spinnewiel; — verb. wiege(le)n, schommelen, wankelen: To be on the —s
(fig.) = in (geld)verlegenheid zijn; To run against a — = zich aan
gevaar blootstellen; —-alum = aluinsteen; —away = een bepaalde Amer.
wagen; —-bound = door rotsen omsloten; —-cork = bergkurk; —-crystal =
bergkristal; —-oil = steenolie, petroleum; —-pigeon = klipduif; —-ruby
= robijn-roode granaat; —-salt = klipzout: —-snake = tijgerpython;
—-soap = bergzeep; —-staff = blaasbalgstok; —-wood = houtasbest; —-work
= rotswerk; —er = wieg, hobbelpaard, onderstel v. een wieg; —ery =
rotswerk (in tuinen, etc.); —iness = rotsachtigheid; —ing-chair =
schommelstoel; —ing-horse = hobbelpaard; —ing-stone = schommelsteen; —y
= rotsachtig, hard als een rots.
Rockefeller, rokfelə.
Rocket, rokət, vuurpijl; — verb. als een pijl opvliegen: To let off a —
= oplaten; To — about (on a horse) = rijden, wippen.
Rockies = Rocky Mountains (Amer.).
Rococo, rəkoukou, Rococostijl (17e eeuw).
Rod, rod, roede (ook maat = 5,029 M.), stok, staf, stang, rotting,
scepter, takje: I have a — in pickle for you = ik heb voor u wat in het
vat; Black — = koninkl. boodschapper en ceremoniemeester in het
Hoogerhuis (altijd een gepension. admiraal of generaal); de staf
waaraan hij zijn naam ontleent; —-fishing = hengelen.
Rode, roud, imperf. van to ride.
Rodent, roud’nt, knaagdier: He is a political — = oude rot (fig.).
Roderic(k), rodərik; Roderigo, rod(ə)rîgou.
Ro(d)ger, rodžə, Rutger; schepers naam voor een ram; stier: We hoisted
the Jolly — = wij heschen de kapervlag (de vlag draagt “Crossbones and
skull” = een schedel met gekruiste doodsbeenderen).
Rodney, rodni; Rodolph(us), roudolf (rədolfəs).
Rodomont, rodəmont, subst. grootspreker, bluffer; adj, blufferig,
snoevend; —ade, rodəmonteid, subst. snoeverij, geschetter; — verb.
bluffen, schetteren.
Rody, rodi.
Roe, rou, ree, hinde; kuit: Soft — = hom; Hard — = kuit; —buck =
reebok.
Rogation, rəgeiš’n, litanie: — days (— tide) = de drie dagen vóór
Hemelvaartsdag, vóór het feest van den H. Marcus; — week =
Hemelvaartsweek.
Roger, rodžə, Zie Rodger.
Rogue, roug, schurk, schalk(je), snaak, grappenmaker, verstooten en
daardoor woest geworden olifant: He is a — in grain = aartsschurk; —’s
march = marsch gespeeld als een soldaat weggejaagd wordt; —ry =
schurkenstreek, snakerij; Roguish = schalksch, schelmachtig; subst.
—ness.
Roil, rôil, troebel maken, sarren, plagen.
Roister, rôistə, snoeven, rumoer (pret) maken; —(er) = snoever,
rumoer(pret)maker.
Roland, roul’nd, Roland: To give a — for an Oliver = met gelijke munt
betalen (fig.).
Roll, roul, subst. het rollen, slingeren (slingering), rol,
(presentie)lijst, register, rond broodje, roffel; — verb. rollen,
wentelen, draaien, slingeren, roffelen, rommelen: To call the — = appèl
houden; To put on the — = op de rol plaatsen; To strike off the — = van
de rol afvoeren; Master of the —s = eerste archivaris v. de Chancery
Division of the High Court of Justice; Office of the —s = archief; —s
of Court, —s of Parliament = officieele perkamentrollen van het hof of
parlement, archieven; The ship —ed and pitched = slingerde en stampte;
He —s himself in luxury (wealth) = baadt zich in weelde; He is like
three persons —ed into one = tot één persoon vereenigd; To — into a
ball = op een kluwen winden; To set the ball —ing = een zaakje aan ’t
rollen brengen; —-call = appèl; Roller = rolstok, rol, zware golf,
lange en breede zwachtel, rolletje; —-blind = rolgordijn; —-skates =
rolschaatsen; Rolling = het rollen, golven, etc.: —-fire =
pelotonsvuur; —-mill = pletmolen, —-plant = —-stock; —-press = rolpers,
mangel; —-stock = rollend materiaal (van een spoor); A — stone gathers
no moss = op een rollende steen zet zich geen mos aan.
