slippen

van) het lijkkleed draagt.

Pall, pôl, verschalen, kracht of aantrekkelijkheid verliezen, vervelen,

tegenstaan: It —s upon the reader = begint den lezer te vervelen;

Beauty alone soon —s upon the sense.

Palladium, pəleidj’m, beeld van Pallas Athene in Troje, dat de

onneembaarheid der stad waarborgde, palladium, schild, heiligst

kleinood.

Pallet, palət, palet, in verschillende beteekenissen; stroozak,

veldbed.

Palliasse, paljas, stroomatras.

Palliate, palieit, verzachten, verlichten, bemantelen; subst.

Palliation; Palliative, subst. en adj. verzachtend(middel); Palliator.

Pallid, palid, bleek; subst. Pallidity = —ness.

Pallium, paliəm, opperkleed der oude Grieken; schoudermantel van een

aartsbisschop; mantel (weekdieren).

Pallmall, pelmel, maliespel; straat van dien naam in Londen, het daarin

gelegen Ministerie van Oorlog.

Pallor, palə, bleekheid, ongezonde kleur.

Palm, pâm, palm (van de hand), lengtemaat, blad van een roer, klauw van

een anker, tak van een gewei, palmtak, palmboom, zegepalm; — verb.

betasten, streelen, in de palm der hand verbergen, aansmeren,

bedriegen: He bears (wins) the — = draagt den palm weg; That carries

the — = spant de kroon; To yield the — = het veld ruimen; He —ed

himself off as an artist = deed zich voor als; He would — off his

butterine on me as best dairy-fresh = mij zijne kunstboter als beste

natuurboter aansmeren; —-butter = palmboter; —-greasing = omkooperij;

—-house = palmenhuis; —-leaf = palmblad (waaier, hoed); —-oil =

palmolie; steekpenning; —-Sunday = Palmzondag; —-tree; —ar, palmə, tot

de hand behoorende, van eene handbreed; —arian, palmêriən, uitstekend =

—ary: His —arian emendation of that passage = schitterende

tekstverbetering; —ate, palmit, handvormig; met zwemvliezen; —er, pâmə,

pelgrim, die als bewijsstuk een palmtak uit het Heilige Land meebracht;

soort kunstvlieg (hengelsport); —er-worm = soort harige rups; —ist(er),

palmist(ə), pâmist(ə), handkijker; —istry = voorspelling uit de palm

van de hand; —y, pâmi, vol palmen, zegevierend, bloeiend, gelukkig.

Palmerston, pâməst’n.

Palmetto, palmetou, buks, dwergpalm.

Palmiped, palmiped, adj. met zwemvliezen; subst. zwemvogel.

Palp, palp, voelhoren; Palpi, palpai = voelhorens; Palpiform, palpiföm,

in den vorm van voelhorens; Palpigerous, palpidžərɐs, voelhorens

dragende.

Palpability, palpəbiliti, subst. v. Palpable, palpəb’l, voelbaar,

tastbaar, duidelijk; subst. —ness; Palpation, palpeiš’n, onderzoek door

voelen.

Palpitate, palpiteit, snel kloppen (van het hart); Palpitation of the

heart = hartklopping.

Palsgrave, pôlsgreiv, palzgreiv, paltsgraaf; Palsgravine, pôlzgrəvîn,

paltsgravin.

Palsied, pôlzid, door verlamming of beroerte getroffen; Palsy, pôlzi,

verlamming, beroerte: Writer’s — = schrijfkramp.

Palter, pôltə, uitvluchten zoeken, niet oprecht handelen, spelen met;

—er = bedrieger, knoeier.

Paltriness, pôltrinəs, subst. v. Paltry, pôltri, onbeteekenend,

treurig, klein, laag, verachtelijk.

Paludal, pəl(j)ûd’l, paljədəl, Paludinous, pəl(j)ûdinəs, moerassig,

moeras....

Paly, peili, bleek; gepaald, door evenwijdige verticale lijnen in

gelijke deelen verdeeld (Herald.).

Pamela, pəmîla, pamila.

Pampas, pampəs, pampa’s (Z.-Amerika); Pampero, pampêrou, koude

(Zuid)westen wind in de Pampas.

