Bank, baŋk, subst. zandbak, aardwal, talud; oever, bank, geldbank,

doft; — verb. indammen, (zich) ophoopen; in rekening staan met een

bank, deponeeren, realiseeren: —er = bankier, bankhouder; grondwerker;

visschersvaartuig op de banken van New-Foundl.; modelleerbank: Discount

(Mortgage —, Savings —) = Disconto (Hypotheek-, Spaar-) bank; — of

Deposit (— of Issue) = Deposito (Circulatie) bank; He broke the — =

deed de bank springen; A —ed-up fire = bedekt of ingerakeld vuur;

—-agent = directeur van eene filiaalbank; —-bill = wissel, bankbiljet;

—-book = bankboek; —-engine = hulplocomotief (bij hoogten); —-holiday =

Paaschmaandag, Pinkstermaandag, 1e Maandag in Aug., en 2e Kerstdag; in

Schotland Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, 1ste Maandag in Mei en Augustus

en Kerstdag; —-note = bankbiljet; —-rate = bankdisconto; —smack =

visschersvaartuig (Newfoundland); —-stock = kapitaalvoorraad; —ing and

commission-business = bankiers- en wisselzaak (commissionairsz.):

—ing-house = bankiershuis.

Bankrupt, baŋkrɐpt, subst. bankroetier; adj. bankroet; — verb. bankroet

gaan of maken: Act of — = faillietverklaring; — commissioner = curator;

Bankruptcy Act = wet op het faillissement.

Banner, banə, banier: He joined, followed (fought under) our —s =

streed onder onze banieren; —ed = van banieren voorzien; —et =

baanderheer; vaantje.

Bannock, banək, koek van erwten- of gerstenmeel (Schotl.); Bannockburn,

banəkbɐ̂n.

Banns, banz, geboden: To ask (publish, put up) the — = kerkelijk

afkondigen; To forbid the — = bezwaren inbrengen tegen de afkondiging.

Banquet, baŋkwət, subst. banket; — verb. banketeeren; —er = deelnemer

aan een banket; —ing-hall = feestzaal.

Banquette, bəŋket, banket (Mil.); steil talud; voetpad op eene brug;

trottoir.

Banshee, banši, geest in de gestalte van eene oude vrouw (Ierl. en

Schotl.), die een aanstaand sterfgeval aankondigt.

Banstickle, banstik’l, stekelbaars.

Bantam, bant’m, bantam, subst. Bantamsch dwerghoen; adj. Bantamsch;

klein; strijdlustig; gewichtig; —-work = nagemaakt Japansch snijwerk.

Banter, bantə, subst. scherts, boert; — verb. schertsen, gekscheren,

schertsend plagen.

Bantling, bantliŋ, klein kindje: In our — days = kinderjaren.

Banyan, banj’n = Banian (-tree).

Baobab, beiəbab, bâəbab, apenbroodboom.

Baptism, baptizm, doop: — of fire = vuurdoop; Baptismal = doop - -: —

certificate (— font); Baptist = baptist: St. John the — = Joh. de

Dooper; Baptistery = doopkapel; doopbekken; Baptistic = doop - -;

baptisten - -; Baptize = doopen.

Bar, bâ, stang, houten boom, sluitboom, hindernis, hefboom, barrière,

slagboom; eene zandbank bij den mond eener haven; balie, orde der

advocaten, rechtbank; buffet; balk (in een wapenschild), dwarsstreep,

eene lijn op den notenbalk (voor de maat); eene exceptie, die ’s

klagers aanklacht vernietigt; staaf; — verb. met een boom of boomen

sluiten; uitsluiten, beletten, belemmeren, versperren, doorkruisen met

lijnen en strepen: Horizontal and parallel —s = rekstok en brug; The

hunter cleared all the —s = nam al de hindernissen; The host was in the

— = buffet; The — of the harbour = ondiepte; — of soap = reep; The —

are of a different opinion = de advocaten; There is no case at — at

present = aanhangig; A trial at — = een behandeling voor al de rechters

van een hof; At the — of public opinion; He was called to the — = werd

toegelaten als advocaat; Called within the — = tot King’s (Queen’s)