Rollick, rolik, zich op nonchalante, losse en vroolijke manier bewegen,
overmoedig zijn: The wood was jubilant with —ing children = van de
dartelende kinderen; We had some —ing fun yesterday = dolle pret.
Roly-poly, roulipouli, kort en dik; —-pudding = opgerold pasteideeg met
confituren; He has a — growlery of style = hij heeft zoo’n gezwollen
brommerigen stijl.
Romaic, rəmeiik, nieuw Grieksch(e taal).
Romal, rəmôl, zijden of haren stof, hoofddoek; rəmal, uit leer of
paardehaar gevlochten zweep (Amer.).
Roman, roum’n, subst. Romein; adj. Romeinsch, Roomsch, met romein of
gewone drukletter: — candle = Romeinsche kaars (soort van vuurwerk); —
Catholic, subst. en adj. Roomsch-Katholiek(e); — law; —ism = Roomsche
leer; —ist = Roomsch-Katholieke; —ize = latiniseeren, Roomsch maken of
worden.
Romance, rəmâns, subst. romance, geschiedkundig verhaal, verdichting,
het romantische, romantiek, Romaansche taal; adj. Romaansch; — verb.
romantische of overdreven verhalen vertellen, overdrijven, liegen; —r =
Romancist = schrijver van romances of verdichte verhalen, opsnijder.
Romanese, roumənîz, Rumeensch(e taal).
Romanesque, roumənesk, romanesk.
Romantic, rəmantik, romantisch, fantastisch, schilderachtig, tot de
Romant. school behoorend; ook subst.: These great —s; —ism = romantiek;
—ist = iemand, die tot de romantische school behoort: He is neither a
realist, nor a —ist; —ness = het romantische.
Romany, roməni, Zigeuner, taal der Z.
Rome, roum, Rome.
Romeo, roumiou; Romford, rɐmfəd.
Romic, roumik, phonetisch spelstelsel van H. Sweet.
Romilly, romili; Romney, romni.
Romp, romp, subst. wild meisje, wild spel; — verb. stoeien, dol spelen;
—ish = wild, uitgelaten; subst. —ishness.
Romulus, romjulɐs.
Ronde, rond, rondschrift (boekdr.).
Rondeau, rondou, rondou, rondeau; soort muziekstuk.
Rood, rûd, kruis, kruisbeeld, roede, stok, ¼ acre (± 10,117 Are); 5,029
M.; —-loft = kruisgalerij (in eene kerk).
Roody, rûdi, geil, weelderig.
Roof, rûf, subst. dak, gewelf, verhemelte (= — of the mouth); — verb.
met een dak bedekken, onder dak brengen: — of Heaven; To be content
with having a — over one’s head; —-tile = dakpan; —-tree = vorstbalk;
—er = daklegger; —ing-felt = asphaltvilt; —less = dakloos; —let =
dakje; —y = met een dak.
Rook, ruk, subst. roek; bedrieger; kasteel (schaakspel); — verb.
bedriegen (in het spel vooral); —er = bedrieger; —ery = bosch met veel
roekennesten, de gezamenl. roeken, broedplaats van zeevogels of robben;
dievenhol(-kwartier), bordeel.
Room, rûm, subst. ruimte, plaats, kamer, vertrek, gelegenheid,
aanleiding, donkerblauwe verfstof; — verb. kamers bewonen: He gave
(left) — = hij ging heen, maakte ruim baan voor een ander; Make — there
= ruimte daar! uit den weg! My — will be preferred to my company = ze
hebben liever dat ik ga dan blijf; I want your — = ik wensch, dat gij
heengaat; There is no — for suspicion = aanleiding tot verdenking; He
was appointed in (the) — of his brother = werd in zijn broers plaats
benoemd; Cloak-—, Zie Cloak; Living-—, Sitting-— = woonkamer; —-mate =
contubernaal; —iness = ruimte: Turin is unrivalled in the matter of
—iness = er is geene ruimer gebouwde stad dan T.; —y = ruim.
Roop, rûp, subst. roep, kreet, heeschheid; —y = heesch, schor.
