Angina, andžinə, andžainə, een soort keelontsteking; adj. Anginous.
Angle, aŋg’l, subst. hoek, haak; Acute (Adjacent, Alternate, External,
Internal, Obtuse, Right) —; At right —s to = rechthoekig op; (To branch
off at right —s from, (To turn off) at right —s to) = rechthoekig staan
op (van straten); To go off at a right — = dadelijk heengaan; You had
better set your wishing-cap at another — = deed beter iets anders te
wenschen.
Angle, aŋg’l, hengel; — verb. hengelen: He was angling for a compliment
= vischte naar een compliment; —r = hengelaar; Angling-line =
hengelsnoer; Angling-rod = roede.
Angle(s), aŋg’l(z), Angel(en); Anglia, aŋgliə, Anglia; Anglian,
aŋgliən, subst. Angel; adj. van de Angelen.
Anglican, aŋglik’n, Anglikaansch; subst. Anglikaan; lid van de Angl.
Church; Anglicanism, leer der Angl. kerk; Anglice, aŋglisi, in het
Engelsch; Anglicism, aŋglisizm, Engelsch idioom; Anglicize,
verengelschen.
Anglo, anglou (in samenstellingen), Engelsch; —-American =
Engelsch-Amerikaansch; subst. Amerikaan van Engelsche afkomst;
—-catholic, subst. en adj. Engelsch-Katholiek; —-catholicism,
anglo-katholicisme; —-Indian = Engelsch-Indisch; subst. Engelschman
wonende in Indië; —-Israelites, izrəlaits = secte uit de laatste helft
dezer eeuw, bewerende, dat de Engelschen de verloren “Tien Stammen”
waren; —-mania = manie voor Engelsche gewoonten en zeden; —phobe,
iemand die Engeland vreest (haat); —phobia = vrees voor Engeland;
—-Saxon = Angelsaksisch; subst. Angelsakser.
Angora, aŋgôrə: —-cat (-goat, -wool).
Angriness, aŋgrinəs, boosheid; Angry, aŋgri, boos; stormig; ontstoken,
pijnlijk: — at (a person); — about, with (a thing); To get (grow,
become) — = boos worden.
Anguilliform, aŋgwiliföm, aal- of slangvormig.
Anguish, aŋgwiš, subst. angst, pijn, smart: — of (the) mind =
zielesmart.
Angular, aŋgjulə, hoekig, stijf, hoek...; Angularity = hoekigheid,
stijfheid; Angulate(d) = Angular.
Anhydrous, anhaidrəs, watervrij.
Anight(s), ənait(s), in den nacht.
Anil, anil, indigo-plant (West-Indië).
Anile, an(a)il, kindsch.
Aniline, anil(a)in, aniline.
Anility, əniliti, kindschheid.
Animadversion, animadvɐ̂š’n, waarneming, inzicht; berisping, verwijt,
critiek; adj. Animadversive; Animadvert, animadvɐ̂t, waarnemen;
berispen, etc. (on).
Animal, anim’l, subst. dier; adj. dierlijk: — charcoal = beenderkool; —
food = vleeschvoeding; — kingdom = dierenrijk; — spirits = levenslust;
—s Protection Act = wet op de dierenbescherming; Society for the
Prevention of Cruelty to —s = genootschap ter bescherming van dieren;
Animalcule, animalkjûl, microscopisch diertje; meerv. Animalcula,
animalkjulə; Animalism = dierlijkheid; Animality = dierlijke natuur,
dierlijk leven.
Animate, animeit, bezielen, opwekken: —d nature = dierenrijk; adj.
animit, bezield, levendig; Animation = bezieling, levendigheid, animo.
Animosity, animositi, verbittering, haat, vijandschap.
Animus, animɐs, gezindheid, doel; verbittering, wrok: Their words were
dictated by — and self-interest = hun ingegeven door hunne vijandige
gezindheid.
Anise, anis, anijs: We pay too much attention to the — and cu(m)mins of
literature = minder belangrijke zaken (Mattheus XXIII, 23); Aniseed =
anijszaad: The devotees of the aniseed-bag = liefhebbers van eene
zoogenaamde drag-hunt, die “ride after the red-herring”, i.e. een net
of hazevel gevuld met de litter van een tammen vos, langs den grond
gesleept en om de vijf minuten besprenkeld met een paar druppels “oil
of aniseed”, een spoor, dat de honden na eenige oefening getrouw
volgen.