Pamper, pampə, dikvoeren, volproppen, overvoeren, vertroetelen:

Prosperity —ed his recklessness into cruelty = verergerde tot; —ed from

a darling into a despot = door te verwennen veranderd van ... tot.

Pamphlet, pamflət, pamflet; —eer, pamflətîə, subst. pamflettist; —

verb. vlugschriften schrijven.

Pan, pan, subst. pan, holte, ondergrond, plas, hoofd, kop, de god Pan;

— verb. To — out = goudwasschen; toestaan; zich meester maken van; goud

vertoonen, uitvallen, uitpakken: —ned out = bankroet; —-ice = los

kustijs.

Panacea, panəsîə, panacee, algemeen middel.

Panache, pənaš, vederbos.

Panada, pəneidə, pənâdə, broodsoep.

Panama, panəmâ, pânamâ.

Pancake, pankeik, pannekoek.

Panch, panš, stootmat (scheepst.).

Pancreas, paŋkrias, alvleeschklier; Pancreatic: — juice = alvleeschsap.

Pandarus, pandərɐs; Pandean, pandîən: — pipes = fluit van Pan =

Pan-pipes.

Pandects, pandekts, pandecten, verzameling van wetten betreffende het

Oud-Romeinsche recht (wetten van Justinianus).

Pandemonium, pandimounj’m, pandemonium, hel, oproerige vergadering;

helsch lawaai.

Pander, pandə, subst. koppelaar; likker (fig.); — verb. koppelen,

iemands lage lusten terwille zijn, begunstigen: He —ed to all their

desires; —age, pandəridž, koppelarij; —ism = het koppelen.

Pandit, pandit. Zie Pundit.

Pandoor, pandûə. Zie Pandour.

Pandora, pandôrə, Pandora; —’s-box = doos van P.

Pandour, pandûə, pandoer.

Pandy, pandi, scheldnaam voor de Sepoys.

Pandy, pandi, klap op de vlakke hand; ook verb.

Pane, pein, glasruit = — of glass; —less = zonder ruiten.

Panegyric, panədžirik, lofrede; adj. = —al = lovend; Panegyrist,

Panegyrist = lofredenaar; Panegyrize, panədžiraiz, hoogelijk prijzen,

eene lofrede houden.

Panel, pan’l, subst. paneel(vormig), zadelkussen, (naamrol der) jury; —

verb. met paneelen maken; —-gardening = mozaïekwerk (in tuinen);

—-picture = paneeltje.

Pang, paŋ, subst. plotselinge folterende pijn, steek, angst,

doodsbenauwdheid: —s of death = doodsangst.

Panic, panik, subst. paniek; vingergras (= — grass); adj. panisch: —

fear (— fright); —-struck (—-stricken) = door plotselinge vrees

bevangen.

Panicum, panik’m, vingergras.

Panjandrum, pandžandrəm, Groot-Mogol (iron.).

Pannade, pəneid, korte boogsprong (paard).

Pannage, panidž, belasting op het laten loopen van varkens in

eikenbosschen; eikelvoer.

Pannel, pan’l, soort v. zadel. Z. Panel.

Pannier, panjə, draagmand; soort rok (wijduitstaand in ’t midden).

Pannikin, panikin, pannetje, schaaltje.

Panoply, panəpli, volledige wapenrusting; wapentrophee.

Panopticon, panoptikon, een gevangenis zoodanig gebouwd dat de

bewaarders steeds, zonder zelf gezien te worden, alle gevangenen kunnen

zien; tentoonstellingsgebouw voor allerlei nieuwigheden, etc.

Panorama, panərâmə, panəramə, panəreimə, panorama; adj. Panoramic.

Panslavic, pansleivik, Panslavisch; Panslavism, panslâvizm, panslavizm,

Panslavisme.

Pansy, panzi, driekleurig viooltje.

Pant, pant, pânt, hijgen, snuiven, snakken, verlangen, snakken naar (—

for); ook subst. —s = pantaloons; To — for breath.

Pantalet(te)s, pantəlets, vrouwen- of kinderbroek met strooken.

Pantaloon, pantəlûn, subst. hansworst, de “pantalon” in eene pantomime;

—s = nauwsluitende (onder)broek.