Roost, rûst, subst. rek of stok, troep vogels bij elkander op een stok;
— verb. slapen, op stok zitten: The hens are at — = op stok; His curse
(chickens) came home to — = hij kreeg zijne trekken thuis; I am going
to — = ga op stok; The barge lies at — in a boat-house = is opgelegd
in; To retire to — = op stok gaan; —er = haan (Amer.).
Root, rût, subst. wortel, stam, grondtoon (van eene snaar), oorsprong,
bron; — verb. doen wortelen, wortel schieten; wroeten, omwroeten,
ontwortelen: Extract the — out of 125 = trek den wortel uit; To go to
the — of the matter = tot den grond der zaak doordringen; That lies at
the — of it = ligt er aan ten grondslag; To take (To strike) — = wortel
schieten; Dutch —s = Hollandsche bloembollen; — and branch = met wortel
en tak; The sow has —ed (out) all the plants = omgewroet; Why do you
not — it out? = roeit ge het niet uit? He stood —ed to the spot = als
aan den grond genageld; —-bound = ingeworteld, onbewegelijk; —-crop =
knollenoogst; —-leaf = wortelblad; —ed: A —ed hatred of injustice =
ingewortelde haat; —er = plant die wortel schiet; uitroeier; radicaal;
—less; —let = worteltje; —y = wortelrijk.
Rope, roup, subst. touw, rist; — verb. draderig zijn, tot draden
uitrekken, met een touw trekken, vastmaken, inhouden (van een paard bij
een wedstrijd): He gave me the —s = liet me vrij spel; I have not got —
enough = ben niet vrij genoeg, kan mij niet voldoende bewegen; He knows
(has learned) the —s = weet er alles van; He performed on the slack,
tight — = danste op het slappe, strakke koord; I hope you will put me
up to all the —s = mij geheel op de hoogte zult brengen; A — of onions
= rist uien; A — of sand = zwakke band; To — in = met een touw
omspannen, inpalmen (ook van personen), binnenhalen: To — in a remark
with quotes = tusschen aanhalingsteekens zetten; —-dancer =
koorddanser; —-ladder = touwladder; —-maker = touwslager: To play the
—-maker = achteruitloopen; —-railway = kabelspoor; —-walk = lijnbaan;
—-yarn = kabelgaren; —ry = lijnbaan; Ropiness, subst. v. Ropy =
touwachtig, draderig, kleverig, lijmerig.
Roquelaure, roukəlö, rokəlö, korte mantel.
Rorqual, rökwəl, vinvisch.
Rosa, rouzə; Rosabel, rozəbel.
Rosace, rouzeis, rozet; Rosaceous, rəzeišəs, roosachtig.
Rosalia, rəzeiliə; Rosalind, rozəlind; Rosaline, rozəl(a)in; Rosamond,
rozəm’nd.
Rosary, rouzəri, rozenkrans; guirlande, rozenperk of rozentuin: To tell
over the — = den rozenkrans bidden.
Roscid, rosid, met dauw bedekt.
Roscoe, roskou; Roscommon, roskom’n.
Rose, rouz, subst. roos, rozet, rozenkleur, sproeier; adj. rooskleurig:
No — without a thorn; Once he was very near the — = bijna geestelijke;
They drank wine under the — in their rooms = stilletjes; I told him so
under the — = onder de roos; Without the — = onverholen; Members of the
White — = van eene vereeniging ter herinnering aan de terechtstelling
van Karel I; She blushed — all over; —-bud = rozeknop; —-bug (—-chafer)
= gouden tor; —-bush = rozestruik; —-cheeked = met blozende wangen;
—-cold (—-fever) = zware catarrhe met asthmatische verschijnselen;
—-colour = rozenkleur; —-diamond = rozetsteen; —-drop = bonbon (met
rozengeur), oorknopje, roode neus; —-faced = met rozig gelaat; —-hued =
met rozentint; —-knot = rozet; —-leaf = rozeblad: They live in an age
of —-leaves and velvet = zij hebben een leventje op een bordje;
—-mallow = stokroos; —mary, rouzməri, rosmarijn; —-pink =
rose(kleurig); —-rash = roseola, huiduitslag; roos; —-water =
rozenwater: Revolutions cannot be made with —-water = die het doel wil,
moet de middelen willen; —-window = rozet(venster); —-wood = rozenhout;
—ry = rozenperk.
Rose, rouz, imperf. van to rise.