Counsel benoemd worden; To change the — for the Bench = van advocaat

overgaan bij de magistratuur; To cross the — = sterven; To study for

the — = in de rechten; A bird with a —red tail = gestreept; A

cross—-red shirt; This statute —s my right of a free choice =

verhindert; —ring = barring; prep. uitgezonderd: I will take them all

—(ing) these = met uitzondering van; —ring-out = het buitensluiten van

den leeraar door leerlingen (met Kerstmis of Vasten); —-iron =

staafijzer; —-keeper = buffetknecht; kroeghouder (Americ.); —-maid =

buffetmeisje; —-man = buffetknecht; —-master = mijnopzichter; —-room =

gelagkamer; —-shoe = rondom gesloten hoefijzer; —-soap = zeep aan

reepen; —-shot = boutkogel; —-sinister (Zie Bend-sinister); —-tender =

buffethouder.

Barb, bâb, subst. Barbarijsch paard; soort duif; baard,

schachtveertjes; weerhaak; wapenrusting voor een paard; — verb. van

weerhaken voorzien; barbieren: —ed wire fence =

prikkeldraadversperring.

Barbacan, bâbək’n, buitenwerk, wachttoren.

Barbados, bâbeidouz, Barbados. (W. Ind.).

Barbarian, bâbêriən, subst. barbaar, wilde, wreedaard; adj. barbaarsch,

wild, onmenschelijk; Barbaric, barbaarsch; Barbarism, bâbərizm,

barbarisme (gramm.), barbaarschheid, wreedheid; Barbarity =

barbaarschheid; Barbarous = barbaarsch; subst. —ness.

Barbary, bâb’ri, Barbarije: —-ape = Turksche aap.

Barbate(d), bâbit(id), behaard.

Barbecue, bâbəkjû, subst. groote rooster; een in zijn geheel gebraden

groot dier; volksfeest waar zulk een gebraad wordt opgegeten; terras

waarop koffieboonen worden gedroogd (Amer.); — verb. een dier in zijn

geheel braden.

Barbel, bâb’l, barbeel.

Barber, bâbə, subst. barbier, kapper; — verb. barbieren, kappen; —’s

basin, —’s plates (brass vessels) = scheerbekken; —’s pole = rood en

wit geschilderde stok aan de oude barbiers(dokters)winkels.

Barberry, bâberi, berberis, zuurdoorn.

Barbet, bâbət, poedelhond; baardvogel, baardkoekoek.

Barbette, bâbet, barbette, geschuttoren op pantserschepen; geschutbank.

Barbican = Barbacan.

Bard, bâd, zanger, bard; harnas v. een paard; spekreep; — verb. van een

harnas voorzien; met spekreepen beleggen; —ic, barden - - = —ish; —ism,

bardenwezen.

Bardell, bâdəl, bâdel.

Bare, bêə, adj. naakt, bloot, blank, kaal, arm, versleten, ontbloot

van; — verb. ontblooten, berooven: Under — poles = voor top en takel;

—-backed = zonder zadel; —-boned, (—-ribbed) fellow = mager,

broodmager; He told it me —faced = zonder blikken of blozen,

onbeschaamd; —facedness; —-footed, —-headed, —-legged, etc.; —ly =

nauwelijks; —ness = naaktheid, behoeftigheid.

Barege, barêž, barège.

Baret, barət, hoofddeksel van Kath. geestelijken, bonnet, baret,

kalotje.

Bargain, bâgin, subst. koop, koopje, overeenkomst, afspraak, het

gekochte; — verb. een koop sluiten, verkoopen, overeenkomen: To

conclude (drive, strike) a — = sluiten; He made the best of a bad — =

hij sloeg er zich zoo goed mogelijk door; A good — is a pickpurse =

goedkoop duurkoop; I had these goods a dead — = spotgoedkoop; I will

give you these into the — = op den koop toe; Sale —s = koopjes; A — is

a — = een man een man, een woord een woord; That’s a —! afgesproken; He

—ed away his farm = verkocht; We had not —ed for his presence = niet

gerekend op; He sent me less than I had —ed for = berekend, besteld;

—-hunter = loopster op koopjes; Which is the bargainee and which the

bargainer = kooper ... verkooper.