Anisette, aniset, anisette.
Anker, aŋkə, vochtmaat van 10 gallons (= 45,4358 L.).
Ankle, aŋk’l, enkel: —-deep; —-jacks = halve laarzen; —-joint =
enkelgewricht; Anklet = enkelring, -sieraad, -verband.
Ankus(h), aŋkəs (aŋkəš), drijfstok van een mahout.
Anlace, anleis, hartsvanger.
Ann(e), an, Anna, anə, Anne, Anna.
Annal, an’l: —s, annalen; Annalist, schrijver van annalen.
Anneal, ənîl, brandverven, émailleeren; temperen; uitgloeien;
—ing-furnace = temperoven.
Anectant, ənekt’nt, verbindend, overgangs...; Annex, əneks, aanhechten,
toevoegen, vereenigen; subst. bijlage, bijgebouw(tje) = —e; Annexation,
bijvoeging, annexatie.
Annesley, anzli.
Annihilate, ənaihileit, vernietigen, te niet doen; Annihilation,
vernietiging; Annihilator: Fire — = bluschapparaat.
Anniversary, anivɐ̂s’ri, jaarlijksch; subst. verjaardag, jaarfeest: The
four hundredth — of the discovery of America.
Annotate, anəteit, annoteeren; Annotation = annotatie; adj. Annotative;
Annotator, schrijver van annotaties.
Announce, ənauns, aankondigen, aanmelden (to); —ment, aankondiging.
Annoy, ənôi, subst. (= —ance) = plaag, ergernis; schade, beschadiging;
— verb. ergeren, kwellen, hinderen; The —ing boy read a tedious book =
vervelende (lastige) ... vervelend.
Annual, anjuəl, jaarlijksch, één jaar durend; subst. éénjarige plant,
jaarlijks uitkomend boek, een soort Muzen Almanak; Annuary = jaarboek.
Annuitant, ənjûit’nt = hij, die een jaarlijksche rente geniet; Annuity,
ənjûiti, jaargeld, annuïteit.
Annul, ənɐl, vernietigen; afschaffen, herroepen; —ment, vernietiging,
etc.
Annular, anjulə, ringvormig, ring..: — eclipse of the sun; Annulate(d)
= geringd; Annulation = ringvormige bouw; Annulet, anjulet, ringetje;
Annulose, anjulous, anjulous, uit ringen bestaande.
Annunciate, ənɐnš(i)eit (= Announce). Annunciation Day = Maria
Boodschap (R.K. kerk, 25 Maart); Will you be so kind as to touch the
annunciator (button) = knopje van electrische of luchtschel.
Anodyne, anədain, pijnstillend; subst. pijnstillend middel.
Anoint, ənôint, zalven: The Lord’s —ed = de Gezalfde des Heeren; subst.
—ment.
Anomalous, ənoməlɐs, anomaal, afwijkend, onregelmatig; subst. Anomaly.
Anon, ənon, dadelijk, aanstonds; weer: Ever and — = telkens weer, nu en
dan.
Anonym, anənim, anonymus, pseudoniem; Anonimity = anonymiteit; —ous,
anonimɐs, anoniem; subst. —ousness.
Another, ənɐdhə, een ander, nog een: One — = elkander; Such — creature
= een dergelijk schepsel; Have — glass = neem nog een glas (ter
onderscheiding van; an other glass = een ander glas); One misfortune
rides upon —’s back = een ongeluk komt nooit alleen; He is a fool, and
I am — = en ik ook; One thing with — = het eene met het andere.
Anselm, ans’lm, Anselmus.
Anser, ansə, gans; —ine, ansər(a)in, als van een gans, dom.
Anstruther, anstrûthə, anstrûthə, anstə.