Pantechnicon, panteknikon, magazijn van alle soorten v. artikelen;

bewaarplaats voor huisraad; verhuiswagen = — van.

Pantheism, panthiizm, pantheïsme; Pantheist = pantheïst; adj.

Pantheistic(al).

Pantheon, panthiən, panthîən, Pantheon.

Panther, panthə, panter; —ess.

Pantile, pantail, dakpan van S-vorm; hooge hoed of “kachelpijp”;

scheepsbeschuit.

Pantisocracy, pantisokrəsi, pantisocratie.

Pantograph, pantəgraf, pantograaf, teekenaap; Pantəgraphic(al).

Pantomime, pantəmaim, pantomime; ook adj. en verb.; Pantomimic,

pantəmimik, pantomimisch; Pantomimist, pantəmaimist, pantomimist.

Pantry, pantri, provisiekast of -kamer.

Pants, pants, Zie Pant.

Pap, pap, pap, vruchtvleesch, pulp; bijverdiensten; tepel: As easy as —

= doodmakkelijk; —piness, subst. v. —py = papachtig, zacht, sappig.

Papa, pəpâ; (Amer.), pâpə, popə, vader; —ship.

Papacy, peipəsi, pauselijke waardigheid en macht, de pausen

gezamenlijk, R.K. kerk; Papal, peip’l, pauselijk: The Dogma of —

Infallibility.

Papaver, pəpeivə, papaver: adj. Papaverous.

Papaw, pəpô, pôpô, meloenboom (of vrucht).

Paper, peipə, subst. papier, blad, zak(je), verhandeling, opstel,

document, courant, geldswaardig papier, papillottenpapier,

behangselpapier, (personen met) vrijbiljetten; ook adj.; — verb. met

papier bedekken, in papier wikkelen, behangen, met vrijbiljetten

vullen: To commit to (Put on) — = op papier zetten; It will get into

the —s = couranten; To perform to houses filled with — = voor theaters

vol van personen met vrijbiljetten; Reflect, before you put pen to — =

vóór gij schrijft; To read a — on Folk Lore = een lezing houden; To

send in one’s —s = stukken; To set a — in English grammar = een gram.

oefening opgeven; A — of cigars = zakje; — of direction = adreskaart; A

— of needles = brief naalden; — of patterns = staalkaart; He is three

down the — = staat No. 3 op lijst of voordracht; On — = op papier;

Blotting-— and letter-— = vloei- en postpapier; It is nothing but waste

— = het is louter scheurpapier; I will have this room —ed = zal laten

behangen; —-bag = zak; —-chase = snipperjacht; —-collar = papieren

boord; —-cornet = peperhuisje; —-cover = omslag; —-credit =

wisselcrediet; —-cutter = papiersnijder, vouwbeen; —-fastener =

klemmer; —-folder = vouwbeen; —-hanger = behanger; —-hangings =

behangsel; —-knife = papiersnijder; —-mill = papiermolen; —-money =

papiergeld, bankbiljetten; —-shop = courantenrondbrengerswinkel;

—-stainer = fabrikant van behangselpapieren; —-weight =

“presse-papier”; —y = als papîer.

Paphian, peifiən, van Paphos, tot Venus of haar dienst behoorende,

ontuchtig: subst. boeleerster; Paphos, peifos, stad in Cyprus met

Venustempel.

Papilio, pəpiliou, koninginnepage (kapel); —naceous, pəpiljəneišəs,

vlindervormig; kapelachtig.

Papilla, pəpilə, papil, tepel; —ry, papələri, pəpiləri; —te, papilit,

pəpilit, tepelvormig, met wratjes bedekt.

Papillote, papilout, papillot.

Papist, peipist, Roomsch-Katholieke; adj. Papistic(al); —ry = R.

Katholicisme.

Papoose, pəpûz, pəpûs, jong kind (Indianen).

Pappose, papous, van zaadpluis voorzien; Pappus = zaadpluis, fijne

haarbedekking.

Papua, papuə, pâpuə; adj. Papuan, papuən, papjuən, ook = Papoea.

Papula, papjulə, puistje.

Papyrus, pəpairəs, papyrusplant (rol).