Roseate, rouzi-it, vol rozen, rooskleurig, bloeiend.
Roseola, rəzîələ, huiduitslag, roos.
Rosebery, rouzbə’ri.
Rosetta, rəzetə: — stone, steen met hieroglyphen, enz., in Rosetta
gevonden; — wood = O.-I. oranjekleurig hout.
Rosette, rəzet, rozet.
Rosicrucian, rouzikrûš’n, subst. lid v. een geheim genootschap in de
17de eeuw; adj. tot dit genootschap behoorende; —ism = leer, enz. van
dit genootschap.
Rosin, rozin, hars: To give — = afranselen; —y = harsig.
Rosland, rosland, veengrond, heide.
Rostellum, rostel’m, snaveltje (plantk.).
Roster, rostə, rooster, naamlijst.
Rostral, rostr’l, tot snavel of rostrum behoorende; Rostrate(d),
rostrit(id), gesnaveld; Rostriform = snavelvormig; Rostrum, rostr’m,
snavel (ook van een schip), spreekgestoelte, tribune, platform.
Rosy, rouzi, rooskleurig, bloeiend, roos...
Rot, rot, subst. verrotting, aardappelziekte, schurft, geklets, onzin;
— verb. verrotten, bederven: It’s all — = allemaal onzin, bedriegerij;
It’s awful (dry, tommy) — = verschrikkelijk geklets, onzin; They drink
—-gut = bocht; —ten = verrot, stinkend, wrak, aangestoken, gemeen,
beroerd; —ten-ripe = beursch; subst. —tenness; —ter = kletser, onnut
wezen.
Rota, routə, ranglijst, rooster, hoogste pauselijk hof van appèl.
Rotary, routəri, draaiend, rondgaand: The — motion of our earth round
its axis = omdraaiende beweging; — pump = centrifugaalpomp; Rotate,
routeit, om een middelpunt wentelen, draaien; adj. routit, wielvormig;
Rotation, rəteiš’n, omdraaiing, omwenteling, geregelde opvolging: By
(in) — = bij afwisseling, beurt om beurt; — of crops = wisselbouw;
Rotative = ronddraaiend; Rotator, omdraaier, draaispier; Rotatory =
omdraaiend, beurtelings: — motion = draaiende beweging.
Rote, rout, routine, sleur, gewoonte: By — = van buiten, in den sleur;
— of business = routine.
Rotten-Row, rot’nrou, naam v. een rijweg (voor ruiters) in Hydepark.
Rotund, rətɐnd, rond, bolvormig, plechtig, zwaar; subst. —ity = —ness.
Rotunda, rətɐndə, rotonde.
Rouble, rûb’l, zilveren roebel (= ƒ 1,88).
Rouen, rûən, Rouaan.
Rouge, rûž, subst. rood blanketsel; — verb. (zich) blanketten: If you
do not — you won’t tell in a ball, handsome though you may be = als ge
u niet blanket, maakt ge geen indruk op een bal; — et noir =
hazardspel; —-pot.
Rough, rɐf, subst. ruwe klant; ruwe schets, grof pleisterwerk; — adj.
ruw, ruig, hard, wrang, woest, kras; verb. ruw maken, ruw schetsen, op
scherp zetten, dresseeren: The London —s = het gepeupel van Londen; In
the — = onafgewerkt, ruwweg; To be — on = hard zijn jegens, zwaar
drukken op; —-and-ready = ruw doch flink; —-and-tumble = ruw en druk:
It is a —-and-tumble farce = het is een woeste, dolle klucht; We have
been —ing it = wij hebben het hard te verantwoorden gehad, hebben ons
er doorheen moeten slaan; The weather was —, but our yacht —ed it out =
maar ons jacht hield het goed uit; —-cast, subst. ruwe schets,
beraping; adj. ruw gevormd, grof; — verb. ruw schetsen, berapen;
—-draft, —-draught, ruwe schets; —-draw, in het ruwe schetsen; —-dry =
laten drogen zonder mangelen; —-hew = in het ruwe houwen, ontwerpen,
schetsen; —-hewn = ruw, ongepolijst (ook fig.); —-rider = pikeur;
wachtmeester-instructeur (Amer.), stout ruiter; —-shod = op scherp
gezet: He rides —-shod = hij rijdt maar toe, stoort zich aan niets,
gaat zijn gang maar; —-wrought = grof bewerkt; —en = ruw maken of
worden; —ish = ietwat ruw; —ness = zuurheid.
