A-wash, əwoš = op gelijke hoogte als het water; drijvend.

Away, əwei, weg, voort, op een afstand: — for shame = foei, schaam je!

I could not — with those people = kon ze niet zetten; The patient could

not — with being nursed = wou niet opgepast worden; Come — from that =

ga daar vandaan; To clear — = afnemen; To drink — = er op los drinken;

Fire — = brand los; Get — = maak, dat je weg komt; To give — =

weggeven, verraden; He made — with himself = maakte zich van kant; Pull

— = haal op! To work — = hard werken; Question — = vraag maar op!

Awe, ô, subst. ontzag, eerbied; — verb. ontzag inboezemen,

intimideeren: To keep in — = ontzag inboezemen; To stand in — of =

ontzag hebben voor; I was —d by his serious words; —-commanding =

ontzag inboezemend; —-struck = met ontzag vervuld; —less = onbevreesd;

subst. —lessness; Awful = vreeselijk; ontzagwekkend: subst. —ness =

eerbiedwaardigheid; afschuwelijkheid.

Aweary, əwîri, vermoeid; levensmoede.

A-weather, əwedhə, loefwaarts.

A-weigh, əwei: To be — = “anker op” zijn.

Awhile, əwail, gedurende een tijdje.

Awkward, ôkwəd, onhandig, lomp, smakeloos, onaangenaam, verlegen: It is

— that I forget his name = lam, vervelend; — age = lummeljaren; —ness,

onhandigheid, etc.

Awl, ôl, els; —-bird = groene specht; —-wort, ôlwɐ̂t, priemkruid.

Awn, ôn, baard (van gras of aren).

Awning, ôniŋ, wagenkap, zonnescherm: The — front of the shop = ruimte

vóór den winkel, door een zeil of scherm tegen de zon beschut.

Awoke, əwouk, Imperf. van to awake.

Awry, ərai, scheef, schuin: To be — = scheef staan (zitten); To laugh —

= lachen als een boer, die kiespijn heeft; He looked — = zuur; To wear

— = scheef dragen.

Axe, aks, bijl; —-head = de bijl in tegenstelling met den steel;

—-helve = steel; To hang up one’s — = de lier aan de wilgen hangen,

zich terugtrekken uit iets; People with —s to grind = menschen, die hun

eigen zelfzuchtige plannen op het oog hebben.

Axial, aksiəl, in de richting van de as.

Axil, aksil, Axilla, əksilə, oksel; —lar(y), oksel..., okselstandig.

Axiom, aksiəm, axioma; Axiomatic(al), onomstootelijk.

Axis, aksis, as; de tweede halswervel.

Axle, aks’l: —-tree, aks’ltrî, de spil.

Axminster, aksminstə.

Axolotl, aksəlot’l, waterhagedis (Mexico).

Ay, Aye, ai, ja, — marry = ja waarachtig; — me = o wee mij!

Ayah, eijə, Brit. Ind. baboe.

Aye, ei of ai = eeuwig: Farewell, perhaps for —, for ever and —.

Ayes, aiz, de voor- (eig. ja-)stemmers in het House of Commons: The —

and the noes (= tegenstemmers); The — have it = de meerderheid is er

voor.

Aye-aye, ai-ai, vingerdier (op Madagascar).

Aylesbury, eilzbri; Ayrshire, êəšə: The — Bard = Robert Burns.

Azalea, əzeiljə, azalea.

Azimuth, azimɐth, azimuth; adj. = —al.

Azoic, əzouik, zonder spoor van organisch leven, zonder organische

overblijfselen.

Azores, əzôz, əzôriz, Azorische eilanden.

Azure, ažə, of eižə, adj. azuur, hemelsblauw; subst. het uitspansel;

blauw veld (Herald.); — verb. blauw verven; — stone = Azurite, ažərait,

lazuursteen.

Azyme, az(a)im, ongezuurd brood; ongezuurd, ongegist.

B.