Answer, ânsə, subst. antwoord, verantwoording, oplossing; — verb.
antwoorden, beantwoorden, respondeeren, instaan voor, boeten, luisteren
naar, voldoen, rendeeren, bevredigen, passen, oplossen: An — will
oblige = er wordt op antwoord gewacht; There was no — = er werd niet op
antwoord gewacht; To call a person to — = ter verantwoording; To — the
bell (call, door) = opendoen; To — a letter; What you say there, does
not — our purpose = is niet geschikt voor; It seldom —s to break
treaties = men komt zelden verder met...; To — for = instaan voor,
rechtvaardigen, boeten voor; To — to = antwoorden op; passen bij;
overeenkomen met; The ship —ed to the helm = luisterde naar; —able (to,
for), verantwoordelijk; subst. —ableness; —er = weerlegger.
Ant, ant of ânt, (maar ant in samenstellingen, zooals ant-hill), mier;
—-bear, —-eater = miereneter; —-hole, —-hill = mierennest.
Antagonism, antagənizm, antagonisme; Antagonist = tegenstander,
tegenpartij; tegenspier; adj. tegenstrevend; Antagonistic,
antagonistisch; Antagonize, tegenwerken; wedijveren, neutraliseeren.
Antalgic, antaldžik, subst. en adj. pijnstillend (middel).
Antarctic, antâktik, Zuidelijk: The — Pole, de Zuidpool.
Antecede, antəsîd = voorafgaan; Antecedence, voorafgaan, voorrang;
Antecedent, antecedent: His —s = vroegere gedragingen.
Antechamber, antitšeimbə, voorkamer, wachtkamer.
Antedate, antideit, subst. vóórdatum; — verb. vroeger dateeren,
vooruitloopen op, anticipeeren.
Antediluvian, antidil(j)ûvj’n, antidiluviaansch; antidiluviaan,
ouderwetsch mensch.
Antelope, antiloup, antilope.
Antemeridian, antimiridj’n, vóór den middag: At 7 a.m. = te 7 v.m.
Antemetic, antimetik, geneesmiddel tegen het vomeeren.
Antemundane, antimɐndein, vóórwereldlijk.
Antenatal, antineit’l, vóór de geboorte geschiedend.
Antenna, antenə, voelhoren, antenne, luchtdraad (Draadl. telegr.);
Antennal, voelhorensdragend of betreffend.
Antenuptial, antinɐpš’l, vóór de bruiloft of het huwelijk gebeurende.
Antepenult(imate), antipinɐlt(imeit), derde lettergreep van achteren.
Anteprandial, antiprandj’l, vóór den maaltijd.
Anterior, antîriə, voorafgaand, vroeger; Anteriority, voorafgaan,
voorrang; hoogere ouderdom.
Ante-room, antirûm; Zie Antechamber.
Anthem, an-th’m, beurtzang, hymne: The national — = het volkslied.
Anthemis, an-thəmis, kamille.
Anther, an-thə, helmknop.
Anthology, an-tholədži, bloemlezing.
(St.) Anthony’s fire, antənizfaiə, (St.) Antoniusvuur (soort roos).
Anthracite, an-thrəsait, anthraciet.
Anthropography, an-thrəpogrəfi, anthropographie; Anthropology,
an-thrəpolədži, anthropologie; Anthropomorphic = menschvormig,
menschachtig; Anthropomorphism, an-throupəmöfizm, het toeschrijven van
menschelijken vorm en menschelijke eigenschappen aan de Godheid;
vergelijken van dieren en planten met den mensch; Anthropophagi,
an-threpofədžai, menscheneters; Anthropotomy, an-thrəpotəmi,
ontleedkunde (van den mensch).
Anti, anti, tegen, strijdig met.
Antibacchius, antibakiəs, versvoet (– – ⏑).
Antibilious, antibiljəs = tegen de gal.
Antic, antik, kluchtig, grappig; subst. grappenmaker, hansworst;
klucht, grimas.
Antichrist, antikraist, Antichrist; Antichristian, tegen het
Christendom; vijand van het Chr.
Anticipate, antisipeit, anticipeeren (op), bij voorbaat doen,
vooruitloopen op, voorzien, vooraf gevoelen, vooruit betalen,
verhinderen; subst. Anticipation, antisipeiš’n: Beyond — = boven
verwachting; By (In) — = bij voorbaat: He rejoiced in — = al vooruit;
Anticipative; Anticipatory = anticipeerend.
Anticlimax, antiklaiməks, of antiklaiməks, het belachelijk verhevene
(in stijl).