Rouleau, rûlou, rolletje, bundel fascinen; Roulette, rûlet, roulette,
wiel met punten om stippellijnen te maken: hazardspel.
Roumania, rûmeinjə, Roemenië; —n, subst. en adj. (bewoner) van
Roemenië.
Round, raund, subst. kring, bol, ommegang, ronding, rondreis, ronde,
cursus, omdraaiing, sport, salvo, schot, patroon, rondelied; adj. rond,
vloeiend, vol, ronduit, openhartig, eerlijk, flink, snel; — verb. rond
maken, afronden, rondgaan, rondreizen, ronddraaien, zich keeren tegen,
schimpen op (on); prep. en adv. rondom, overal: Thirty-six —s (of
ammunition) = patronen; A — of applause = algemeene toejuiching; A — of
beef = runderschijf; A — of cartridges = één patroon voor iederen
soldaat; I have made my — of visits = mijne bezoeken; Shall we have a
—? = zullen we eens vechten; Let us play one more — = nog één rondje;
He is a — peg in a — hole = de rechte man op de rechte plaats; I assure
you that I shall bring you — = dat ik u weer zal opknappen of beter
maken; It is not easy to bring him — = te bepraten, over te halen;
Christmas has come — again = het is weer kerstmis geworden; He came —
to my room = kwam mij op mijne kamer opzoeken; He came — = hij draaide
bij; You won’t get — me = mij niet beetnemen, bepraten; He lives — the
corner = dicht bij; He gave the money — the corner = met tegenzin;
(All) — my hat = katterig; als subst. onzin; They have sent the hat — =
zijn met den hoed rondgegaan, hebben geld opgehaald; It is a hundred
guilders in — numbers = het is in een rond getal een honderd gulden; To
walk at a — rate = vlug doorstappen; To ride at a — trot = in vluggen
draf; He is an honest man all — = in alle opzichten; The engine —ed a
curve in the road = kwam om een bocht in den weg; To — off a story =
een verhaal besluiten; The ship was —ed to = werd bijgedraaid; —about,
subst. draaimolen, omweg, soort leuningstoel (jasje, manteltje); adj.
wijdloopig, omslachtig, veelomvattend, niet openhartig: I sent him to
the —about = ik stuurde hem weg; —about the town = om de stad heen;
—about way = omweg; —-backed = met ronden rug; —-dance = rondedans;
—-games = gezelschapsspelen; —hand = rondschrift; —-head, subst.
Puritein in Cromwell’s Tijd; adj. van de partij der Puriteinen; —-house
= achterkajuit, hut, retirade, locomotiefloods; —-ridge = ronde voren
maken bij het ploegen; —-robin; Zie Robin; —-shouldered = rond in de
schouders of rug; —sman = beambte die politie- en nachtwachtposten
controleert (Amer.); —-turn = één slag v. een touw om een paal, etc.;
—-up = ’t bijeendrijven van het vee; —ed = gerond van vokalen; —ers =
een soort kaatsspel; —ing, subst. het ronden; adj. ongeveer rond; —ness
= openhartigheid, volheid van klank, rondheid.
Roundel, raund’l, klein schild; Roundelay, raundəlei, ouderw. dichtstuk
(8 + 5 regels), rondedans.
Roup, rûp, kippen-huidziekte; raup, rûp, publieke verkooping; — verb.
veilen.
Rouse, rauz, opwekken, doen ontwaken, opjagen, aansporen: He was —d to
anger = boos gemaakt; Rousing = opwekkend, aansporend, bezielend,
geweldig, ontzettend: A — lie.
Roust, raust, opschudden, hard werken, opwekken, in opstand brengen;
—-about = losse arbeider of matroos op eene rivierstoomboot; leeglooper
(Amer.).
Rout, raut, subst. volkomen nederlaag, algemeene vlucht, oproer,
rumoer, twist, gedrang, wanordelijke troep; avondreceptie; — verb. in
verwarring op de vlucht drijven, omwoelen, wroeten, vernielen (met
out): The — = het schuim, gepeupel, janhagel; To put to (the) — = op de
vlucht slaan; Boys were —ing in the streets = waren aan het stoeien; I
—ed out an edition of Tennyson among his books = schommelde op; The
ferret —ed out the conies = joeg naar buiten, verdreef (uit hun hol); I
—ed it up from my memory = ik bracht het mij na eenige inspanning te
binnen; —-seats and chairs = zitbanken (tegen den muur) en stoelen voor
een rout; He is a —er-out of antiquities = snort allerlei oudheden op.