B, bî, B. B-flat = b mol; B-sharp = b kruis; B.A. = Bachelor of Arts;

B. C. = Before Christ; B. C. L. = Bachelor of Civil Law; B. D. =

Bachelor of Divinity; B. M. = Bachelor of Medicine; Bart of Bt. =

Baronet. (Deze heeft, evenals een Knight, den titel Sir vóór den

doopnaam; die titel is echter bij de Baronets erfelijk, bij de Knights

niet); B(ritish) M(useum); A B and S = Brandy and Soda; Bro(thers);

Brig(adier) Gen(eral); He does not know a B from a bull’s foot (a

broom-stick, a battle-dore) = hij kent geene A voor eene B; B(lessed)

V(irgin) M(ary).

Baa, bâ, subst. het blaten; — verb. blaten: The baby was caressing a

woolly —-lamb; You silly baahling = lam, sukkel.

Baal, beiəl, Baal; —ist, —ite, afgodsdienaar.

Bab, bab, peur; — verb. peuren.

Baba, bâba, vader, papa.

Babble, bab’l, snappen, wauwelen, babbelen; murmelen; subst. gesnap,

gebabbel, gewauwel; gemurmel; —r, wauwelaar.

Babe, beib (= Baby): Food (Meat) for —s = kinderkost (ook fig.).

Babel, beib’l, Babel; spraakverwarring; wanorde, rumoer; dwaas plan;

—-like buildings = hooge.

Baboo, bâbu of bəbû, heer; halfontwikkelde Hindoe: — English = gebroken

Engelsch.

Baboon, bəbûn, baviaan; —ery, aapachtig optreden.

Baboosh, Babouche, bəbûš, muiltje.

Babu = Baboo.

Baby, beibi, subst. klein kind; pop; adj. klein, jong, kinder —: Cry-—

(= Cry-a-—) = grienerig kind; —-car = kinderwagentje (sportkarretje);

—-carriage = kinderwagen; —-farming = zoogenaamde verzorging (meestal

opzettelijke verwaarloozing) van kinderen; —-feeder = slabbetje;

—-house = poppenhuis; —-linen = kindergoed, luiers; —-pin =

veiligheidsspeld; —hood (—ship), eerste kindsheid; kleine kinderen;

—ish (= Babish), kinderlijk; subst. —ishness.

Babylon, babilon; Babylonia, babilounjə, Babylonië: —n, Babylonisch,

reusachtig; Babyloniër; Babylonic, Babylonish, adj. Babylonisch,

verward, rumoerig.

Bac(k), bak, platboomde (veer)boot; kuip.

Baccalaureate, bakəlôri-it, baccalaureaat.

Baccara(t), bakərâ, baccarat (spel).

Baccate, bakit, besachtig, besdragend, bezieachtig.

Bacchanal, bakən’l, subst. Bacchuspriester, Bacchant(e), zwierbol; adj.

bacchantisch; —s = Bacchanalia, bakəneiljə, Bacchanaliën; Bacchanalian

= Bacchantisch; zwierbol; Bacchant = Bacchant(e); adj. Bacchantisch;

Bacchante, bakənt of bəkant(î), Bacchante; Bacchic = Bacchantisch;

Bacchus = Bacchus.

Bacciferous, baksifərɐs, bessendragend; Bacciverous, baksivərɐs,

bessenetend.

Bachelor (soms verkort tot Bach) batš(ələ), subst. ongetrouwd man;

baccalaureus (laagste acad. graad na 3 jaren studie en examen): His —

rooms were always tidy = zijne kamers, toen hij nog ongetrouwd was,

etc.; —’s of —s’ buttons = dubbele ranonkel; —hood = —ship,

baccalaureaat; staat van jonggezel.

Bacillus, bəsiləs (Meerv. Bacilli), bacil.