Antidotal, antidoutəl, als tegengif dienend; Antidote = antidotum,
tegengift.
Antidrinkist, antidriŋkist, afschaffer: My friend is both an
anti-smokist and an —.
Antifebrile, antifebril of antifîbril, subst. geneesmiddel tegen de
koorts; adj. koortsstillend.
Antifederal, antifed’rəl, tegen bondgenootschappelijke vereeniging;
—ism, antifederalisme; —ist, antifederalist.
Antigropelos, antigropilos of antigropilouz, waterdichte lederen
beenbeschermers, soort rijlaarzen.
Antilles (The), (dhi) antilîz, de Antillen.
Antilogy, antilədži, tegenstrijdigheid.
Antimacassar, antiməkasə, antimacassar.
Antimonial, antimounj’l, adj. antimoon...; subst. antimoniumhoudende
medicijn; Antimony, antimoon.
Antinome, antinoum = Antinomy, antinəmi, antinomie.
Antioch, antiok, Antiochië; Antiochia, antiəkaiə.
Antipathetic(al), antipəthetik(’l), antipathiek; Antipathy, antipəthi,
antipathie.
Antiphon, antifon = —y, antifəni, antiphoon.
Antipodal, antipədəl, antipodisch; Antipode, antipoud, tegenvoeter; —s,
antipədîz, tegenvoeters: We stand distinctly at —s in our political
views = wij staan lijnrecht tegenover elkaar; Antipodean = Antipodal.
Antipyretic, antip(a)iretik, subst. en adj. koortswerend (middel);
Antipyrin(e), antipairin, antipyrine.
Antiquarian, antikwêrj’n, adj. oudheidkundig; Antiquary, antikwəri,
oudheidkenner, antiquaar; Antiquated, antikweitid, verouderd; Antique,
antîk, oud, ouderwetsch; subst. antiquiteit: A dealer in — furniture;
subst. —ness; Antiquity = oudheid, antiquiteit.
Antiseptic, antiseptik, bederfwerend (middel).
Antispasmodic, antispazmodik, subst. en adj. krampstillend (middel).
Antistrophe, Antistrophy, antistrəfi, antistrophe; Antistrophic, de
antistrophe betreffend.
Antithesis, antithisis, tegenstelling; Antithetic(al), antithetik(’l),
tegenstellend.
Antitype, antitaip, tegenbeeld, symbool; adj. Antitypic(al).
Antler, antlə, tak (van het gewei); —ed = met een gewei, knoestig; —s,
antləz, het gewei.
Antonomasia, antənəmeižə, antonomasia.
Antral, antr’l, hol...
Antwerp, antwɐ̂p, Antwerpen.
Anus, einəs, anus.
Anvil, anv’l, aambeeld: On the — = in voorbereiding; Between hammer and
— = tusschen twee vuren.
Anxiety, aŋzaiiti, angst, bezorgdheid; benauwdheid; vurig verlangen;
Anxious, aŋšəs, angstig, bezorgd; verlangend, begeerig: He is on the —
seat = hij zit leelijk in de klem; I am — to increase my collection of
stamps = verlangend; subst. —ness = bezorgdheid; verlangen.
Any, eni, eenig (in zéér algemeenen zin) etc.: Have you — money for me?
= ook? Is my father — better? = soms ook wat; (Verg. ’t Amer.: That
don’t comfort me — = geen sier; Will that help you —? = in eenig
opzicht; If I had slept — last night = ook maar een oogenblik); You
have not been here — time = nog maar zoo kort; You will be welcome at —
time, (—when) = te allen tijde, wanneer ge ook komt.
Anyhow, enihau, in elk geval, hoe dan ook; Anything = iets, wat dan
ook, etc.: For — I know = voor zoover ik weet; Like — = zooveel
mogelijk, dat het een aard heeft; That is too charming for — =
onbeschrijfelijk (weergaloos) bekoorlijk; — but = alles behalve; My
clock is, if —, fast = loopt in elk geval voor; — like forty times =
lang geen 40 keer; He ceased to think of her as the most beautiful or
the most — woman = of superieur in wat opzicht dan ook; Anyway = hoe
dan ook, in allen gevalle; Anywhere = ergens; Anywise = op eenigerlei
wijze.