Route, rût, weg; Routine, rutîn, gewoonte, sleur: —-business =
sleurwerk; Routinist, rutînist, sleurganger.
Routledge, rautlədž.
Rove, rouv, (om)zwerven; in dwarsrijen ploegen (Amer.), scheren van
touw of wol door een blok, uitpluizen; —r = roover, zwerver,
wispelturig en ontrouw persoon: Her sweetheart has proved a —r = is
gebleken een vlinder (ontrouw) te zijn; They were shooting at —rs = zij
schoten in het wild; —r of the seas = zeeschuimer.
Roving-shot = schot in ’t wild.
Rove, rouv, imperf. en part. perf. v. to reeve.
Row, rou, subst. rij, reeks, gelid, roeitochtje; — verb. roeien: In a —
= in de rij, in ’t gelid; We had a splendid — = heerlijk roeitochtje
gedaan; I guess you can hoe your own — = uw eigen zaakje wel opknappen,
je eigen straat schoonvegen (Am.); He had a hard — to hoe = had het
hard te verantwoorden (Am.); To put (set) in a — = op een rij; He can —
his own boat, paddle his own canoe = zijn zaakje alleen wel opknappen;
They — in the same boat = zij zijn in hetzelfde schuitje; —boat =
roeischuitje, roeibootje; —lock, roulok, rɐlək, keep of gat waarin de
riem rust, roeimik, roeipen, roeiklamp; —er = roeier; —ing-club;
—ing-match = roeiwedstrijd.
Row, rau, standje, ruzie, twist; — verb. ruzie, lawaai maken, schelden:
To get into a — with = standjes krijgen met; Hold your — = houd je
mond; Don’t kick up a — = maak geen schandaal; What’s the — = wat is er
aan de hand?
Rowan, rauən, gewone lijsterbes = —-tree.
Rowdy, raudi, subst. ruwe, woeste kerel; “duiten”; adj. ruw, ploertig,
oproerig = —ish; —ism = herrie, baldadig optreden.
Rowel, rauəl, subst. wieltje of rad van een spoor, seton (platte ring
van een toom); — verb. wieltje of seton zetten in; —-head = de as van
een spoorwieltje.
Rowena, rouînə.
Rowen, rauən, stoppelveld, nagras (Amer.).
Rowland, roul’nd; Rowley, rauli; Roxburgh, roksbərə, roksbɐ̂g.
Royal, rôiəl, subst. tak van een gewei, papierformaat (19 × 24 voor
schrijf-, en 20 × 25 inches voor drukpapier), kleine mortier,
bovenbramzeil (The —s = vroeger het eerste regiment infanterie; thans —
Scots); adj. koninklijk, edel: — Academy = Koninklijke (kunst)academie;
The — Assent is, under the Constitution, still essential to the
validity of an Act of Parliament = de koninklijke goedkeuring; — bounty
= fonds ter ondersteuning van de betrekkingen van gesneuvelde
officieren; — grants = jaargeld aan de leden der koninklijke familie; —
Society = Eng. Academie van Wetenschappen; —ism = koningschap,
koningsgezindheid; —ist, subst. en adj. koningsgezind(e); —ty, subst.
koningschap, majesteit, koninklijke bezitting of rechten; tantième,
aandeel: We don’t often see —ty = de leden der kon. fam.; The author
gets a —ty of twopence on the shilling = krijgt ⅙ van den verkoopprijs;
—ty rents = vergoeding voor het gebruik van den bovengrond (bij
mijnwerkers).
Royster(er). Zie Roister.
Rub, rɐb, subst. het wrijven, wrijving, hinderpaal, sarcasme, schimp; —
verb. wrijven: There’s the — = daar zit ’m de knoop; I —bed my eyes at
that = ik wreef me de oogen uit van verbazing; To — elbows (shoulders)
with = gemeenzaam omgaan met (fig.); They began to — noses = op
vriendschappelijken voet te komen; They —bed their way along the
streets = baanden zich een weg; To — (up) the wrong way = plagen,
ergeren; The horse was being —bed down = werd geroskamd; The piece of
sugar was —bed down = werd al kleiner door het wrijven: I —bed the dirt
off him = wreef het vuil van hem af; He —bed it out = hij veegde het
uit; Shall I — up your memory? = eens opfrisschen; The chairs and
tables were —bed up = gewreven; —stone = slijpsteen; —-a-dub =
getrommel; Rubber = wie of wat wrijft of schuurt, slijpsteen, het
beslissende spel, gummi, gummiband-(schoen); A — of whist = drie
spellen, waarvan 2 gewonnen en 1 verloren, of 2 na elkander gewonnen
spellen; If you play at bowls, you must look out for —s = wie kaatst,
moet den bal verwachten; —-stamp = caoutchouc stempel.