Par, pâ, pari(koers), gelijkheid, normaalstand; verkorting voor

Paragraph: Above, below — = boven, beneden pari: They are on a — (with)

= staan op gelijke lijn, op gelijke hoogte (als); There is a — about

him in to-day’s paper = er staat wat over hem in de courant.

Parable, parəb’l, parabel: He took up his — = begon te spreken (hief

zijn spreuk op).

Parabola, pərabələ, parabool, kegelsnede; Parabole, pərabəlî,

vergelijking, parabool; Parabolic(al) = parabolisch; bij wijze van

gelijkenis of vergelijking.

Paracelsian, parəselš’n, van Paracelsus = Paracelsus.

Parachute, parəšût, subst. valscherm, parachute; — verb. zich met eene

parachute laten vallen; Parachutist = iemand, die zich van een

valscherm bedient.

Paraclete, parəklît, voorspraak, Trooster (H. Geest).

Para-coat, pârəkout, gummi-overjas.

Parade, pəreid, subst. parade, vertoon, optocht, paradeplein,

exercitieplaats (= —-ground), openbare wandelplaats; — verb. vertoon

maken, pronken, pralen, (laten) paradeeren: At three o’clock the troops

were —d = liet men de troepen parade maken.

Paradigm, parəd(a)im, paradigma, voorbeeld; adj. Paradigmatic.

Paradisaic(al), parədiseiik(’l), paradijsachtig; Paradise, parədais,

paradijs, schellinkje (Theater): Bird of — = paradijsvogel;

Paradisiac(al), parədisiək(’l), parədisaiək(’l), paradijsachtig.

Paradox, parədoks, paradox; —er = maker van paradoxen; —ical,

parədoksik’l: A —ical cynic or a cynical —er = een van paradoxen

houdend cynicus of een cynisch paradoxenmaker.

Paraffin(e), parəfin, paraffine, petroleum; —-oil, parəfinôil,

gezuiverde petroleum; paraffine olie.

Paragoge, parəgoudž, paragoge.

Paragon, parəgon, subst. toonbeeld van volmaaktheid; — verb. evenaren,

vergelijken.

Paragraph, parəgraf, paragraaf, beknopt artikel; — verb. paragrafeeren,

een artikeltje schrijven; —er = —ist = reporter.

Paraguay, parəgwei, parəgwai, parəgwai, parəgwei.

Parakeet, parəkît, parkiet.

Parallax, parəlaks, parallax (Astron.).

Parallel, parəlel, parallel, evenwijdig; subst. parallel,

breedtecirkel, loopgraaf evenwijdig aan de vuurlinie; — verb.

evenwijdig maken (loopen), gelijkstellen, evenaren, overeenkomen met:

To draw a — between; To find one’s — = zijn gelijke; To put oneself on

a — (with) = zich vergelijken; —s of latitude = breedtecirkels; Such

passages can be easily —ed from the best authors = zulke overeenkomende

passages vindt men bij; — motion = evenwijdige beweging (van zuigers,

enz. bij stoommachines); — ruler = parallelograaf; —ism = evenwijdige

toestand of ligging, overeenkomst; Parallelogram, parəleləgram,

parallelogram; Parallelopiped, parəleləp(a)ipəd, parallelopipedum.

Paralogism, pəralədžizm, drogreden.

Paralysis, pəralisis, verlamming; Paralytic, parəlitik, subst. lamme;

adj. aan verlamming lijdende, met aanleg voor verlamming, verlamd;

Paralyse = Paralyze, parəlaiz, verlammen.

Paramo, pərâmou, Paramo, hoogvlakte (Andes).

Paramount, parəmaunt, hoogst, voornaamst, onbeperkt, souverein; subst.

hoogste; —cy = eerste plaats, enz.

Paramour, parəmûə, minnaar, minnares (steeds in slechten zin).

Parapet, parəpet, borstwering, verhoogde rand of muurtje, trottoir;

—ed.

Paraph, parəf, paraaf; — verb. parafeeren.

Paraphernalia, parəfəneiljə, eigendom der bruid buiten den bruidschat,

zooals lijfgoederen, sieradiën, etc.; toebehooren, uitrusting,

versiering: Warlike — = uitrusting.

Paraphrase, parəfreiz, subst. paraphrase; — verb. paraphraseeren; adj.

Paraphrastic(al).

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 82 / 141 段