Barge, bâdž, barge, praam, lichter; statie(officiers)sloep; een

passagiers- of vrachtschip met dubbel dek, getrokken door eene

stoomboot (Amer.); (hotel)omnibus = Hotel — (Amer.); —man = Bargee

(bâdžî) = schuitenvoerder = —master.

Barilla, bərilə, ruwe soda, ook de plant, waaruit deze bereid wordt.

Bark, bâk, subst. schuit, bark; geblaf; bast (van een boom), schors,

run; — verb. afschillen; blaffen; hoesten: I —ed my skin against a

wheel = schaafde; —-bared = van de bast ontdaan; —-galled tree = met

beschadigde bast; —-pit = looikuil; —er, blaffer, schreeuwer, iemand

die koopers lokt; pistool, kanon; —y = met schors bedekt.

Barley, bâli, gerst: Hulled (Peeled, Pot, Scotch) — = gepelde gerst;

French (Pearl) — = parelgerst; —-broth = gerstepap; —-corn =

gerstekorrel; John —-corn = bier; —-sugar = gerstesuiker.

Barm, bâm, gist; —y = schuimend.

Barn, bân, subst. schuur; — verb. in eene schuur opslaan (up); adj.

tam, huis - -: —-door fowls = pluimgedierte; —-owl = kerkuil; —-stormer

= rondreizend acteur; —-yard = erf.

Barnaby, bânəbi, Barnabas.

Barnacle, bânək’l, eendenmossel, klis (fig.); boomgans; —s =

neusknijper (voor een paard); lorgnet; martelwerktuig.

Barometer, bəromətə, barometer; Barometric(al), barometrisch,

barometer...

Baron, bar’n, baron: —s of the Exchequer = vijf rechters, die (voor

1873) belastingkwesties tusschen regeering en onderdaan uitmaakten; —

and feme = man en vrouw (jur. en herald.); — of beef = de twee

ongescheiden lendestukken van een rund; —s of the Cinque Ports = (tot

1832, veertien leden van het House of Commons, door de Cinque Ports

(nl. Dover, Sandwich, Hastings, Hythe en Romney, waarbij later

Winchelsea en Rye kwamen) gekozen); —age; —ess = barones; —et = baronet

(een baronet heeft, evenals een knight, Sir vóór den doopnaam; de titel

van den eerste alleen is erfelijk); The Baronage and the Baronetage of

England = alle barons en baronets; —etcy = titel of waardigheid van een

baronet; Baronial = van een baron; Barony = baronie; waardigheid van

baron.

Baroque, bərouk, subst. en adj. barok.

Barouche, bərûš; kales, barouche.

Barrack, barək, barak, keet; —s = kazerne.

Barrage, baridž, dam.

Barrator, barətə, omkoopbaar rechter; twistzoeker; iemand die barratry

pleegt; Barratry, barətri, het aanzetten tot processen; bedrog door een

scheepskapitein gepleegd ten nadeele van de eigenaars, assuradeurs of

cargadoors.

Barrel, bar’l, subst. ton, vat, loop (van een geweer), cylinder (in een

muziekdoos of orgel), spil; trommel (van het oor, van een horloge),

romp van paard of koe; — verb. inkuipen, in een vat doen; —-bulk = vijf

kubieke voet; —-bellied = met ronden buik; —-organ = draaiorgel; —led =

in vaten gedaan; Double —led = tweeloops.

Barren, bar’n, subst. onvruchtbaar land (dier); adj. onvruchtbaar,

droog, onnoozel, waardeloos: —-spirited = onbeduidend; subst. —ness.