Rubbish, rɐbiš, puin, uitschot, nonsens, klets: — shot here = plaats
voor puin, enz.: —y = pruilerig.
Rubble, rɐb’l, stukken ruwe steen; —-cart; —-stone = bovenste losse
deelen van eene steenmassa; —-work = metselwerk met ruwen,
onregelmatigen steen; adj. Rubbly.
Rubeola, rûbîələ, mazelen.
Rubicon, rûbik’n, Rubicon: To cross the — = een beslissenden stap doen.
Rubicund, rûbik’nd, rood(achtig); subst. —ity, rûbikɐnditi; Rubific =
roodmakend.
Rubigo, rubaigou, meeldauw, roest.
Rubric, rûbrik, subst. rubriek, kerkelijk voorschrift, adj. rood
gemerkt; Rubrical = liturgisch, ritueel: Rubricate = met rood merken;
subst. Rubrication.
Ruby, rûbi, subst. robijn, karbonkel, formaat van drukletter; roode
puist of vlek; adj. robijnkeurig = Rubied.
Ruche, rûš. Ruching, rûšiŋ, ruche.
Ruck, rɐk, subst. rimpel, vouw, hoop, troep, groote massa; — verb.
rimpelen; ergeren, geërgerd zijn: Out of the — = ongewoon.
Ruction, rɐkš’n, oploop, vechterij, krakeel.
Rudder, rɐdə, roer; —-post = roersteven.
Ruddiness, rɐdinəs, subst. v. Ruddy.
Ruddle, rɐd’l, subst. roodaarde; — verb. met roodaarde merken (zooals
b.v. schapen): Faces —d with rouge and pearl-powder.
Ruddy, rɐdi, adj. blozend, met frissche kleur, rood, ros(sig); subst.
goudstuk; —-faced.
Rude, rûd, ruw, ongeletterd, onbeschaafd, stormachtig, grof, woest,
sterk: Don’t be — = wees niet lomp, onbeschoft: It was a — awakening =
een onaangenaam ontwaken; —ness = lompheid, ruwheid.
Rudesheimer, rûdzhaimə, soort v. Rijnwijn.
Rudiment, rûdim’nt, subst. rudiment, beginsel (gewoonlijk meerv.): The
—s of grammar; —al, rûdiment’l, —ary, rûdimentəri, eerste, aanvangs...;
niet geheel ontwikkeld: —ary organs = rudimentaire organen.
Rudolph, rûdolf; Rudyard, rɐdjâd.
Rue, rû, subst. wijnruit; — verb. betreuren, treuren om, beklagen,
berouwen: You will — the day, my boy = de dag zal je rouwen: To — a
bargain = een koop ongedaan maken; —-bargain = rouwkoop; —ful =
droevig, treurig; subst. —fulness.
Ruff, rɐf, subst. groote, geplooide kraag, cachepot, oud kaartspel, het
aftroeven, kemphaan, duivensoort; — verb. aftroeven: —ed grouse =
gekraagd hazelhoen.
Ruffian, rɐfj’n, subst. ruwe klant, roover, moordenaar; adj. woest,
gemeen; —ism; adj. —like, —ly.
Ruffle, rɐf’l, subst. geplooide rand aan mouw of kraag, jabot: onrust,
beroering, opwinding; — verb. frommelen, plooien, rimpelen, in de war
brengen, verstoren, tieren, onstuimig worden, bluffen, zich airs geven:
To — a person’s feathers = iemand boos maken; His temper was —d = hij
was uit zijn humeur; To — it = geuren; —r = bluffer, schetteraar: He
was a —r of the camp = hij was een schreeuwer (vechtersbaas) van het
kamp.
Rufous, rûfəs, bruin- of geelrood.
Rufus, rûfəs.
Rug, rɐg, reisdeken, haardkleedje, dek.