Back, bak, subst. rug, achterzijde, onderkant, keerzijde, verste kant,

etc.; adj. achter-, rug-, afgelegen, omgekeerd, etc.; adv. terug,

omgekeerd, etc.; — verb. van een rug voorzien, den rug versterken,

verdedigen, bekrachtigen, steunen; achteruitgaan, achteruitbrengen,

achterwaarts bewegen, bak halen, strijken; van achteren grenzen aan, op

den rug dragen, endosseeren, wedden op, etc.: To sit — to — = met den

rug tegen elkaar aan; Small of the — = kruis; He does not need my

little palm in the small of his broad — = heeft mijn geringe steun niet

noodig; He has not a shirt on his — = aan het lijf; Behind one’s — =

achter iemands rug (ook fig.); To bow the people’s — = onderdrukken; To

get up (make, set) a — = voorover gaan staan, een hoogen rug maken (van

katten), boos worden; To provide a — = gaan staan (bij haasje over); To

put one’s — into = zich inspannen voor; To put anybody’s — up = boos

maken; To scratch the — of the public = vleien; To see the — of =

afkomen van, zich afmaken van; To turn one’s — upon = den rug

toedraaien; The — of the hand (postcard, wood) = rugzijde (achterkant,

verste zijde); To be at the — of = ergens achter zitten (fig.); To look

best from the —; To see through the — of a person’s head = iemand

geheel doorzien; To go — on a friend = verraden; To go — on a promise =

breken; She kissed him — = weerom; To look — upon = terugzien op; The

angel rolled — the stone from the door = wentelde af; — and forth

(Amer.) heen en weer; As far — as = reeds in, toen reeds; Some time — =

geleden; The horse —ed with him = ging achteruit; To — the oars =

strijken; To — sail = bakzeil halen (bijdraaien); To — water =

strijken; achteruitkrabbelen (fig.); To — down before = wijken voor;

Our train was —ed on to a siding = teruggezet op een zijspoor; To — out

of an engagement = terugkrabbelen, zich er afmaken; To — out of a fix =

met fatsoen uit een moeilijkheid komen; To — up = steunen (rug—); To —

a horse = wedden op (in tegenstelling van den book-maker die ‘lays

against’); To — the field = op alle paarden wedden behalve op de

“favourite”; He would — himself for any amount to do it better than any

of them = wilde wedden, maakte zich sterk; —bite = belasteren, kwaad

spreken van; —biter; —-board = rugplank; rugplank in den stuurstoel van

een (roei)boot; —bone = ruggegraat; wilskracht: He is a liberal to the

—bone = door en door; He has no —bone = geen pit in zich; —-country =

achterland, Hinterland (Amer.); —-door = achterdeur; uitvlucht, uitweg;

—down: That statesman’s —down was an earnest of later success = zijn

toegeven was eene belofte van later succes; High —ed chairs = met hooge

ruggen; —er = helper, steuner; —fall = val op den rug (bij het

worstelen); —gammon, bakgam’n, triktrakspel, bakspel; —ground =

achtergrond: To keep in the — = blijven in; —-hand = subst. schuin

linksch schrift; —-handed = met den rug van de hand, schuin links,

dubbelzinnig, heimelijk: A —-handed compliment = dubbelzinnig; A

—-handed blow (= back-hander) = met den rug van de hand: Fortune gave

him a lift, with a —-hander to follow = Fortuna was hem eerst gunstig,

maar bedroog hem daarna; He took a —-hander = extra glas (wijn etc.);

—-house = achtergebouw; —-number (-volume) = oud, vroeger; —-payment

(-rent) = achterstallige; —-piece, —-plate = rugbedekking (van een

harnas); —-seat = voorbank; ondergeschikte rol (plaats); —-settlements

= nederzettingen in het achterland (Amer.); —-side = achterzijde;

achterste; —-slang = soort dieventaal, waarbij de woorden andersom

gespeld worden b.v. Cool the esclop (of slop) = Look at the police;

—slide = afvallig of ontrouw worden; wegloopen; —slider; —-staff,

bakstâf, ouderwetsche quadrant; —-stair(s), bakstêə(z), subst. geheime

trap, achtertrap; adv. listig, oneerlijk: The whispers of the —stairs =

lasterlijk gefluister; —stays = pardoens; —-sword, baksöd, soort

houwdegen; schermstok met getralied handvatsel, het spel daarmee; —ward

= adj. en adv. achterwaarts, rugwaarts, langzaam, traag, onwillig,

achterlijk, stomp van bevatting; schuchter (Amer.); lang geleden: It is

—ward in us = achterlijk; —ward and forward(s) = heen en weer; To

repeat —wards = achterste voren opzeggen; —wardation, bakwədeiš’n,

korting voor het recht om eerst na 14 dagen te mogen leveren; —wards =

van achteren naar voren; —-water = opvaart, haf; achterwaarts geworpen

water door waterraderen of schepraderen; ook verb. strijken; —woods,

bakwudz, Canadeesche oerwouden; —woodsman = een Peer, die nooit een

zitting bijwoont (fig.).