Barricade, barikeid, subst. versperring, hindernis; — verb. versperren,

beletten.

Barrier, bariə, barrière, slagboom, grenspaal; — verb. afsluiten; —s =

krijt; —-reef = koraalrif; — Treaty.

Barrister, baristə = — at law, advocaat (pleit alleen, behalve in

crimin. zaken, na instructie door een solicitor).

Barrow, barou, grafheuvel, hunebed; berrie (= Hand—-), kruiwagen (=

Wheel—-); karrevracht; gecastr. beer.

Barter, bâtə, ruilhandel drijven, inruilen, omruilen: To — away =

verkwanselen; subst. ruil(handel); —er = handelaar.

Bartholomew, bâtholəmjû, Bartholomeus; Massacre of St. —.

Barwood, bâwud, rood verfhout.

Barytone, baritoun, subst. en adj. bariton; (woord) met onbeklemde

laatste lettergreep.

Basal, beis’l, grond - -, fundamenteel.

Basalt, bəsôlt of basolt, bazalt; —ic, basalten; —iform,

basaltzuilvormig.

Basanite, basənait, Lydische steen, toetssteen.

Bascule, baskjûl, wip: —-bridge = ophaalbrug.

Base, beis, subst. basis, grondslag, fondament; vertrekplaats (bij

wedrennen); een soort spel; bas; adj. gering, laag, gemeen, onecht; —

verb. grondvesten; —-ball = een Amerik. balspel; —-born = van lage

geboorte; buitenechtelijk; gemeen; —-burner = vulkachel; —-line =

grondlijn; operatiebasis; —-minded = laaghartig; —less = ongegrond;

—lessness = ongegrondheid; —ment = basement; benedenverdieping; —ness =

laagheid, etc.

Bash, baš, slaan, ranselen: To — in = inslaan.

Bashaw, bašô, bassa, pacha, gewichtig persoon, tiran: Three-tailed — =

pacha met 3 paardestaarten.

Bashful, bašf’l, bloode, bedeesd, schuchter; —ness, blooheid, etc.

Bashi-Bazouk, bašibəzûk, (ongeregeld) Turksch soldaat.

Bashy-bash, bašibaš, heerlijk, snoezig.

Basic, beisik, fundamenteel; basisch.

Basil, beisil, bazil, gelooide schapenhuid; thijm. Zie Bezel.

Basilic, bəsilik, bəzilik: — vein = ellepijpshuidader.

Basilica, bəsilikə, basilica, basiliek.

Basilisk, basilisk, basiliscus, draak; Amerik. kamhagedis; veldslang

(kanon).

Basin, beis’n, bekken, schaal, bassin, stroomgebied: To pour water into

a broken — = nutteloos werk verrichten; Hand-— = fonteintje.

Basis, beisis (Meerv. Bases, beîsîz), grondslag, basis, basement.

Bask, bâsk, koesteren, zich koesteren.

Basket, bâskət, subst. mand, mandvol; (sabel)korf, schanskorf;

achterste 2 banken op een coach; Basket! = in de mand! (Straf voor hen,

die bij hanengevechten, etc. hunne verliezen niet konden betalen en

opgehangen werden in een mand tot de wedstrijd over was); — verb. in

eene mand doen, in de prullemand gooien; That’s the pick of the — = het

neusje van den zalm; —ball = korfbal; —-buttons = metalen knoopen met

een gevlochten versiering; —-carriage = mandewagen; —-chair = rieten

stoel; — darning = stoppen; — easy = rieten armstoel; —-fish = een

soort zeester; —-hilt = korfgevest; —-stitch = maassteek; —-work =

mandewerk; —ful = korfvol; —ry = mandewerk.

Basle, bâl, Bazel.

Basque, bâsk, Baskisch; Bask, het Baskisch; soort damesjacket.

Bas-relief, bârilîf, basrilîf = Bass-relief = bas-relief.

Bass, beis, subst. bas; adj. laag, bas; —-clef = bassleutel; —-horn =

soort clarinet; —-viol = violoncel.