Aonian, eiounj’n, dichterlijk.
Aorist, eiərist, aoristus.
Aorta, eiöta, aorta; Aortic, tot de aorta behoorend.
Aoul, âûl, een Tartaarsch kamp.
Apace, əpeis, snel, vlug: Ill weeds grow — = onkruid vergaat niet.
Apanage, apənidž, apenage, aandeel, afhankelijk gebied.
Apart, əpât, afgescheiden van, apart, anders dan anders: You cannot
consider the one — from the other = de beide dingen zijn niet te
scheiden; subst. —ness.
Apartment, əpâtm’nt, vertrek: —s, reeks vertrekken (als woning); —s to
let = kamers te huur (ook fig.); — house (Am.) = huizen in verdiepingen
verhuurd met gemeenschappel. ingang.
Apathetic, apəthetik, apathisch; Apathy, apəthi, apathie, laksheid.
Ape, eip, subst. aap (zonder staart), naäper; verb. naäpen: The higher
the — goes, the more he shows his tail; An —’s an —, a varlet’s a
varlet, tho’ they be clad in silk and scarlet = al draagt een aap een
gouden ring, het is en blijft een leelijk ding; —ry = apenstreek;
naäperij.
Apeak, əpîk, recht op en neer, bijna loodrecht = Apeek.
Apelles, əpelîz; Apennines, apənainz = Appenijnen.
Apepsia, əpepsiə, Apepsy, əpepsi, slechte spijsvertering.
Aperient, əpîriənt, subst. laxeermiddel; adj. laxeerend = Aperitive.
Aperture, apətjuə, opening, spleet.
Apetalous, əpetəlɐs, zonder bloemblad.
Apex, eipeks (Meerv. Apices, eipisiz, of Apexes, eipeksiz), toppunt.
Aphaeresis, əfîrisis of əferisis, aphaeresis.
Aphelion, əfîliən, aphelium.
Aphidian, əfidiən, adj. bladluis...; subst. = Aphis, eifis of afis,
bladluis. (Mv. Aphides, afidîz).
Aphorism, afərizm, aphorisme; Aphoristic, aphoristisch.
Aphrodite, afrədaiti, de Grieksche Venus.
Aphtha, af-thə, spruw.
Aphyllous, əfiləs of afilɐs, bladloos.
Apiarian, eipiêriən, de bijen betreffend; Apiarist, eipjərist, ijmker;
Apiary, eipjəri, bijenstal.
A-piece, əpîs, per stuk, elk.
Apish, eipiš, aapachtig, potsierlijk; subst. —ness.
A-pit(-a)pat, əpit(ə)pat, met snel geklop.
Aplomb, əploŋ, aplomb.
Apocalypse, əpokəlips, Openbaring; Apocalyptic number = het getal 666.
Apocope, əpokəpî, apocope.
Apocrypha, əpokrifə, de apocryphe boeken (van het Oude Testament); —l =
aprocief.
Apodictic, apədiktik, apodictisch.
Apogean, apədžîən: — tides = Neap —; Apogee, apədži, apogaeum.
Apograph, apəgraf, afschrift.
Apollo, əpolou, Apollo: — and the Nine.
Apollyon, əpoliən, Apollyon, (Openb. IX, 11).
Apologetic(al), əpolədžetik(’l), verontschuldigend; Apologist =
apologeet; Apologize = zich verontschuldigen; Apology = apologie,
verdediging, excuus: He made an — = maakte excuus.
Apo(ph)thegm, apəthem, kernspreuk.
Apoplectic, apəplektik, beroerte...: — fit (stroke) = aanval van
beroerte; Apoplexy, apəpleksi, beroerte: A fit of — = aanval van
beroerte.
Apostasy, əpostəsi, afvalligheid: Julian the Apostate = Juliaan de
Afvallige; Apostatical, afvallig; Apostatize, afvallen.
Apostil, əpostil, kantteekening, naschrift.