Backshee(sh), bakšî(š), Ba(c)kshish, bakšiš, drinkgeld, fooi; — verb.

omkoopen.

Backy, baki, tobacco; —-box = tabaksdoos.

Bacon, beik’n, Baco; Baconian, van Baco.

Bacon, beik’n, gezouten spek: A flitch of — = zij spek: He may fetch a

flitch of — from Dunmow = hij heeft nooit ruzie gehad met zijne vrouw

(een toespeling op den hiervoor uitgeloofden prijs); To save one’s — =

er heelhuids afkomen.

Bacteria, baktîriə, (mv. v. Bacterium = bacterie); Bacteriological =

bacteriologisch; Bacteriologist, bacterioloog; Bacteriology,

bacteriologie.

Bad, bad, slecht, schadelijk, valsch, bedorven, ziek, erg: He is in a —

way = hij is er slecht aan toe; That’s too — = dat is te kras; To feel

— = onwel; boos; To go — = bederven (van eieren); To go from — to worse

= van kwaad tot erger; You had it — = je hadt ’m leelijk “om”; To the —

= schuldig, te kort; To drift (go) to the — = den slechten weg opgaan;

—dish = vrij slecht; I want it —ly = heb het hoog noodig; He seems to

be —ly off = hij schijnt het slecht te hebben; —ness = slechtheid.

Bade, bad, Imperf. en Past Part. van to bid.

Badge, badž, insigne, kenteeken; galerij (scheepst.); — verb.

kenmerken: — of authority; — of an order; —d and crested ware =

aardewerk van het merk van hotel of club voorzien.

Badger, badžə, subst. das; penseel; soort kunstvlieg (bij ’t visschen);

— verb. sarren, pesten, plagen, tergen: As bald as a — = zoo kaal als

een biljartbal; —-baiting (—-drawing) = dassejacht; —-dog = dashond;

—-legged; —ly = grijzend.

Badi, bâdi, veete.

Badinage, badinidž, badinage, scherts; verb. schertsen.

Badminton, badmint’n, eene soort raketspel; soort verfrisschende drank.

Baffeta(s), baf(ə)ta(s), wit of blauw Indisch katoen.

Baffle, baf’l, bedriegen, listig ontwijken, verhinderen, verijdelen: To

— description = alle beschrijving te boven gaan; Baffling winds =

veranderlijke winden.

Bag, bag, subst. zak, tasch, weitasch, haarzak, buidel; — verb. in een

zak doen; schieten, vangen; stelen, opzwellen, uitzetten, zakkig

zitten: —s = wijde kleedingstukken, broek; ingewanden, maag (Schotl.):

Alms (Collection) — = armenzakje; Blue (Green) — = zak voor akten,

processtukken, etc.; City (Gladstone) — = soort valies; What’s the —

to-day? = hoeveel wild is geschoten? He went away — and baggage = met

pak en zak; He is a — of bones = de levende dood; To bear the — = baas

over’t geld zijn; To get the — = den bons krijgen; To give the — =

verlaten; bedriegen; To give one the — to hold = iemand bedotten; He

let the cat out of the — = verklapte alles: How many hares have you

—ged to-day? = geschoten? You’ve had your wind —ged at footer = bent

achter adem gekomen bij het voetbal spel; —-fox, bagfoks, een door

jagers medegenomen vos, die los wordt gelaten om op te jagen; —man,

bagm’n, handelsreiziger (veroud.); —pipe = doedelzak; —piper; —-wig =

pruik met haarzak; —ging = zaklinnen; —gy = zakachtig, flabberig;

gezwollen: —gy cheeks.

Bagatelle, bagətel, kleinigheid, bagatel; een zeker spel: —-board.

Bagdad, bagdâd, bagdad; Bagehot, badžət.

Baggage, bagidž, bagage (Amer.; in Engeland ook luggage); de

benoodigdheden van een leger; brutaaltje; meisje: A pretty,

soft-hearted —; —-car (Amer.) = goederenwagen.