Bass, bas, baars; Amerikaansche linde, of de bast van dezen boom; mat

van deze bast.

Basset, basət, soort v. dashond.

Basset, basət, of bəset, bassetspel.

Basset-horn, baset-hön, bassethoorn.

Bassinet(te), basinet, ijzeren hoofdbedekking onder den helm;

mandewieg.

Bassoon, bəsûn, fagot; —ist, fagottist.

Bast, bast, bâst, lindebast; touw of mat daarvan gemaakt.

Basta, bastə, basta! houd op! uit!

Bastard, bastəd, subst. bastaard; basterdsuiker; adj. onecht; —ize =

tot bastaard maken; ontaarden; —y, bastaardij.

Baste, beist, met vet overgieten; rijgen; afranselen: Basting threads =

rijgdraden.

Bastil(l)e, bastil, bastil, de Bastille.

Bastinado, bastineidou, subst. bastonnade, pak slaag; verb. een

bastonnade geven, afranselen.

Bastion, bastj’n, bastion, bolwerk.

Basto, bastou, basta (in ’t omber- en quadrillespel).

Bat, bat, subst. kolf, kolver (= batsman, batter); knuppelstok, slag;

halve baksteen; katoenopvulsel; — verb. terugslaan met een bat: He did

it off his own — = door eigen inspanning; op eigen houtje.

Bat, bat, vleermuis: As blind as a — = stekeblind; —s-wing burner =

vleermuisbrander.

Bat, bâ, bât, bat; —horse = bagagepaard, pakpaard.

Batata, bateitə, batâtə, zoete aardappel.

Batavian, bəteivj’n, Bataaf, Bataafsch; inwoner van Batavia;

Bataviaasch.

Batch, batš, baksel: troep, partij, hoop: The members took the oath in

—es = werden groepsgewijze beëedigd; —es of boys and girls, of letters,

etc.

Bate, beit. Zie Abate: With —d breath = ingehouden; He would not — any

of his privileges = afstaan; You can — them a bit = afdingen.

Bath, bâth, bad, badkuip, badhuis, badplaats, vochtmaat (= 20,2 L.); —

verb. baden: The Order of the — = Bath-orde; Foot-—; Partial (=

Sitting-, Sitz-) — = zitbad; Shower-— = stortbad; Vapour-—; Go to — =

loop naar den duivel; —-brick = schuursteen; —-bun = soort van

krentenbroodje; —-chair = ziekenstoel op raderen; Floating —s =

drijvend rivierbadhuis; He had gone off for his course of —s = badkuur.

Bathe, beidh, subst. bad (in rivier of zee); — verb. baden, bespoelen,

bevochtigen: —d in a cold perspiration, in tears; —r = bader; Bathing:

—-box, (-closet) = badkamertje; —-costume (-dress) = badkostuum;

—-drawers (-tights) = zwembroek; —-establishment = badinrichting;

—-machine = badkoets.

Bathos, beithos, overgang van het verhevene tot het platte of

belachelijke.

Bathurst, bathəst of bâthəst.

Bating, beitiŋ, behalve. Zie Bate.

Batist(e), bətîst, batist.

Batman, batman, keukengereedschapbewaarder der compagnie; oppasser;

leider van het bat-horse.

Baton, bat’n, bəton; Batoon, bətûn, baton, staf; dirigeerstok; stok

(van een politiedienaar).

Batrachite, batrəkait, vorsen- of paddensteen.

Batsman, batsman, hij, die bij het cricketspel de bat heeft.

Battalion, bətalj’n, subst. bataljon; — verb. bataljons formeeren.

Battel, bat’l: —s = extraatjes door de Eton Dames aan de jongens

verschaft; consumptie besteld uit de bottelarij van een Oxford College;

de kosten daarvan, kosten van voedsel, woning, onderwijs, enz. van een

Oxford College; — verb. zulke aangeschafte levensmiddelen schuldig

zijn; aan de gezamenlijke maaltijden deelnemen.