Apostle, əpos’l, apostel: Acts of the —s = Handelingen d. Apostelen;
—-spoons = zilveren lepels, waarvan het handvatsel in het beeld van een
apostel uitloopt (een gewoon geschenk van peetvaders bij het doopen);
—ship, ambt v. apostel = Apostolate, əpostəlit; Apostolic =
apostolisch: — fathers = Christelijke schrijvers ten tijde of
onmiddellijk na de apostelen; — succession = machtsoverdracht van af de
apostelen.
Apostrophe, əpostrəfi, aanspraak, toespraak, afkappingsteeken;
Apostrophize, zich wenden tot; met een apostrophe voorzien.
Apothecary, əpothəkəri, apotheker (Schotl. en Amer.); soort van
plattelands-heelmeester; Apothecaries’ Society = College, dat sedert
1874 examens afneemt en Licenses uitreikt (Zie Chemist): —’s Bill =
apothekersrekening (fig.); —’s Latin = potjeslatijn.
Apotheosis, apəthiousis of apəthîəsis, verheerlijking; Apotheosize,
apəthîəsaiz, verheerlijken.
Appal, əpôl, verschrikken, ontstellen.
Appanage = Apanage.
Apparatus, apəreitəs, apparaat, hulpmiddelen, uitrusting, organen: The
digestive — = de verteringsorganen.
Apparel, əpar’l, subst. de kleederen, gewaad; opschik; — verb. kleeden,
uitrusten, opschikken.
Apparent, əpêr’nt, blijkbaar, duidelijk; schijnbaar; rechtmatig: Heir —
= rechtmatige troonopvolger; — horizon = schijnbare horizon; — time =
ware tijd; — from = blijkend uit.
Apparition, apəriš’n, verschijning, spooksel; —al = schijnbaar,
zichtbaar; spookachtig.
Apparitor, əparitə, deurwaarder, pedel.
Appeal, əpîl, subst. beroep, het recht van beroep, appel, dagvaarding;
smeekbede: — verb. appelleeren, zich beroepen op, smeeken: Lord Justice
of — = lid van Her Majesty’s Court of — (Hof van Beroep); Without — =
in laatste instantie; He gave notice of — = gaf kennis dat hij wou
appelleeren; He —ed from this Court of Justice to the king’s mercy =
hij appelleerde... van deze rechtbank op; The ministry will — to the
country = zal de Kamer(s) ontbinden; —able = vatbaar voor beroep.
Appear, əpîə, verschijnen, zichtbaar worden, duidelijk zijn, blijken
(by, from): It would — that = lijkt wel of; —ance, verschijnen,
voorkomen, aanblik, verschijnsel, vertoon: To keep up (save) —ances =
den schijn redden; To keep up a proper —ance = fatsoenlijk voor den dag
komen; He put in an —ance = kwam, verscheen.
Appeasable, əpîzəb’l, te bevredigen; Appease, əpîz, stillen,
bevredigen; Appeasing remedies = pijnstillende.
Appellant, əpel’nt, appelleerend, het appèl betreffend: Party — = de
appellant; subst. appellant; requestrant; Appellate = het appèl
betreffend: — Court = Hof. v. Beroep; Appellation, apəleiš’n, benaming,
naam; Appellative: — name = soortnaam; Appellee, beschuldigde,
aangeklaagde; Appellor, əpelə, aanklager; King’s (Queen’s) Evidence;
wraker v. partijdige Jury-leden.
Append, əpend, aanhechten, bijvoegen; —age = aanhangsel; —ages =
bijbehoorende terreinen; —ant, bijgevoegd, begeleidend; subst.
aanhangsel; afhankelijke; Appendicitis = blindedarmontsteking; —ix =
aanhangsel.
Apperception, apəsepš’n, apperceptie, waarneming, voorstelling met
bewustheid.
Appertain, apətein, behooren tot, toebehooren; —ment = toebehooren.
Appetence, apətens, begeerte; attractie; Appetent = begeerig.
Appetite, apətait, eetlust, begeerte: To get an — = honger krijgen; To
give an — = opwekken; To have an —; To sharpen one’s — = eetlust geven;
To take away the — = benemen; The — is concealed under the teeth = al
etende krijgt men eetlust; Appetitive (əpetitiv of apətaitiv): — power
(faculty) = begeervermogen; An appetizing book = boeiend, smakelijk.
Applaud, əplôd, toejuichen; He was received with general applause
(əplôz); Applausive = bijvals...