Bagnio, banjou, badhuis, bordeel; gevangenis voor galeislaven.

Bah, bâ, ba, foei.

Bahadur, bahôdə, heer (Brit. Ind.).

Bail, beil, subst. borgtocht, borg; beugel, hengsel, halve hoepel;

stang, staket, afsluiting, grens; hoosvat: — verb. borg blijven;

toelaten, een borg te stellen, in onderpand geven; van een beugel

voorzien; ontwapenen; hoozen: To accept (allow, admit to, take) — =

tegen borgtocht in vrijheid stellen; To be (go, stand) — for = borg

blijven voor; To give (furnish) — = borg stellen; To — out = met een

borgtocht bevrijden; hoozen; —bond, —-piece = schriftelijk bewijs van

borgstelling; —sman = borg; —able, tegen borgtocht vrij te laten;

waarvoor bail gegeven kan worden; —ee, beilî, borgtochthouder; —er

(—or), beilə, borgtochtgever; —er, hoosvat, soort baggermachine; —ment

= overdracht onder borgstelling; vrijlating tegen borgstelling.

Bailey, beili, buitenmuur; binnenplein: The Old — = zetel van het

Central Criminal Court in de City.

Bailiff, beilif, schout, baljuw, opzichter, gerechtsdienaar, soort

verificateur; opzichter der visscherijen; Bailiwick, beiliwik, het

rechtsgebied van een bailiff.

Bairn, bêən, kind.

Bairam, bairâm, bairam, Turksche feesten (Lesser — volgt op Ramadan;

Greater — volgt 70 dagen later).

Bait, beit, subst. aas, lokaas; verfrissching, water en voer; — verb.

van aas voorzien, verlokken; stilhouden om zich te verfrisschen,

drenken en voeren; aanhitsen: To take the — = bijten; in de val loopen;

Bear-—(ing) = berebijt, vechten van honden tegen beren.

Baize, beiz, baai, saai; gordijn, tafelkleed.

Bake, beik, bakken; —d meat = vleeschpastei; —r = bakker: A —r’s dozen

= dertien; —r-kneed (—-legged) = met x-beenen (= —-feet); Bakery =

—-house = bakkerij.

Balance, bal’ns, subst. balans, schaal, evenwicht, Weegschaal

(Dierenriem); onrust, saldo; — verb. wegen, balanceeren, in evenwicht

brengen (houden, zijn), gelijk maken, opmaken: To be off one’s — = wat

van streek zijn; Our destinies hang (tremble) in the — = hangt aan een

zijden draad; I have a — (in my favour) at my banker’s = (batig) saldo;

I’ll pay the — in sherry = wat er te kort is; To strike the — = de

balans opmaken; — of power = staatkundig evenwicht; — of trade =

handelsbalans; —-bridge = wipbrug; —-fish = hamerhaai; —-knife =

tafelmes, waarvan door het zware heft het lemmet niet het tafellaken

raakt; —-master, —-mistress = équilibrist; —-pole = balanceerstok;

—-sheet = balans; —-step = zweefpas; —r = koorddanser; équilibrist.

Balas(s)-ruby, baləsrûbi, roode spinel.

Balcony, balkəni, balkon.

Bald, bôld, kaal, naakt, armzalig; met witten kop: —-face = slechte

whiskey (Amer.); —-head(ed), —-pate(d), subst. (en adj.) = kaal(kop).

Baldachin, baldəkîn, baldakijn.

Balderdash, bôldədaš, subst. wartaal, onzin; bocht.

Baldric, bôldrik, gordel of schouderriem.

Baldwin, bôldwin, Boudewijn.

Bale, beil, subst. baal; onheil; verb. in balen verpakken; uithoozen.

(Zie Bail). —-fire = brandstapel; bakenvuur; Baling-paper = sterk

pakpapier (Am.); Baleful, noodlottig, onheilspellend.

Balearic Islands, baliarikail’ndz, Balearische eilanden.

Baleen, bəlîn, balein.

Balfour, balfə; Baliol, beiliəl.

Balise, (Balize), bəlîz, baken.