Batten, bat’n, subst. lat; — verb. met latten bevestigen (down).

Batten, bat’n, vet worden, gedijen; vruchtbaar worden; zich vetmesten

(on, upon), in weelde leven.

Batter, batə, beslag: — pudding = een soort trommelkoek.

Batter, batə, verb. beuken tegen, vernielen, bombardeeren, beschieten;

subst. beschieting; —ed = verpletterd, verfomfaaid, afgesleten,

uitgemergeld, oud en invalide; —ing: —-gun = belegeringskanon; —-ram =

stormram; —-train = belegeringsgeschut.

Battery, batəri, batterij (electr. en mil.); aanranding, mishandeling,

verwaarloozing (een actie wegens battery heet technisch: For Assault

and —; een bedreiging met de vuist is een assault, een vuistslag is

battery).

Battle, bat’l, subst. slag, veldslag; — verb. vechten, strijden

(against, for, with): The first blow is half the — = een goed begin is

het halve werk; God of —s: Zie Rom. IX, 29; Trial by (Wager of) — =

Godsgericht; Drawn — = onbesliste; Pitched — = geregelde, felle strijd;

—-array = slagorde; —-axe = strijdbijl, hellebaard, enterbijl; —-cry =

strijdleus; —door, —dore, klopper, raket; —-field; —-horse = strijdros:

He had got on his —-horse, and careered onward = hij zat op zijn

paardje, en holde maar door (fig.); —-piece = schilderij die een

veldslag voorstelt; —-royal = hanengevecht (van meer dan twee hanen);

algemeene strijd; —-song = strijdlied.

Battlement, bat’lm’nt, borstwering: —s = kanteelen.

Battue, batjû, drijfjacht; het opgejaagde wild; slachting op groote

schaal.

Baubee, bôbî, 2½ cent (Schotsch).

Bauble, bôb’l, snuisterij, speeldingetje, narrenscepter.

Baulk, bôk, Zie Balk.

Bavaria, bəvêriə, Beieren; —n, Beier; Beiersch.

Bavin, bavin, takkenbos.

Bawbee = Baubee.

Bawble = Bauble.

Bawd, bôd, koppelaar(ster); —iness = ontucht; —ry = koppelarij;

ontuchtige taal; —y = vuil, onkuisch: —y-house = bordeel.

Bawdrick; Zie Baldrick.

Bawl, bôl, subst. luide schreeuw; — verb. schreeuwen, bulken: To — out

= luid schreeuwen; —er, schreeuwer.

Bay, bei, subst. baai, bocht; opening in een muur, vak, nis;

laurierboom (—s = lauweren; The Queen’s —s = het 2de regiment

dragonders); geblaf, tot staan (in ’t nauw) brengen; dam, dijk; bruin

paard; adj. kastanjebruin, roodbruin; — verb. blaffen, aanblaffen,

blaffend vervolgen, in ’t nauw brengen: To be (stand) at —, To turn to

— = in ’t nauw zijn, zich te weer stellen; To bring (hold, keep) at — =

in ’t nauw brengen, in bedwang houden; —-berry, beiberi, laurierbes;

—-cherry = laurierkers; —-leaf = lauwer; —-salt = zeezout; —-window =

erker, venster; —-wood = campêchehout.

Bayadeer, Bayadere, bâjadîə, bâjadêə, bajadère.

Bayonet, beiənet, subst. bajonet; — verb. doorsteken of aanvallen met

de bajonet: The — at the charge = met gevelde bajonet; —-fencing =

bajonetvechten.

Bayou, baiû, uitwatering van een meer; moerassige zijarm van een rivier

(Zuid. Stat. van Amer.).

Baz(a)ar, bazâ, bazaar, liefdadigheidsbazaar.

Be, bî, bestaan, zijn: The powers that — (were) = de gestelde

(vroegere) overheid; Paradise Lost was not as yet = was toen nog niet

geschreven; Let — = laat liggen, blijf er af; I am in for it = ik ben

er bij; I am off = ik ga heen; I am off for the country = ik ga naar

buiten; Time is up = de tijd is om, ’t is tijd; He is well up in

history = weet veel van geschiedenis; My mother-in-law to — =

toekomstige.