Apple, ap’l, appel: — of the eye; — of discord = twistappel; —-cart =
appelkar; lichaam, wezen: To upset one’s —-cart = een streep door de
rekening halen; —-jack = appelcider (Amer.); —-john = appel, die lang
goed blijven kan, doch dan ook rimpelig wordt; —-pie bed = bed,
opzettelijk zoodanig opgemaakt, dat men zijn beenen niet kan
uitstrekken; Everything is in —-pie order = in volmaakte orde; —-tree;
—-woman; —-yard = boomgaard.
Appliance, əplaiəns, toepassing, middel, toestel, toebehooren.
Applicability, aplikəbiliti, toepasselijkheid, bruikbaarheid,
Applicable, toepasselijk (to); Applicant, sollicitant; requestrant;
Application (= aplikeiš’n) toepassing (to) gebruik; ijver, vlijt;
aanvraag, sollicitatie; For outward — = voor uitwendig gebruik; On — =
bij inschrijving, op aanvraag; A personal (written) —; — for membership
in a club; —s are invited for the post = sollicitanten worden
opgeroepen; —s are to be made in writing = zich schriftelijk aan te
melden.
Apply, əplai, leggen op, brengen aan; toepassen, aanwenden, gebruiken;
zich wenden tot (to), solliciteeren (for), betrekking hebben op (to),
van toepassing zijn; — oneself (to) = zich toeleggen op.
Appoint, əpôint, subst. saldo; — verb. bepalen, bescheiden, bestemmen,
aanwijzen, vaststellen, inrichten, benoemen, aanstellen: He was —ed
governor of the town = aangesteld; I must hear the two voices in my
breast; it has been —ed me = God heeft het bepaald, het is Zijn wil;
Well-—ed = keurig; Appointee = vruchtgebruiker; Appointment =
aanstelling, afspraak, honorarium, inrichting of uitrusting: He got his
formal — = benoeming; Mr. B. by —! = die belet heeft laten vragen;
—-book = agenda; By — (tailor) to his Majesty = hofleverancier.
Apportion, əpöš’n, evenredig verdeelen, aanwijzen: The wages —ed to
this post = verbonden; —ment = verdeeling, toedeeling.
Appose, əpouz, leggen (drukken) op; tegenover elkaar stellen.
Apposite, apəzit, geschikt, voegzaam, te pas: This argument is — to the
case in question = toepasselijk op; subst. —ness.
Apposition, apəziš’n, bijvoeging; bijstelling; adj. —al.
Appraisable, əpreizəb’l, taxeerbaar; Appraisal = schatting; Appraise,
əpreiz, waardeeren, schatten; —ment = schatting, taxatie; —r =
taxateur, schatter.
Appreciable, əprîšiəb’l, schatbaar, merkbaar; Appreciate, əprîšieit,
waardeeren, hoogschatten, op prijs stellen; verhoogen (toenemen) in
prijs (Amer.); Appreciation, waardeering; prijsverhooging;
Appreciative, waardeerend; Appreciatory = waardeerend, erkennend.
Apprehend, aprihend, vatten, grijpen, begrijpen, verstaan;
onderstellen; duchten; Apprehensibility = begrijpelijkheid; adj.
Apprehensible; Apprehension = bevatting; vrees: To be dull of — = traag
v. bevatting; He was in no small — for his life = vreesde zeer voor;
Apprehensive, bevreesd (of); bevattelijk.
Apprentice, əprentis, subst. leerjongen, leerling; — verb. in de leer
doen: To bind (put) a person — to = in de leer doen bij; I was —d to a
very kind master at a very moderate —-fee = leergeld; —ship = leertijd
(meest 7 jaar in Eng.).
Apprise, əpraiz, bekend maken met.
Approach, əproutš, subst. nadering; toegang, oprit; — verb. naderen,
nabij komen, gelijken op; —es = loopgraven; To — a subject = aanroeren;
Some relative pronouns — to demonstratives; —able, toegankelijk (ook
fig.).
Approbate, aprəbeit, goedkeuren, machtigen; adj. (aprəbit) goedgekeurd;
Approbation, goedkeuring: Sent on — = op zicht; —-bill =
onteigeningsontwerp.