Balk, bôk, subst. balk; ongeploegd gelaten strook land; teleurstelling,

veredeling; — verb. dwarsboomen, verijdelen, teleurstellen; blijven

steken; weigeren te springen, onaangeroerd laten; aanwijzen van de

richting van haringscholen: —-line = streep (bij den onderband van een

E. biljart); —er = een visscher, die vanaf een hoogte signalen geeft

over de haringscholen; —y = koppig.

Balkan, bôlk’n of balkân: The —s = Balkanstaten.

Ball, bôl, bal, balspel, kogel, kluwen, (rijks)appel; — verb. (zich)

tot een bal vormen: — and socket joint = kogelgewricht; The — of the

foot = bal, zool, holte van den voet; A — of wool = kluwen; Brandy —s =

soort balletjes; Uncle three —s = “Oome Jan”; To have the — at one’s

feet = ’t spel in handen hebben (fig.); To hole a — = stoppen (bilj.);

To keep the — rolling = iets aan den gang houden = (To keep the — up);

To load with — = met kogels; To open the — = het bal openen;

discussies, strijd beginnen; To set (To start) the — rolling = iets aan

den gang brengen; The snow —ed under the hoofs of the horses;

—-cartridge = scherpe patroon; —-cock = balkraan, waardoor de

watervoorraad in een vat vanzelf geregeld wordt door een drijvenden

bal, die haar opent of sluit; —-proof = kogelvrij; —-room = balzaal.

Ballad, baləd, ballade; straatdeun; —-maker, —-monger =

liedjesverkooper (—-maker).

Ballast, baləst, subst. ballast; puin; — verb. ballasten, in evenwicht

houden; met puin bestrooien; —age = rechten op ’t innemen van ballast.

Ballet, balei, ballet: A hole in the — = ironische uitroep wanneer

iemand blijft steken in zang of voordracht; —-dancer; —-master.

Bal(l)ista, bəlistə, balist; Ballistic = ballistisch; Ballistics =

balistiek.

Balloon, bəlûn, ballon, bol, kolf; — verb. (laten) opstijgen;

opzwellen; kunstmatig opdrijven (Amer.): To fly red —s = ballonnetjes

oplaten; Captive (Dirigible) — = ballon captief (bestuurbare); —er,

—ist = luchtschipper.

Ballot, balət, subst. (stem) balletje of briefje; (geheime) stemming;

loting; het aantal uitgebrachte stemmen; — verb. stemmen, balloteeren,

uitloten: To cast a — = stemmen uitbrengen; To make a special — for =

laten stemmen over; The — was taken on the resolution = er werd over

gestemd; —-box = stembus; —-paper = stembriefje.

Balm, bâm, subst. balsem; troost; balsamieke reuk; balsemboom,

bijenkruid; — verb. zalven; verlichten, lenigen; —-cricket = zwarte

veldkrekel; —iness = balsemachtigheid; —y = balsamiek, verzachtend: He

is —y on the crumpet = het scheelt hem in zijn bol.

Balmoral, balmor’l, Balmoral; — boot = soort rijglaars; — cap = soort

Schotsche muts.

Balneary, balnjəri, bad ...; Balnearies = bad, badplaats.

Balsam, bôls’m, balsem (Zie Balm); balsemine; Balsamic(al) = balsamiek,

verzachtend (middel).

Balsamine, bôlsəmain, balsemien. springkruid, kruidje-roer-me-niet.

Baltic, bôltik, Baltisch: The — = Oostzee; Baltimore, bôltimö: —-bird =

Am. zangvogel.

Baluster, baləstə, baluster: —ed = van balusters voorzien; —s =

trapleuning; Balustrade = balustrade.

Bam, bam, zwendel; — verb. bedriegen.

Bambino, bambînou, kind; eene voorstelling van het kindeke Jezus in de

kribbe.

Bamboo, bambû, subst. bamboes; — verb. met een bamboesstok afranselen.

Bamboozle, bambûz’l, bedriegen, verlakken; —ment, bedriegerij; —r,

bedrieger.

Ban, ban, subst. afkondiging; verbod, banvloek; boete wegens bankbreuk;

Ind. mousseline; — verb. vervloeken; verbannen, in den ban doen: To be

placed under the — of the law = (uit)bannen; A —ned exile; Zie Banns.