Beach, bîtš, subst. strand; — verb. op het strand halen (zetten): To be

on the — = aan lager wal zijn (fig.); —-comber, eene lange strandgolf;

strandjutter; parelvisscher in den Indischen Oceaan; —y = zandig.

Beacon, bîk’n, subst. baken, bakenvuur: — verb. bebakenen; verlichten,

tot baken dienen; —age = bîkənidž, bakengeld, bebakening.

Bead, bîd, kraal, drop, traan, blaasje, bobbeltje, vizierkorrel

(Amer.); —s = rozenkrans, halssnoer, eierrand, astragal: To count

(tell) one’s —s = den rozenkrans bidden; To thread —s = kralen

aanrijgen; To draw a — upon = mikken op; —-eyes = glazen poppe(oogen);

—-frame = telraam; — fringe = kralen rand om lampekap; —-roll = lijst

van hen voor wier zielen moet worden gebeden; lijst, rozenkrans,

eierrand; —s-man, —s-woman = iemand, die bidt voor een ander, in ’t

bijzonder bewoners van een beadhouse, die het voor den stichter deden;

gepatenteerd bedelaar (Schotl.).

Beadle, bîd’l, pedel, bode; —dom = —-hood = —ship, waardigheid van een

beadle.

Beagle, bîg’l, brak; spion, speurhond; verb. jagen met een brak.

Beak, bîk, subst. snavel, neb, bek, tuit; rechter (Slang); — verb. met

den bek vastpakken; —-iron = aambeeld met twee punten; —ed = gesnaveld,

snavel ...

Beaker, bîkə, beker.

Beam, bîm, subst. balk; ploegboom, weversboom, disselboom; drijfstang,

waagbalk; hoofdtak van een gewei; boom, speer; dekbalk, grootste

breedte van een schip; ankerstok; lichtbundel, lichtstraal; — verb.

stralen schieten, stralen: On the weather (lee) — = te loevert (in

lij); To be (thrown) on her (one’s) —-ends = op zij liggen; in

verlegenheid zitten, failliet zijn; To kick (strike) the — = (te) licht

wegen, van weinig belang zijn; She was —ing with joy = haar gezicht

straalde van vreugde; To — approval = met stralend gezicht zijn

goedkeuring te kennen geven; —ed stag = hert met het volle gewei;

—-compass, stangpasser; —y, massief; breed; stralend.

Bean, bîn, boon: Full of —s = fleurig, jolig; Every — has its black =

elke gek heeft zijn gebrek; Quite a — = een pan; To get —s = een

standje krijgen; They can’t stand —s = standjes verdragen; He knows how

many —s make five = weet zijn weetje; Sick for the —-pots of Boston

(verg. The flesh-pots of Egypt); —-feast = jaarlijksch feest van een

werkgever aan zijne arbeiders; —-pod = boonschil: —-pods are noisiest

when dry = holle vaten klinken het meest; —-pole = boonenstaak (ook

fig.); —y = fleurig.

Bear, bêə, subst. beer, lomperd, beursspeculant à la baisse: Grizzly —

(N. Amer.), Polar —; To look as sulky as a — with a sore head; The

Great (Little) — = de groote (de kleine) Beer; To turn — = à la baisse

gaan speculeeren; Bulls and —s = speculanten à la hausse en à la

baisse; Bulling and —ing; —-berry = berendruif; —’s-breech, bêəzbrîtš,

acanthus; —’s-ear = berenoor; —’s-foot = daslook; —-garden = berenkuil,

plaats waar bear-baiting gehouden werd; woelige vergadering;

—’s-grease, bêəzgrîs, berenvet (eene pomade); —(’s-)skin = berenhuid;

muts van berenvel; dikke, langharige wollen stof; —ish = norsch, lomp.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 8 / 141 段