Banal, bein’l, ban’l, banaal, plat, alledaagsch; Banality = banaliteit,

gemeenplaats.

Banana, banânə, bənanə, banaan, pisang; —-bird = pisangvogel.

Banbury: — cake, banb’rikeik, gebak met fijngehakt vleesch: To ride (a

cock-horse) to — cross = een kind op de knieën laten rijden.

Banco, baŋkou, bankgeld, tegenover minderwaardig current money: To sit

in — = in plechtige zitting vereenigd zijn.

Band, band, subst. band, smal lint, koord, keten, hof, zwachtel, rand,

drijfriem; troep, korps, kapel, boei, verbond; — verb. (zich)

vereenigen: A plain gold — = gladde (trouw)ring; He has a — upon his

hat = rouwband; Endless — = drijfriem; — and gown = toga en bef; — of

hope = geheelonthoudersvereeniging van kinderen; — of pearls = snoer;

Brass — = fanfarekorps; Musical — = muziekkorps; String — =

strijkorkest; Wind — = blaasorkest; —-box = hoeden(linten) doos; fat:

He looked as if he came out of a —-box = je kon hem door een ringetje

halen; —-master = kapelmeester (Military —, Town-—); —sman, muzikant;

hoboist; —-stand = muziektent; —age, bandidž, subst. verband, zwachtel;

— verb. verbinden.

Bandan(n)a, bandanə, rood, blauw of geel gekleurde zak- of halsdoek met

witte of gele stippen van katoen of zijde (Indië).

Banderol(l), bandərol, Banderole, bandəroul, vaantje, banderol.

Bandicoot, bandikût, Malabaar rat, Australische buideldas.

Bandit, bandit, (Meerv. —s of -ti, banditi), bandiet.

Bandog, bandog, bandrekel.

Bandoleer, bandəlîə, bandelier.

Bandoline, bandəlin, soort pomade; — verb. pomadeeren, toilet maken.

Bandore, bandö, bandö, soort luit.

Bandy, bandi, heen en weer slaan, elkaar toewerpen, wisselen,

disputeeren; subst. hockeyspel, hockeykolf; ossekarretje (Brit. Ind.);

adj. krom: Her name was freely bandied about among them = te pas en

onpas genoemd; Don’t — words with me = disputeer niet; There is no use

in our —ing incivilities = elkander onbeleefdheden te zeggen; —-legged

= met O-beenen.

Bane, bein, vergif; verderf, pest; rotziekte (bij schapen): He was

considered the — of society = pest; Wolf’s — = wolfswortel; —wort,

beinwɐ̂t = wolfskers, egelboterbloem; —ful = giftig; doodelijk.

Bang, baŋ, subst. bons, harde slag, groot geraas, knal; interj. en adv.

boem; — verb. slaan, stompen, dichtslaan; overtreffen, schallen,

knallen, dreunen; het haar recht langs het voorhoofd afknippen; To

close with a — = bons; —s = (valsch) ponyhaar (Amer.); —er = leugen: I

never heard (told) such a —er = leugen; He —ed his fist on the table =

sloeg met; To — things = hard neergooien; He —ed my hat in; To — each

other with quarter staves = afranselen; That took my breath — away =

plotseling; To do a thing in —-up style = royaal; —-shop = minder soort

winkel (ook: Slap-and-—-shop).

Banghy, baŋgi, draagstok; —-post = postpakketdienst; —-wallah = drager.

Bangle, baŋg’l, armring, armband.

Bangle, baŋg’l, verbeuzelen (away); slap neerhangen; —-eared = met slap

neerhangende ooren.

Bangy = Banghy.

Banian, banj’n, een Hindoekaste van vegetariërs; koopman, makelaar;

katoenen Hindoesch hemd; soort nachthemd of sjamberloek; —-days =

dagen, waarop vroeger bij de marine geen vleesch werd verstrekt —

(—-tree) = heilige Ind. vijgeboom.

Banish, baniš, verbannen; —ment, verbanning.

Ban(n)ister, banistə = Baluster.

Banjo, bandžou, banjo.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 7 / 141 段